Loading...
Menu
Ebooks   ➡  Nonfiction  ➡  Language Instruction  ➡  Dutch

200 Most Frequently Used Dutch Words + 2000 Example Sentences: A Dictionary of F

200 Most Frequently Used Dutch Words + Over 2000 Example Sentences: A Dictionary of Frequency + Phrasebook to Learn Dutch

h1={color:#000;}.

h1={color:#000;}.

Neri Rook

 

Copyright © Neri Rook, 2015 all rights reserved. No part of this book may be reproduced, scanned or distributed in any printed or electronic form without permission. Please do not make illegal copies of this book, your support for the author is appreciated.

 

Introduction

• This book contains the 200 most frequently used Dutch words with many example sentences each.

• Every example sentence is beginner level. As a general rule, they are ordered from easiest to hardest.

• Sometimes an example sentence will be repeated, but with an alternate translation—so you can look at the same sentence but from a different angle.

• Every sentence should be correct. Just like every translation. If you happen to find a mistake, report it to me and I’ll fix it immediately.

 

If you could write a review for this book on whatever site you got it from, I would be eternally thankful for your feedback (negative or positive).

I hope that this book serves as wonderful learning reference.

—Neri Rook

 

Personal website:

http://frequencylists.blogspot.com.br/

 

 

How to Use This Book

1. Pick a word.

2. Read the example sentences: try to guess their meaning and pronunciation.

3. Check the translations to see if you got the meaning right.

4. Type the example sentences into Google Translate, then click the “Listen” button, to see if you got the pronunciation right. Repeat it out loud, trying to mimic the pronunciation that you just heard.

 

Some less popular languages do not have a “Listen” button on Google Translate. If your pronunciation is already good, skip step 4. In the end of this book, there is an appendix with study hints.

Short Index of Words

[ 1 ] IS

[ 2 ] DE

[ 3 ] EEN

[ 4 ] HET

[ 5 ] JE

[ 6 ] NIET

[ 7 ] VAN

[ 8 ] IN

[ 9 ] TE

[ 10 ] IK

[ 11 ] ZIJN

[ 12 ] DAT

[ 13 ] HEB

[ 14 ] OP

[ 15 ] HEEFT

[ 16 ] MIJN

[ 17 ] NAAR

[ 18 ] MET

[ 19 ] OM

[ 20 ] WAS

[ 21 ] VOOR

[ 22 ] BEN

[ 23 ] HIJ

[ 24 ] ME

[ 25 ] KAN

[ 26 ] AAN

[ 27 ] EN

[ 28 ] GEEN

[ 29 ] HAAR

[ 30 ] DAN

[ 31 ] ZAL

[ 32 ] HEM

[ 33 ] WAT

[ 34 ] ALS

[ 35 ] ER

[ 36 ] WIL

[ 37 ] MOET

[ 38 ] ZE

[ 39 ] WE

[ 40 ] U

[ 41 ] DIE

[ 42 ] DEZE

[ 43 ] VEEL

[ 44 ] DIT

[ 45 ] ZO

[ 46 ] MIJ

[ 47 ] NOG

[ 48 ] ZOU

[ 49 ] UIT

[ 50 ] HEBBEN

[ 51 ] MAAR

[ 52 ] WEET

[ 53 ] AL

[ 54 ] OVER

[ 55 ] GE

[ 56 ] OF

[ 57 ] MEER

[ 58 ] ERG

[ 59 ] GOED

[ 60 ] HAD

[ 61 ] ALTIJD

[ 62 ] HIER

[ 63 ] GAAT

[ 64 ] BIJ

[ 65 ] TWEE

[ 66 ] GRAAG

[ 67 ] NOOIT

[ 68 ] WAAR

[ 69 ] BOEK

[ 70 ] IETS

[ 71 ] MOETEN

[ 72 ] HEEL

[ 73 ] JAAR

[ 74 ] ONS

[ 75 ] VADER

[ 76 ] WERD

[ 77 ] DOOR

[ 78 ] GA

[ 79 ] UW

[ 80 ] DENK

[ 81 ] KUNNEN

[ 82 ] GING

[ 83 ] MENSEN

[ 84 ] TIJD

[ 85 ] HOU

[ 86 ] TOT

[ 87 ] LEVEN

[ 88 ] BENT

[ 89 ] GAAN

[ 90 ] HUIS

[ 91 ] NIETS

[ 92 ] OOK

[ 93 ] AUTO

[ 94 ] ZICH

[ 95 ] VROEG

[ 96 ] KON

[ 97 ] DAG

[ 98 ] DRIE

[ 99 ] LAAT

[ 100 ] KWAM

[ 101 ] NU

[ 102 ] NIEUWE

[ 103 ] GOEDE

[ 104 ] MOEDER

[ 105 ] ALLEEN

[ 106 ] MAN

[ 107 ] TEGEN

[ 108 ] KAMER

[ 109 ] HOUDT

[ 110 ] GISTEREN

[ 111 ] JIJ

[ 112 ] HEBT

[ 113 ] MORGEN

[ 114 ] GELD

[ 115 ] KEER

[ 116 ] SPREEKT

[ 117 ] HOE

[ 118 ] ALLES

[ 119 ] VANDAAG

[ 120 ] BETER

[ 121 ] WORDT

[ 122 ] WAREN

[ 123 ] WIE

[ 124 ] ZONDER

[ 125 ] KOMT

[ 126 ] HUN

[ 127 ] STAAT

[ 128 ] DAAR

[ 129 ] EENS

[ 130 ] OUDE

[ 131 ] UUR

[ 132 ] EERSTE

[ 133 ] SNEL

[ 134 ] HELE

[ 135 ] IEMAND

[ 136 ] SCHOOL

[ 137 ] ENGELS

[ 138 ] JOUW

[ 139 ] ELKE

[ 140 ] ÉÉN

[ 141 ] GROOT

[ 142 ] ONZE

[ 143 ] LANG

[ 144 ] BRIEF

[ 145 ] ZEI

[ 146 ] TIEN

[ 147 ] JULLIE

[ 148 ] ECHT

[ 149 ] WILLEN

[ 150 ] MAAKT

[ 151 ] TOEN

[ 152 ] HOND

[ 153 ] BROER

[ 154 ] BANG

[ 155 ] VROUW

[ 156 ] GROTE

[ 157 ] GAF

[ 158 ] DOEN

[ 159 ] ZEER

[ 160 ] WANNEER

[ 161 ] ALLE

[ 162 ] MOEILIJK

[ 163 ] WOONT

[ 164 ] EVEN

[ 165 ] PER

[ 166 ] NET

[ 167 ] BOEKEN

[ 168 ] KINDEREN

[ 169 ] TREIN

[ 170 ] ZIN

[ 171 ] BIJNA

[ 172 ] TERUG

[ 173 ] AF

[ 174 ] LIJKT

[ 175 ] WATER

[ 176 ] LATEN

[ 177 ] PLAN

[ 178 ] DEUR

[ 179 ] VRAAG

[ 180 ] PROBLEEM

[ 181 ] GENOEG

[ 182 ] WEL

[ 183 ] WERK

[ 184 ] ZIJ

[ 185 ] KOM

[ 186 ] VRIEND

[ 187 ] KEN

[ 188 ] HELEMAAL

[ 189 ] JONGEN

[ 190 ] HEET

[ 191 ] DOET

[ 192 ] JOU

[ 193 ] VIJF

[ 194 ] NAAM

[ 195 ] ZAG

[ 196 ] VAAK

[ 197 ] VIND

[ 198 ] VOLGENDE

[ 199 ] ZIET

[ 200 ] BESTE

Index of Words

[ 1 ] IS

— Het is een van mij.

— Zo is het niet.

— Wat is het ?

— Ik weet niet wat dat is.

— Ik weet niet wat dat is.

 

— Wat is dat ?

— Wat is dat ?

— Ik weet niet waar het is.

— Je weet dat het waar is.

— Dat is niet waar.

 

— [ It’s one of mine. ]

— [ It is not so. ]

— [ What is it? ]

— [ I don’t know what it is. ]

— [ I don’t know what that is. ]

 

— [ What is it? ]

— [ What’s that? ]

— [ I do not know where it is. ]

— [ You know it’s true. ]

— [ That’s not true. ]

 

— Dat is niet waar.

— Dat is niet waar.

— Hij is niet mijn vader.

— Hij is mijn vader niet.

— Het boek is van mij.

 

— Ik weet van waar hij is.

— Ik weet niet of het waar is.

— Dat is het leven.

— Dat is het leven.

— Ik denk dat het waar is.

 

— [ It is not so. ]

— [ That is not true. ]

— [ He’s not my father. ]

— [ He’s not my father. ]

— [ The book is mine. ]

 

— [ I know where he comes from. ]

— [ I don’t know if it is true. ]

— [ That’s the way the cookie crumbles. ]

— [ That’s life. ]

— [ I think it’s true. ]

 

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

— Wat goed is voor u, is goed voor mij.

— Ze is niet hier.

— Je tijd is om.

 

— En waar is dat goed voor ?

— Ze is nog niet hier.

— Het huis bij het meer is van mij.

— Dat huis is van mij.

— Dit is een boek.

 

— [ I think it true. ]

— [ I think that it’s true. ]

— [ What is good for you, is good for me. ]

— [ She’s not here. ]

— [ Your time is over. ]

 

— [ What good will that do? ]

— [ She is not here yet. ]

— [ The house by the lake is mine. ]

— [ That house is mine. ]

— [ This is a book. ]

 

[ 2 ] DE

— Ik ben in de auto.

— Ben ik de vader ?

— De hond is in het huis.

— Het is de grote.

— De vraag is of hij het kan doen of niet.

 

— Dat was niet de eerste keer.

— De kamer van mijn vader is heel groot.

— Hij is de vader van drie kinderen.

— Ben je in de stad ?

— Ik zou naar de film gaan, als ik tijd zou hebben.

 

— [ I’m in the car. ]

— [ Am I the father? ]

— [ The dog is in the house. ]

— [ It’s the big one. ]

— [ The question is whether he can do it or not. ]

 

— [ It wasn’t the first time. ]

— [ My father’s room is very big. ]

— [ He is the father of three children. ]

— [ Aren’t you in town? ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

 

— Als ik tijd had, ging ik naar de film.

— Waar is de school ?

— De man die daar staat is mijn vader.

— Er is niemand in de kamer.

— Dat is de vrouw die u wil zien.

 

— Dit is de eerste keer.

— Ik wil naar de stad gaan.

— De tijd gaat snel om.

— De vraag is dit.

— Er is iemand aan de deur.

 

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ Where is the school? ]

— [ The man who is standing over there is my father. ]

— [ There’s no one in the room. ]

— [ That is the woman who wants to see you. ]

 

— [ This is the first time. ]

— [ I want to go to the city. ]

— [ Time is going by very quickly. ]

— [ The question is this. ]

— [ Someone is at the door. ]

 

— Ze was bang voor de hond.

— Hij is de grootste van de drie.

— Dit is de jongen.

— Mijn vader gaat met de fiets naar zijn werk.

— Ik ga met de fiets naar het werk.

 

— Ik ben van plan morgen de hele dag thuis te zijn.

— Ik denk de hele tijd aan jullie.

— Mij maakt het niet uit wat de mensen zeggen.

— Ik wou dat ik terug in de tijd kon gaan.

— Ik ging vaak naar de film met mijn vader.

 

— [ She was afraid of the dog. ]

— [ He is the tallest of the three. ]

— [ This is the boy. ]

— [ My father goes to work by bike. ]

— [ I bike to work. ]

 

— [ I plan to stay at home all day tomorrow. ]

— [ I think of you all the time. ]

— [ I don’t care what people say. ]

— [ I wish I could go back in time. ]

— [ I often went to the movies with my father. ]

 

[ 3 ] EEN

— Het is een van mij.

— Ik heb een boek.

— Heb je een auto ?

— Heb je een auto ?

— Dit is een boek.

 

— Dit is een boek.

— Ik heb een auto.

— Is er een kamer voor mij ?

— Hij heeft een auto.

— Het is een uur.

 

— [ It’s one of mine. ]

— [ I have a book. ]

— [ Do you have a car? ]

— [ Have you got a car? ]

— [ This is a book. ]

 

— [ That’s a book. ]

— [ I have a car. ]

— [ Is there any room for me? ]

— [ He has a car. ]

— [ It’s one o’clock. ]

 

— Hij is al een man.

— Waar een wil is, is een weg.

— Ik heb een probleem met mijn auto.

— Hij heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Wat een groot huis heb je !

 

— Dit is een vriend van mij.

— Ze heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Ik heb een vriend die van mij houdt.

— Ik heb een vriend die van mij houdt.

— Ik heb een hond.

 

— [ He’s already a man. ]

— [ Where there’s a will, there’s a way. ]

— [ I have a problem with my car. ]

— [ He does not have the money for buying a new car. ]

— [ What a big house you have! ]

 

— [ This is a friend of mine. ]

— [ She does not have the money for buying a new car. ]

— [ I have a friend who loves me. ]

— [ I have a boyfriend who loves me. ]

— [ I have a dog. ]

 

— Ik heb een oude auto.

— Er is een probleem dat je niet ziet.

— Ik ben een vrouw.

— Hij heeft een hond.

— Heeft hij een hond ?

 

— Hij is een oude vriend van mij.

— Hij is een oude vriend van mij.

— Dit is een hond.

— Ik ben een oude man.

— Ik heb een vraag.

 

— [ I have an old car. ]

— [ There’s a problem there that you don’t see. ]

— [ I am a woman. ]

— [ He has a dog. ]

— [ Does he have a dog? ]

 

— [ He is an old friend of mine. ]

— [ He’s an old friend of mine. ]

— [ This is a dog. ]

— [ I’m an old man. ]

— [ I have a question. ]

 

[ 4 ] HET

— Het is een van mij.

— Ik ben het.

— Zo is het niet.

— Wat is het ?

— Ik kan het.

 

— Ik weet het niet.

— Ik weet het niet.

— Ik weet dat je weet dat ik het weet.

— Ik weet niet waar het is.

— Ik wil het niet meer.

 

— [ It’s one of mine. ]

— [ It’s me. ]

— [ It is not so. ]

— [ What is it? ]

— [ I can do it. ]

 

— [ I don’t know. ]

— [ I dinnae ken. ]

— [ I know that you know that I know. ]

— [ I do not know where it is. ]

— [ I don’t want it anymore. ]

 

— Ik weet niet of ik het nog heb.

— Hij weet het niet.

— Je weet dat het waar is.

— Het kan niet waar zijn.

— Het kan niet waar zijn.

 

— Het kan niet waar zijn.

— Ik kan het niet met je eens zijn.

— Ik weet het nog niet.

— Ik weet het nog niet.

— Het boek is van mij.

 

— [ I don’t know if I still have it. ]

— [ He does not know. ]

— [ You know it’s true. ]

— [ It cannot be true. ]

— [ It can not be true. ]

 

— [ It can’t be true. ]

— [ I can’t agree with you. ]

— [ I don’t know yet. ]

— [ I still don’t know that. ]

— [ The book is mine. ]

 

— Ik weet niet of het waar is.

— Ik ben in het huis.

— Ik ben in het huis.

— Ik weet niet of hij het weet.

— Het kan waar zijn of niet.

 

— Dat is het leven.

— Dat is het leven.

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

 

— [ I don’t know if it is true. ]

— [ I am in the house. ]

— [ I’m in the house. ]

— [ I don’t know if he knows it. ]

— [ It may or may not be true. ]

 

— [ That’s the way the cookie crumbles. ]

— [ That’s life. ]

— [ I think it’s true. ]

— [ I think it true. ]

— [ I think that it’s true. ]

 

[ 5 ] JE

— Ik weet dat je weet dat ik het weet.

— Je weet dat het waar is.

— Ik kan het niet met je eens zijn.

— Ik hou niet meer van je.

— Ik hou van je.

 

— Ik hou van je !

— Waar heb je het over ?

— Je tijd is om.

— Heb je een auto ?

— Heb je een auto ?

 

— [ I know that you know that I know. ]

— [ You know it’s true. ]

— [ I can’t agree with you. ]

— [ I no longer love you. ]

— [ I love you. ]

 

— [ I love you! ]

— [ What are you talking about? ]

— [ Your time is over. ]

— [ Do you have a car? ]

— [ Have you got a car? ]

 

— Waar wil je dat voor hebben ?

— Ga je dan niet ?

— Weet hij dat je van hem houdt ?

— Ik denk dat ik het niet met je eens bent.

— Hou je van me ?

 

— Ik heb met je te doen.

— Wat denk je dat ik aan het doen was ?

— Ik denk dat je daar niet was.

— Ik hou heel veel van je.

— Waar ben je ?

 

— [ What do you want that for? ]

— [ Won’t you go? ]

— [ Does he know that you love him? ]

— [ I guess I don’t agree with you. ]

— [ Do you love me? ]

 

— [ I feel for you. ]

— [ What do you think I’ve been doing? ]

— [ I guess you weren’t there. ]

— [ I love you very much. ]

— [ Where are you? ]

 

— Hou je van mij ?

— Heb je veel geld bij je ?

— Kan je dat doen ? Ik denk het.

— Het is beter voor je om het nu te doen.

— Je weet heel goed wat ze wil.

 

— Wat was je aan het doen ?

— Dat gaat je niets aan.

— Wat ben je aan het doen ?

— Wat ben je aan het doen ?

— Waar is je vader ?

 

— [ Do you love me? ]

— [ Do you have much money with you? ]

— [ Can you do that? I think so. ]

— [ It is better for you to do it now. ]

— [ You know very well what she wants. ]

 

— [ What were you doing? ]

— [ It’s none of your business. ]

— [ What are you doing? ]

— [ What do you do? ]

— [ Where is your father? ]

 

[ 6 ] NIET

— Zo is het niet.

— Ik weet niet wat dat is.

— Ik weet niet wat dat is.

— Ik weet het niet.

— Ik weet het niet.

 

— Ik weet niet waar het is.

— Ik wil het niet meer.

— Ik weet niet of ik het nog heb.

— Hij weet het niet.

— Het kan niet waar zijn.

 

— [ It is not so. ]

— [ I don’t know what it is. ]

— [ I don’t know what that is. ]

— [ I don’t know. ]

— [ I dinnae ken. ]

 

— [ I do not know where it is. ]

— [ I don’t want it anymore. ]

— [ I don’t know if I still have it. ]

— [ He does not know. ]

— [ It cannot be true. ]

 

— Het kan niet waar zijn.

— Het kan niet waar zijn.

— Dat is niet waar.

— Dat is niet waar.

— Dat is niet waar.

 

— Ik kan het niet met je eens zijn.

— Ik weet het nog niet.

— Ik weet het nog niet.

— Hij is niet mijn vader.

— Hij is mijn vader niet.

 

— [ It can not be true. ]

— [ It can’t be true. ]

— [ That’s not true. ]

— [ It is not so. ]

— [ That is not true. ]

 

— [ I can’t agree with you. ]

— [ I don’t know yet. ]

— [ I still don’t know that. ]

— [ He’s not my father. ]

— [ He’s not my father. ]

 

— Dat kan niet waar zijn !

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

 

— Ik weet niet of het waar is.

— Ik weet niet of hij het weet.

— Het kan waar zijn of niet.

— Ik hou niet meer van je.

— Maar ik wil niet.

 

— [ It can’t be! ]

— [ That can’t be true. ]

— [ That cannot be true. ]

— [ It cannot be true. ]

— [ It can’t be true. ]

 

— [ I don’t know if it is true. ]

— [ I don’t know if he knows it. ]

— [ It may or may not be true. ]

— [ I no longer love you. ]

— [ But I don’t want to. ]

 

[ 7 ] VAN

— Het is een van mij.

— Het boek is van mij.

— Ik weet van waar hij is.

— Ik hou niet meer van je.

— Ik hou van je.

 

— Ik hou van je !

— Ik ben niet van gisteren.

— Ik hou niet meer van haar.

— Het huis bij het meer is van mij.

— Dat huis is van mij.

 

— [ It’s one of mine. ]

— [ The book is mine. ]

— [ I know where he comes from. ]

— [ I no longer love you. ]

— [ I love you. ]

 

— [ I love you! ]

— [ I was not born yesterday. ]

— [ I don’t love her anymore. ]

— [ The house by the lake is mine. ]

— [ That house is mine. ]

 

— Ik hou niet meer van hem.

— Ik hou niet meer van hem.

— Hoe weet ge dat het van hem is ?

— Weet hij dat je van hem houdt ?

— Hou je van me ?

 

— Dit boek is van mij.

— Dit zijn mijn boeken, dat zijn die van hem.

— Ik hou van haar.

— Ik hou heel veel van je.

— Het is van mijn broer.

 

— [ I do not love him any longer. ]

— [ I no longer love him. ]

— [ How do you know that it’s his? ]

— [ Does he know that you love him? ]

— [ Do you love me? ]

 

— [ This book is mine. ]

— [ These are my books, those are his. ]

— [ I love her. ]

— [ I love you very much. ]

— [ It’s my brother’s. ]

 

— Dit is van mij, en dit is van jou.

— Dit zijn mijn boeken, die zijn van hem.

— Hou je van mij ?

— Ik hou van mijn huis.

— Van wie is dat boek ?

 

— Van wie is dat boek ?

— Ik weet van niets.

— Ik heb niets met hem van doen.

— Ik hou van mijn moeder.

— Deze boeken zijn van mij en die boeken zijn van hem.

 

— [ This is mine, and this is yours. ]

— [ These are my books; those are his. ]

— [ Do you love me? ]

— [ I like my house. ]

— [ Whose book is that? ]

 

— [ Whose is that book? ]

— [ I don’t know anything. ]

— [ I have nothing to do with him. ]

— [ I love my mum. ]

— [ These books are mine and those books are his. ]

 

[ 8 ] IN

— Ik ben in het huis.

— Ik ben in het huis.

— Ik ben in de auto.

— De hond is in het huis.

— Hij zou in staat zijn dat te doen.

 

— Ben je in de stad ?

— Er zijn veel boeken in mijn kamer.

— Er is niemand in de kamer.

— Hij was helemaal alleen in het huis.

— Ik heb een boek in mijn hand.

 

— [ I am in the house. ]

— [ I’m in the house. ]

— [ I’m in the car. ]

— [ The dog is in the house. ]

— [ That he would be able to do. ]

 

— [ Aren’t you in town? ]

— [ There are many books in my room. ]

— [ There’s no one in the room. ]

— [ He was all alone in the house. ]

— [ I have a book in my hand. ]

 

— Hij ging naar daar in plaats van zijn vader.

— Ik weet wie in dit huis woont.

— Ik wou dat ik terug in de tijd kon gaan.

— Hij is in zijn kamer aan het spelen.

— Het water in het meer is heel koud.

 

— Ik wil in een grote stad leven.

— Ik wil niet dat je in de problemen komt.

— Je staat in de weg.

— Ze heeft haar kinderen niet in de hand.

— Ik wil tijd in plaats van geld.

 

— [ He went there instead of his father. ]

— [ I know who lives in this house. ]

— [ I wish I could go back in time. ]

— [ He is playing in his room. ]

— [ The water of the lake is very cold. ]

 

— [ I want to live in a big city. ]

— [ I don’t want to get you into trouble. ]

— [ You are in my way. ]

— [ She can’t control her children. ]

— [ I want time instead of money. ]

 

— Wij zijn niet in staat om dat te doen.

— Wat zou je in mijn plaats doen ?

— Ik ben van plan om in de stad te gaan wonen.

— Ik kan het in je ogen zien.

— Kan jij dit doen in plaats van mij ?

 

— Dat hebben we niet in Europa.

— Mijn vriend woont in dit huis.

— Er zit een kat in mijn huis.

— Dit zal mijn laatste zin in het Engels zijn.

— In uw plaats zou ik dat niet gedaan hebben.

 

— [ That we are not able to do. ]

— [ What would you do if you were in my place? ]

— [ I plan to live in the city. ]

— [ I can see it in your eyes. ]

— [ Could you do this instead of me? ]

 

— [ We don’t have that in Europe. ]

— [ My friend lives in this house. ]

— [ There’s a cat in my house. ]

— [ This will be my last sentence in English. ]

— [ If I were you I wouldn’t have done that. ]

 

[ 9 ] TE

— Ik ben te laat, of niet ?

— Het is al te laat.

— Ik heb niets om voor te leven.

— Ik heb met je te doen.

— Het is tijd om te gaan voor ons.

 

— Het is tijd om naar huis te gaan.

— Het is al tijd om naar huis te gaan.

— Het is nu te laat om nog uit te gaan.

— Ik heb te veel te doen.

— Het is beter voor je om het nu te doen.

 

— [ I’m late, aren’t I? ]

— [ It’s already too late. ]

— [ I have nothing to live for. ]

— [ I feel for you. ]

— [ It’s time for us to go. ]

 

— [ It’s time to go home. ]

— [ It’s already time to go home. ]

— [ It is too late to go out now. ]

— [ I’ve got too much to do. ]

— [ It is better for you to do it now. ]

 

— Het is te groot.

— Ik heb geen zin om uit te gaan.

— Hij zou in staat zijn dat te doen.

— Tegen die tijd is het al te laat.

— Ik was te laat op school.

 

— Het is nooit te laat om te leren.

— Je hoeft niet te gaan, als je dat niet wil.

— Hij heeft te veel boeken.

— Dit is te groot.

— Je bent altijd te laat.

 

— [ It’s too big. ]

— [ I don’t feel like going out. ]

— [ That he would be able to do. ]

— [ By then it will already be too late. ]

— [ I was late to school. ]

 

— [ It is never too late to learn. ]

— [ If you don’t want to go, you don’t have to. ]

— [ He has too many books. ]

— [ This is too big. ]

— [ You are always late. ]

 

— Dit is te lang.

— Het is te heet.

— Het is te heet.

— Ik heb zin om uit te gaan vandaag.

— Ze vroeg mij het te doen.

 

— Ik heb veel te doen vandaag.

— Ik zal moeilijk voor je zijn om Engels te spreken.

— Ik had geen tijd om te eten.

— Het is te mooi om waar te zijn.

— Het heeft geen zin om me om geld te vragen.

 

— [ This is too long. ]

— [ It’s too hot. ]

— [ It is too hot. ]

— [ I feel like going out today. ]

— [ She asked me to do it. ]

 

— [ I have a lot to do today. ]

— [ It will be hard for you to speak English. ]

— [ I had no time to eat. ]

— [ It’s too good to be true. ]

— [ It’s no use asking me for money. ]

 

[ 10 ] IK

— Ik ben het.

— Ik kan het.

— Ik weet niet wat dat is.

— Ik weet niet wat dat is.

— Ik weet het niet.

 

— Ik weet het niet.

— Ik weet dat je weet dat ik het weet.

— Wat heb ik ?

— Ik weet niet waar het is.

— Ik wil het niet meer.

 

— [ It’s me. ]

— [ I can do it. ]

— [ I don’t know what it is. ]

— [ I don’t know what that is. ]

— [ I don’t know. ]

 

— [ I dinnae ken. ]

— [ I know that you know that I know. ]

— [ What do I have? ]

— [ I do not know where it is. ]

— [ I don’t want it anymore. ]

 

— Ik weet niet of ik het nog heb.

— Ik kan het niet met je eens zijn.

— Ik weet het nog niet.

— Ik weet het nog niet.

— Ik heb een boek.

 

— Ik weet van waar hij is.

— Ik weet niet of het waar is.

— Ik ben in het huis.

— Ik ben in het huis.

— Ik ben in de auto.

 

— [ I don’t know if I still have it. ]

— [ I can’t agree with you. ]

— [ I don’t know yet. ]

— [ I still don’t know that. ]

— [ I have a book. ]

 

— [ I know where he comes from. ]

— [ I don’t know if it is true. ]

— [ I am in the house. ]

— [ I’m in the house. ]

— [ I’m in the car. ]

 

— Ik weet niet of hij het weet.

— Ik hou niet meer van je.

— Maar ik wil niet.

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

 

— Ik denk dat het waar is.

— Ik heb dit boek niet.

— Ik hou van je.

— Ik hou van je !

— Ben ik de vader ?

 

— [ I don’t know if he knows it. ]

— [ I no longer love you. ]

— [ But I don’t want to. ]

— [ I think it’s true. ]

— [ I think it true. ]

 

— [ I think that it’s true. ]

— [ I don’t have this book. ]

— [ I love you. ]

— [ I love you! ]

— [ Am I the father? ]

 

[ 11 ] ZIJN

— Het kan niet waar zijn.

— Het kan niet waar zijn.

— Het kan niet waar zijn.

— Ik kan het niet met je eens zijn.

— Dat kan niet waar zijn !

 

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Het kan waar zijn of niet.

 

— [ It cannot be true. ]

— [ It can not be true. ]

— [ It can’t be true. ]

— [ I can’t agree with you. ]

— [ It can’t be! ]

 

— [ That can’t be true. ]

— [ That cannot be true. ]

— [ It cannot be true. ]

— [ It can’t be true. ]

— [ It may or may not be true. ]

 

— We zijn er nog niet.

— Ik weet niet waar ze zijn.

— Dit kan niet waar zijn.

— Dat is zijn auto.

— Dit zijn mijn boeken, dat zijn die van hem.

 

— Ze zijn er al.

— Dit zijn mijn boeken, die zijn van hem.

— Ze kan hier zo vroeg niet zijn.

— Hier zijn we dan.

— Dit is zijn huis.

 

— [ We’re not there yet. ]

— [ I don’t know where they are. ]

— [ This can’t be true. ]

— [ That is his car. ]

— [ These are my books, those are his. ]

 

— [ They’re already here. ]

— [ These are my books; those are his. ]

— [ She cannot be here so early. ]

— [ Here we are. ]

— [ This is his house. ]

 

— Morgen kan het mij zijn.

— Er moet iets zijn dat je kan doen.

— Ik weet niet wanneer hij hier zal zijn.

— Hij is zo groot als zijn vader.

— Deze boeken zijn van mij en die boeken zijn van hem.

 

— Hij zou in staat zijn dat te doen.

— Ik had geen weet van zijn plan.

— Zijn huis is drie keer zo groot als dat van mij.

— Hij kan niet ouder dan ik zijn.

— Hij kan niet ouder dan ik zijn.

 

— [ Tomorrow it might be me. ]

— [ There must be something you can do. ]

— [ I don’t know when he will be here. ]

— [ He is as tall as his father. ]

— [ These books are mine and those books are his. ]

 

— [ That he would be able to do. ]

— [ I was ignorant of his plan. ]

— [ His house is three times as big as mine. ]

— [ He cannot be older than I. ]

— [ He can’t be older than me. ]

 

[ 12 ] DAT

— Ik weet niet wat dat is.

— Ik weet niet wat dat is.

— Wat is dat ?

— Wat is dat ?

— Ik weet dat je weet dat ik het weet.

 

— Je weet dat het waar is.

— Dat is niet waar.

— Dat is niet waar.

— Dat is niet waar.

— Dat kan niet waar zijn !

 

— [ I don’t know what it is. ]

— [ I don’t know what that is. ]

— [ What is it? ]

— [ What’s that? ]

— [ I know that you know that I know. ]

 

— [ You know it’s true. ]

— [ That’s not true. ]

— [ It is not so. ]

— [ That is not true. ]

— [ It can’t be! ]

 

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat is het leven.

 

— Dat is het leven.

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

— En waar is dat goed voor ?

 

— [ That can’t be true. ]

— [ That cannot be true. ]

— [ It cannot be true. ]

— [ It can’t be true. ]

— [ That’s the way the cookie crumbles. ]

 

— [ That’s life. ]

— [ I think it’s true. ]

— [ I think it true. ]

— [ I think that it’s true. ]

— [ What good will that do? ]

 

— Waar wil je dat voor hebben ?

— Dat huis is van mij.

— Dat is zijn auto.

— Hoe weet ge dat het van hem is ?

— Weet hij dat je van hem houdt ?

 

— Ik denk dat ik het niet met je eens bent.

— Dit zijn mijn boeken, dat zijn die van hem.

— Wat denk je dat ik aan het doen was ?

— Ik denk dat je daar niet was.

— Dat is alles wat ik over hem weet.

 

— [ What do you want that for? ]

— [ That house is mine. ]

— [ That is his car. ]

— [ How do you know that it’s his? ]

— [ Does he know that you love him? ]

 

— [ I guess I don’t agree with you. ]

— [ These are my books, those are his. ]

— [ What do you think I’ve been doing? ]

— [ I guess you weren’t there. ]

— [ This is all that I know about him. ]

 

[ 13 ] HEB

— Wat heb ik ?

— Ik weet niet of ik het nog heb.

— Ik heb een boek.

— Ik heb dit boek niet.

— Waar heb je het over ?

 

— Heb je een auto ?

— Heb je een auto ?

— Ik weet niet of ik tijd heb.

— Ik weet niet of ik tijd heb.

— Ik heb geen tijd voor u.

 

— [ What do I have? ]

— [ I don’t know if I still have it. ]

— [ I have a book. ]

— [ I don’t have this book. ]

— [ What are you talking about? ]

 

— [ Do you have a car? ]

— [ Have you got a car? ]

— [ I don’t know if I have the time. ]

— [ I don’t know if I’ll have time. ]

— [ I don’t have time for you. ]

 

— Ik heb een auto.

— Ik heb niets om voor te leven.

— Ik heb met je te doen.

— Ik heb geen tijd.

— Ik heb geen tijd.

 

— Ik heb niet veel geld.

— Ik heb dit boek al uit.

— Ik heb te veel te doen.

— Heb je veel geld bij je ?

— Over wie heb je het ?

 

— [ I have a car. ]

— [ I have nothing to live for. ]

— [ I feel for you. ]

— [ I have no time. ]

— [ I don’t have time. ]

 

— [ I don’t have much money. ]

— [ I have already finished this book. ]

— [ I’ve got too much to do. ]

— [ Do you have much money with you? ]

— [ To whom are you referring? ]

 

— Over wie heb je het ?

— Het probleem is dat ik geen geld bij me heb.

— Maar ik heb geen geld.

— Maar ik heb geen geld.

— Ik heb niets met hem van doen.

 

— Ik heb geen geld.

— Ik heb geen geld.

— Ik heb geen geld.

— Ik heb geen geld.

— Ik heb geen zin om uit te gaan.

 

— [ Who are you talking about? ]

— [ The trouble is that I have no money with me. ]

— [ But I don’t have money. ]

— [ But I have no money. ]

— [ I have nothing to do with him. ]

 

— [ I do not have any money. ]

— [ I have no money. ]

— [ I don’t have any money. ]

— [ I don’t have money. ]

— [ I don’t feel like going out. ]

 

[ 14 ] OP

— Hij is altijd op tijd.

— Ik was deze morgen niet op tijd op school.

— Hij kwam niet op tijd.

— Ik was te laat op school.

— Ik was daar op tijd, maar ik zag je niet !

 

— Je was niet op school gisteren.

— Ik was op school.

— Ik was op zoek naar iets wat er niet was.

— Hij was gisteren niet op school.

— Zijn auto lijkt op die van mij.

 

— [ He’s always on time. ]

— [ I wasn’t on time for school this morning. ]

— [ He didn’t come on time. ]

— [ I was late to school. ]

— [ I was there on time, but I didn’t see you! ]

 

— [ You were absent from school yesterday. ]

— [ I was at school. ]

— [ I was searching for something that didn’t exist. ]

— [ He was absent from school yesterday. ]

— [ His car is similar to mine. ]

 

— Gisteren was u niet op school.

— Hij staat niet vroeg op.

— Dit is het boek waar je naar op zoek bent.

— Onze kinderen zijn op school, waar zijn die van u ?

— Denk jij dat hij op zijn vader lijkt ?

 

— Ik vind niet dat ze op haar moeder lijkt.

— Ze is niet thuis, maar op school.

— Was je toen op school ?

— Mijn vader staat vroeg op.

— Ik heb een telefoon op mijn kamer.

 

— [ You were absent from school yesterday. ]

— [ He does not get up early. ]

— [ This is the book you are looking for. ]

— [ Our children are at school; where are yours? ]

— [ Do you think he resembles his father? ]

 

— [ I don’t think she takes after her mother. ]

— [ She is not home, but at school. ]

— [ Were you at school at that time? ]

— [ My father gets up early. ]

— [ I have a telephone in my room. ]

 

— Mijn moeder staat nooit vroeg op.

— Waarom ben je zo laat nog op ?

— Ik stond op, maar niet voor lang.

— Het geld op tafel is niet van mij.

— Ze staat vroeg op.

 

— Ik kan even niet op zijn naam komen.

— Jouw probleem lijkt op dat van mij.

— Is dat het woordenboek waar je naar op zoek bent ?

— Je lijkt net op hem.

— Ze was niet op school voor vijf dagen.

 

— [ My mother never gets up early. ]

— [ What keeps you up so late? ]

— [ I stood up, but not for long. ]

— [ The money on the table isn’t mine. ]

— [ She gets up early. ]

 

— [ I can’t think of his name just now. ]

— [ Your problem is similar to mine. ]

— [ Is this the dictionary you’re looking for? ]

— [ You look just like him. ]

— [ She’s been absent from school for five days. ]

 

[ 15 ] HEEFT

— Hij heeft een auto.

— Het probleem is dat hij geen geld heeft.

— Hij heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Ze heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Hij heeft te veel boeken.

 

— Hij heeft een hond.

— Heeft hij een hond ?

— Hij heeft veel geld.

— Het heeft geen zin om me om geld te vragen.

— Als hij tijd heeft, zal hij komen.

 

— [ He has a car. ]

— [ The trouble is he has no money. ]

— [ He does not have the money for buying a new car. ]

— [ She does not have the money for buying a new car. ]

— [ He has too many books. ]

 

— [ He has a dog. ]

— [ Does he have a dog? ]

— [ He has a lot of money. ]

— [ It’s no use asking me for money. ]

— [ If he has time, he will come. ]

 

— Het heeft geen zin het hem nog eens te vragen.

— Hij heeft geen kinderen.

— Hij heeft geen kinderen.

— Hij heeft geen kinderen.

— Mijn vader heeft veel boeken.

 

— Mijn vader heeft veel boeken.

— Hij heeft nog een zoon.

— Hij heeft een eigen huis.

— Haar moeder heeft haar gemaakt tot wat ze is.

— Mijn moeder heeft me gemaakt tot wat ik vandaag ben.

 

— [ It is no use asking him again. ]

— [ He has no children. ]

— [ He hasn’t any children. ]

— [ He doesn’t have any children. ]

— [ My father has many books. ]

 

— [ My father has a lot of books. ]

— [ He has another son. ]

— [ He has a house of his own. ]

— [ Her mother has made her what she is. ]

— [ My mother made me what I am today. ]

 

— Dit heeft niets met mij te maken.

— U heeft veel boeken.

— U heeft veel boeken.

— Ze heeft haar kinderen niet in de hand.

— Heeft hij er iets van gezegd ?

 

— Heeft u al kinderen ?

— Ze heeft meer boeken.

— Ze heeft meer boeken.

— Denk je dat hij het werk alleen gedaan heeft ?

— Heeft ze haar werk al af ?

 

— [ This has nothing to do with me. ]

— [ You have many books. ]

— [ You have a lot of books. ]

— [ She can’t control her children. ]

— [ Did he say anything about it? ]

 

— [ Do you have children already? ]

— [ She has more books. ]

— [ She’s got more books. ]

— [ Do you think he did the job on his own? ]

— [ Has she finished her work yet? ]

 

[ 16 ] MIJN

— Hij is niet mijn vader.

— Hij is mijn vader niet.

— Dit zijn mijn boeken, dat zijn die van hem.

— Dit is mijn boek.

— Het is van mijn broer.

 

— Dit is mijn vader.

— Dit zijn mijn boeken, die zijn van hem.

— Hij is mijn broer, niet mijn vader.

— Dit is mijn auto.

— Dit is mijn auto.

 

— [ He’s not my father. ]

— [ He’s not my father. ]

— [ These are my books, those are his. ]

— [ This is my book. ]

— [ It’s my brother’s. ]

 

— [ This is my father. ]

— [ These are my books; those are his. ]

— [ He is my brother, not my father. ]

— [ This is my car. ]

— [ This car is mine. ]

 

— Ik hou van mijn huis.

— Dat is mijn school.

— Ik heb een probleem met mijn auto.

— Ik hou van mijn moeder.

— Mijn huis is hier.

 

— Ik zal mijn leven leven, met of zonder haar.

— Vandaag is mijn dag niet.

— De kamer van mijn vader is heel groot.

— Mijn kamer is twee keer zo groot als die van hem.

— Hij is mijn broer.

 

— [ I like my house. ]

— [ That is my school. ]

— [ I have a problem with my car. ]

— [ I love my mum. ]

— [ My house is here. ]

 

— [ I’m going to live my life, with or without her. ]

— [ Today is not my day. ]

— [ My father’s room is very big. ]

— [ My room is twice as big as his. ]

— [ He is my brother. ]

 

— Er zijn veel boeken in mijn kamer.

— Mijn vader houdt van mijn moeder.

— Het is voor één van mijn vrienden.

— Ik hou van mijn vrouw.

— De man die daar staat is mijn vader.

 

— Dit is mijn broer.

— Dat was mijn zin !

— Ik weet niet waar mijn horloge is.

— Hoe gaat het met mijn vrouw ?

— Hij is mijn vriend.

 

— [ There are many books in my room. ]

— [ My father loves my mother. ]

— [ It’s for a friend of mine. ]

— [ I love my wife. ]

— [ The man who is standing over there is my father. ]

 

— [ This is my brother. ]

— [ That’s my line! ]

— [ I don’t know where my watch is. ]

— [ How’s my wife doing? ]

— [ He is my friend. ]

 

[ 17 ] NAAR

— Het is tijd om naar huis te gaan.

— Het is al tijd om naar huis te gaan.

— Ik wil naar huis.

— Ik wil niet naar school.

— Ik moet naar huis gaan.

 

— Ik was op zoek naar iets wat er niet was.

— Ik zou naar de film gaan, als ik tijd zou hebben.

— Je moet vroeg naar huis gaan.

— Als ik tijd had, ging ik naar de film.

— Dit is het boek waar je naar op zoek bent.

 

— [ It’s time to go home. ]

— [ It’s already time to go home. ]

— [ I want to go home. ]

— [ I don’t want to go to school. ]

— [ I have to go home. ]

 

— [ I was searching for something that didn’t exist. ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ You should go home early. ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ This is the book you are looking for. ]

 

— Naar waar gaan we ?

— Ik vroeg hem naar zijn naam.

— Ik wil naar de stad gaan.

— Je kwam gisteren niet naar school.

— Ze is te jong om naar school te gaan.

 

— Mijn vader gaat met de fiets naar zijn werk.

— Ik ga met de fiets naar het werk.

— Ik ga naar school.

— Hoe laat ga je naar huis ?

— Hij ging naar daar in plaats van zijn vader.

 

— [ Where are we going? ]

— [ I asked him what his name was. ]

— [ I want to go to the city. ]

— [ You did not come to school yesterday. ]

— [ She is too young to go to school. ]

 

— [ My father goes to work by bike. ]

— [ I bike to work. ]

— [ I go to school. ]

— [ What time do you go home? ]

— [ He went there instead of his father. ]

 

— Ik ging vaak naar de film met mijn vader.

— Het spijt me, maar ik moet nu naar huis gaan.

— Het is te vroeg om naar bed te gaan.

— Ik ging gisteren naar school.

— Hoe laat ga je naar school ?

 

— Is het waar dat ge naar Parijs gaat ?

— Ik wil niet naar het ziekenhuis gaan.

— Het is tijd om naar bed te gaan.

— Is dat het woordenboek waar je naar op zoek bent ?

— Mijn zoon kwam naar mijn kamer.

 

— [ I often went to the movies with my father. ]

— [ I’m sorry, but I’ll have to go home now. ]

— [ It’s too early to go to bed. ]

— [ I went to school yesterday. ]

— [ What time do you leave for school? ]

 

— [ Is it true that you are going to Paris? ]

— [ I don’t want to go to the hospital. ]

— [ It’s time to go to bed. ]

— [ Is this the dictionary you’re looking for? ]

— [ My son came to my room. ]

 

[ 18 ] MET

— Ik kan het niet met je eens zijn.

— Ik denk dat ik het niet met je eens bent.

— Ik heb met je te doen.

— Ik ben het met hem eens.

— Hoe gaat het met je ?

 

— Ik heb niets met hem van doen.

— Ik heb een probleem met mijn auto.

— Wat wil je met haar doen ?

— Met mij gaat het ook goed.

— Hoe gaat het met je vader ?

 

— [ I can’t agree with you. ]

— [ I guess I don’t agree with you. ]

— [ I feel for you. ]

— [ I agree with him. ]

— [ How are you? ]

 

— [ I have nothing to do with him. ]

— [ I have a problem with my car. ]

— [ What do you want to do to her? ]

— [ I’m fine too. ]

— [ How’s your father? ]

 

— Ik zal mijn leven leven, met of zonder haar.

— Ik ben het helemaal met je eens.

— Ze vroeg hoe het met zijn vader ging.

— Hoe gaat het vandaag met je ?

— Hoe gaat het met je broer ?

 

— Hoe gaat het met je vrouw ?

— Hoe gaat het met je vrouw ?

— Hoe gaat het met mijn vrouw ?

— Mijn vader gaat met de fiets naar zijn werk.

— Ik ga met de fiets naar het werk.

 

— [ I’m going to live my life, with or without her. ]

— [ I quite agree with you. ]

— [ She asked how his father was. ]

— [ How are you today? ]

— [ How’s your brother? ]

 

— [ How’s your wife? ]

— [ How’s your wife doing? ]

— [ How’s my wife doing? ]

— [ My father goes to work by bike. ]

— [ I bike to work. ]

 

— Wil je niet met me mee ?

— Komt alles goed met je ?

— Als ik ben met je, ben ik gelukkig.

— Ik ging vaak naar de film met mijn vader.

— Laten we met de auto gaan.

 

— Het moet iets met geld te maken hebben.

— Ik had met haar niets te maken.

— Dit heeft niets met mij te maken.

— Wat heb je gedaan met die auto ?

— En met jou, hoe gaat het met jou ?

 

— [ Don’t you want to come along? ]

— [ Are you going to be OK? ]

— [ When I’m with you, I’m happy. ]

— [ I often went to the movies with my father. ]

— [ Let’s go by car. ]

 

— [ It must have something to do with money. ]

— [ I had nothing to do with her. ]

— [ This has nothing to do with me. ]

— [ What did you do with that car? ]

— [ And you, how are you? ]

 

[ 19 ] OM

— Je tijd is om.

— Ik heb niets om voor te leven.

— Het is tijd om te gaan voor ons.

— Het is tijd om naar huis te gaan.

— Het is al tijd om naar huis te gaan.

 

— Het is nu te laat om nog uit te gaan.

— Het is beter voor je om het nu te doen.

— Ik heb geen zin om uit te gaan.

— Het is nooit te laat om te leren.

— Om het even wie van u kan het doen.

 

— [ Your time is over. ]

— [ I have nothing to live for. ]

— [ It’s time for us to go. ]

— [ It’s time to go home. ]

— [ It’s already time to go home. ]

 

— [ It is too late to go out now. ]

— [ It is better for you to do it now. ]

— [ I don’t feel like going out. ]

— [ It is never too late to learn. ]

— [ Any of you can do it. ]

 

— Ik heb zin om uit te gaan vandaag.

— Ik zal moeilijk voor je zijn om Engels te spreken.

— Ik had geen tijd om te eten.

— Het is te mooi om waar te zijn.

— Het heeft geen zin om me om geld te vragen.

 

— Ik wil iets om te eten.

— De tijd gaat snel om.

— Ze is te jong om naar school te gaan.

— We eten om te leven, we leven niet om te eten.

— Er is niets om spijt van te hebben.

 

— [ I feel like going out today. ]

— [ It will be hard for you to speak English. ]

— [ I had no time to eat. ]

— [ It’s too good to be true. ]

— [ It’s no use asking me for money. ]

 

— [ I want something to eat. ]

— [ Time is going by very quickly. ]

— [ She is too young to go to school. ]

— [ We eat to live, not live to eat. ]

— [ There is nothing to regret about. ]

 

— Er is niks om bang voor te zijn.

— Er is niks om bang voor te zijn.

— Wat zijn we volgende week om deze tijd aan het doen ?

— Ik heb geen tijd om dat boek te lezen.

— Het is niet moeilijk om Engels te spreken.

 

— Ik heb geen tijd om dit boek te lezen.

— Het is te vroeg om naar bed te gaan.

— Er is voor mij geen reden om het niet te doen.

— Dit boek is te moeilijk voor mij om te lezen.

— Ik wil een boek om te lezen.

 

— [ There’s nothing to be afraid of. ]

— [ There is nothing to fear. ]

— [ What will we be doing this time next week? ]

— [ I don’t have the time to read that book. ]

— [ It is not difficult to speak English. ]

 

— [ I don’t have the time to read this book. ]

— [ It’s too early to go to bed. ]

— [ There is no reason why I shouldn’t do it. ]

— [ This book is too difficult for me to read. ]

— [ I want a book to read. ]

 

[ 20 ] WAS

— Wat denk je dat ik aan het doen was ?

— Ik denk dat je daar niet was.

— Wat was je aan het doen ?

— Ik was deze morgen niet op tijd op school.

— Dat was niet de eerste keer.

 

— Ik was te laat op school.

— Ik was daar op tijd, maar ik zag je niet !

— Je was niet op school gisteren.

— Wat hij zei was niet waar.

— Ik was op school.

 

— [ What do you think I’ve been doing? ]

— [ I guess you weren’t there. ]

— [ What were you doing? ]

— [ I wasn’t on time for school this morning. ]

— [ It wasn’t the first time. ]

 

— [ I was late to school. ]

— [ I was there on time, but I didn’t see you! ]

— [ You were absent from school yesterday. ]

— [ What he said was not true. ]

— [ I was at school. ]

 

— Ik wist niet dat hij er was.

— Ik was op zoek naar iets wat er niet was.

— Dat zou ik niet doen als ik jou was.

— Hij was gisteren niet op school.

— Wat was hij van plan ?

 

— Gisteren was u niet op school.

— Ik wist het niet, dat hij daar was.

— Ik was geen goede moeder.

— Ik ben blij dat ik er was.

— Dat was mijn zin !

 

— [ I didn’t know that he was there. ]

— [ I was searching for something that didn’t exist. ]

— [ I wouldn’t do that if I were you. ]

— [ He was absent from school yesterday. ]

— [ What was he up to? ]

 

— [ You were absent from school yesterday. ]

— [ I didn’t know that he was there. ]

— [ I was not a good mother. ]

— [ I’m glad I was there. ]

— [ That’s my line! ]

 

— Hij was helemaal alleen in het huis.

— Je was mijn vriend.

— Ze was bang voor de hond.

— Ze was een kind, maar ze was niet bang.

— Ik wou dat hij hier was nu.

 

— Het probleem was dat ik niets tegen hem te zeggen had.

— Alles wat hij zei, was waar.

— Was je toen op school ?

— Wat zou jij zeggen als je mij was ?

— Als ik jou was had ik het niet gedaan.

 

— [ He was all alone in the house. ]

— [ You were my friend. ]

— [ She was afraid of the dog. ]

— [ She was a child, but she wasn’t afraid. ]

— [ I wish he were here now. ]

 

— [ The problem was that I had nothing to say to him. ]

— [ Everything he said was right. ]

— [ Were you at school at that time? ]

— [ What would you say if you were in my place? ]

— [ If I were you I wouldn’t have done that. ]

 

[ 21 ] VOOR

— Wat goed is voor u, is goed voor mij.

— En waar is dat goed voor ?

— Waar wil je dat voor hebben ?

— Ik heb geen tijd voor u.

— Ik heb niets om voor te leven.

 

— Is er een kamer voor mij ?

— Het is tijd om te gaan voor ons.

— Is er iets dat ik voor u kan doen ?

— Het is beter voor je om het nu te doen.

— Hij heeft geen geld voor een nieuwe auto.

 

— [ What is good for you, is good for me. ]

— [ What good will that do? ]

— [ What do you want that for? ]

— [ I don’t have time for you. ]

— [ I have nothing to live for. ]

 

— [ Is there any room for me? ]

— [ It’s time for us to go. ]

— [ Is there anything that I can do for you? ]

— [ It is better for you to do it now. ]

— [ He does not have the money for buying a new car. ]

 

— Ze heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Ik heb geen tijd voor jullie.

— En ik weet dat je het niet voor mij gedaan hebt.

— Ze zijn bang voor hem.

— Het is voor één van mijn vrienden.

 

— Ik heb geen tijd voor jou.

— Ik zal moeilijk voor je zijn om Engels te spreken.

— We leren niet voor het leven, maar voor school.

— Denk voor je spreekt.

— Hij zal voor altijd van haar houden.

 

— [ She does not have the money for buying a new car. ]

— [ I don’t have time for you. ]

— [ And I know you didn’t do it for me. ]

— [ They’re afraid of him. ]

— [ It’s for a friend of mine. ]

 

— [ I don’t have time for you. ]

— [ It will be hard for you to speak English. ]

— [ Not for life, but for school do we learn. ]

— [ Think before you speak. ]

— [ He will love her forever. ]

 

— Ik zal alles voor u doen.

— Ze was bang voor de hond.

— Er is niks om bang voor te zijn.

— Er is niks om bang voor te zijn.

— Ik ben zo blij voor je.

 

— Zij is niet goed genoeg voor hem.

— Voor zover ik weet is het waar wat hij zei.

— Dat is genoeg voor vandaag.

— U bent bang voor hem.

— Ik heb er geen woorden voor.

 

— [ I will do anything for you. ]

— [ She was afraid of the dog. ]

— [ There’s nothing to be afraid of. ]

— [ There is nothing to fear. ]

— [ I’m so happy for you. ]

 

— [ She isn’t good enough for him. ]

— [ As far as I know, what he has said is true. ]

— [ That’s enough for today. ]

— [ You’re afraid of him. ]

— [ I’m at a loss for words. ]

 

[ 22 ] BEN

— Ik ben het.

— Ik ben in het huis.

— Ik ben in het huis.

— Ik ben in de auto.

— Ben ik de vader ?

 

— Ik ben niet van gisteren.

— Ik ben te laat, of niet ?

— Ik ben het met hem eens.

— Hij weet niet wie ik ben.

— Waar ben je ?

 

— [ It’s me. ]

— [ I am in the house. ]

— [ I’m in the house. ]

— [ I’m in the car. ]

— [ Am I the father? ]

 

— [ I was not born yesterday. ]

— [ I’m late, aren’t I? ]

— [ I agree with him. ]

— [ He doesn’t know who I am. ]

— [ Where are you? ]

 

— Wat ben je aan het doen ?

— Wat ben je aan het doen ?

— Wie denk je dat ik ben ?

— Ik weet wie ik ben.

— Ik ben niet aan het eten.

 

— Ik ben niet meer bang.

— Ik ben het helemaal met je eens.

— Ben je in de stad ?

— Ik ben een vrouw.

— Ik ben niet bang.

 

— [ What are you doing? ]

— [ What do you do? ]

— [ Who do you think I am? ]

— [ I know who I am. ]

— [ I am not eating. ]

 

— [ I’m not afraid any more. ]

— [ I quite agree with you. ]

— [ Aren’t you in town? ]

— [ I am a woman. ]

— [ I’m not afraid. ]

 

— Ik ben niet bang.

— Ik ben blij dat ik er was.

— Ik ben graag alleen.

— Ik ben een oude man.

— Ik ben hier al twee uur.

 

— Hier ben ik niet zeker van.

— Ik ben van niets bang.

— Ik ben van niets bang.

— Ik ben een jongen.

— Ik ben bang dat er geen koffie meer over is.

 

— [ I am not afraid. ]

— [ I’m glad I was there. ]

— [ I like being alone. ]

— [ I’m an old man. ]

— [ I have been here for two hours. ]

 

— [ I’m not sure about this. ]

— [ I’m not frightened of anything. ]

— [ I’m not afraid of anything. ]

— [ I am a boy. ]

— [ I’m afraid there isn’t any coffee left. ]

 

[ 23 ] HIJ

— Hij weet het niet.

— Hij is niet mijn vader.

— Hij is mijn vader niet.

— Ik weet van waar hij is.

— Ik weet niet of hij het weet.

 

— Weet hij dat je van hem houdt ?

— Hij heeft een auto.

— Hij is altijd op tijd.

— Hij is al een man.

— Hij weet niet wie ik ben.

 

— [ He does not know. ]

— [ He’s not my father. ]

— [ He’s not my father. ]

— [ I know where he comes from. ]

— [ I don’t know if he knows it. ]

 

— [ Does he know that you love him? ]

— [ He has a car. ]

— [ He’s always on time. ]

— [ He’s already a man. ]

— [ He doesn’t know who I am. ]

 

— Hij is mijn broer, niet mijn vader.

— Wat is hij aan het doen ?

— Ik weet niet wanneer hij hier zal zijn.

— Ik denk dat hij niet komt.

— Ik denk niet dat hij komt.

 

— Ik denk niet dat hij komt.

— Ik denk niet dat hij komt.

— Wat vroeg hij je ?

— Het probleem is dat hij geen geld heeft.

— Hij is zo groot als zijn vader.

 

— [ He is my brother, not my father. ]

— [ What is he doing? ]

— [ I don’t know when he will be here. ]

— [ I think he won’t come. ]

— [ I think he won’t come. ]

 

— [ I do not think that he will come. ]

— [ I don’t think he will come. ]

— [ What did he ask you? ]

— [ The trouble is he has no money. ]

— [ He is as tall as his father. ]

 

— Wat hij zei, is niet waar.

— Hij houdt van haar.

— Hij zou in staat zijn dat te doen.

— De vraag is of hij het kan doen of niet.

— Hij kwam niet op tijd.

 

— Hij heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Wat hij zei was niet waar.

— Hij wil het geld.

— Ik zal gaan als hij terug is.

— Dat is het huis waar hij woont.

 

— [ What he said is not true. ]

— [ He loves her. ]

— [ That he would be able to do. ]

— [ The question is whether he can do it or not. ]

— [ He didn’t come on time. ]

 

— [ He does not have the money for buying a new car. ]

— [ What he said was not true. ]

— [ He wants the money. ]

— [ I will go when he comes back. ]

— [ That is the house where he lives. ]

 

[ 24 ] ME

— Hou je van me ?

— Het probleem is dat ik geen geld bij me heb.

— Het maakt me niet uit als het heet is.

— Je kan me niets laten doen dat ik niet wil doen.

— Je moet het me leren.

 

— Het heeft geen zin om me om geld te vragen.

— Het spijt me, ik hou van je.

— Laat me niet alleen !

— Wil je niet met me mee ?

— Het spijt me, maar ik moet nu naar huis gaan.

 

— [ Do you love me? ]

— [ The trouble is that I have no money with me. ]

— [ I don’t mind if it’s hot. ]

— [ You can’t make me do anything I don’t want to do. ]

— [ You must teach it to me. ]

 

— [ It’s no use asking me for money. ]

— [ I’m sorry, I love you. ]

— [ Don’t leave me by myself! ]

— [ Don’t you want to come along? ]

— [ I’m sorry, but I’ll have to go home now. ]

 

— Mijn moeder heeft me gemaakt tot wat ik vandaag ben.

— Het spijt me zeer dat ik zo laat ben !

— Ik kon me niet goed houden.

— Doe me dit niet aan.

— Hij gaf me het geld terug.

 

— Ik vraag me af waarom hij te laat is.

— Kan je me je naam alsjeblieft nog een keer zeggen ?

— Ik vraag me af wie dat meisje is.

— Laat me alleen gaan.

— Laat me gaan !

 

— [ My mother made me what I am today. ]

— [ Many apologies for being so late! ]

— [ I could not help laughing. ]

— [ Don’t you do this to me. ]

— [ He gave me back the money. ]

 

— [ I wonder why he is late. ]

— [ Can you please tell me your name once more? ]

— [ I wonder who that girl is. ]

— [ Let me go alone. ]

— [ Let me go! ]

 

— Het heeft geen zin me voor de gek te houden.

— Hou je me voor de gek ?

— Hou me niet voor de gek.

— Waarom geef je me niet wat ik hebben wil ?

— Het spijt me dat ik je zo lang niet geschreven heb.

 

— Ze zei geen woord tegen me.

— Ik denk dat je me voor iemand anders neemt.

— Ik begrijp nog steeds niet wat je van me wilt.

— Als je zo tegen me doet, zeg ik niets meer.

— Ik voel me niet goed vandaag.

 

— [ It is no use trying to deceive me. ]

— [ Are you kidding me? ]

— [ Don’t deceive me. ]

— [ Why don’t you give me what I want to have? ]

— [ I am sorry that I haven’t written to you in such a long time. ]

 

— [ She didn’t say even one word to me. ]

— [ I think you’ve mistaken me for someone else. ]

— [ I still don’t understand what you want from me. ]

— [ If you turn on me like that, I won’t say another word. ]

— [ I’m not feeling well today. ]

 

[ 25 ] KAN

— Ik kan het.

— Het kan niet waar zijn.

— Het kan niet waar zijn.

— Het kan niet waar zijn.

— Ik kan het niet met je eens zijn.

 

— Dat kan niet waar zijn !

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

 

— [ I can do it. ]

— [ It cannot be true. ]

— [ It can not be true. ]

— [ It can’t be true. ]

— [ I can’t agree with you. ]

 

— [ It can’t be! ]

— [ That can’t be true. ]

— [ That cannot be true. ]

— [ It cannot be true. ]

— [ It can’t be true. ]

 

— Het kan waar zijn of niet.

— Dit kan niet waar zijn.

— Ik kan zo niet leven.

— Is er iets dat ik voor u kan doen ?

— Ze kan hier zo vroeg niet zijn.

 

— Kan je dat doen ? Ik denk het.

— Ik weet niet wat ik nog meer kan doen.

— Morgen kan het mij zijn.

— Er moet iets zijn dat je kan doen.

— Is er iets dat ik kan doen ?

 

— [ It may or may not be true. ]

— [ This can’t be true. ]

— [ I can’t live that kind of life. ]

— [ Is there anything that I can do for you? ]

— [ She cannot be here so early. ]

 

— [ Can you do that? I think so. ]

— [ I don’t know what else to do. ]

— [ Tomorrow it might be me. ]

— [ There must be something you can do. ]

— [ Is there anything I can do? ]

 

— De vraag is of hij het kan doen of niet.

— Hij kan niet ouder dan ik zijn.

— Hij kan niet ouder dan ik zijn.

— Ik kan je hier niet alleen laten.

— Wat kan je nog meer doen ?

 

— Hoe komt het dat je zo goed Engels kan ?

— Om het even wie van u kan het doen.

— Je kan me niets laten doen dat ik niet wil doen.

— Ik werk zo snel als ik kan.

— Kan je dat nog eens doen ?

 

— [ The question is whether he can do it or not. ]

— [ He cannot be older than I. ]

— [ He can’t be older than me. ]

— [ I can’t leave you here alone. ]

— [ What else can you do? ]

 

— [ How come you know English so well? ]

— [ Any of you can do it. ]

— [ You can’t make me do anything I don’t want to do. ]

— [ I’m working as fast as I can. ]

— [ Can you do that again? ]

 

[ 26 ] AAN

— Ik kon het niet meer aan.

— Wat denk je dat ik aan het doen was ?

— Wat is hij aan het doen ?

— Wat was je aan het doen ?

— Dat gaat je niets aan.

 

— Wat ben je aan het doen ?

— Wat ben je aan het doen ?

— Laat dat maar aan mij over.

— Ik ben niet aan het eten.

— Waar denk je aan ?

 

— [ I couldn’t take it anymore. ]

— [ What do you think I’ve been doing? ]

— [ What is he doing? ]

— [ What were you doing? ]

— [ It’s none of your business. ]

 

— [ What are you doing? ]

— [ What do you do? ]

— [ Let me handle this. ]

— [ I am not eating. ]

— [ What are you thinking about? ]

 

— Ik weet niet wat ik van nu af aan moet doen.

— Er is iemand aan de deur.

— Ik kwam hier gisteren aan.

— Ik denk de hele tijd aan jullie.

— Wat is Ken aan het doen ?

 

— Wat zijn we volgende week om deze tijd aan het doen ?

— Hij is in zijn kamer aan het spelen.

— Ik laat het aan jou.

— Nu weet ik waar ik aan toe ben !

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

 

— [ I don’t know what to do from now on. ]

— [ Someone is at the door. ]

— [ I arrived here yesterday. ]

— [ I think of you all the time. ]

— [ What’s Ken doing? ]

 

— [ What will we be doing this time next week? ]

— [ He is playing in his room. ]

— [ I’ll leave it up to you. ]

— [ Now I know my situation! ]

— [ In any case, it’s none of your business. ]

 

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

— Wat is er aan de hand ?

— Er is hier iets aan de hand.

— Doe me dit niet aan.

— Ik ben dit boek aan het lezen.

 

— Ik ben aan de telefoon.

— Wat ben je aan het lezen ?

— Hij houdt zich aan zijn woord.

— Ik was aan het spelen.

— Ik vroeg aan mijn leraar wat ik nu moest doen.

 

— [ In any case, it’s no business of yours. ]

— [ What is going on? ]

— [ There’s something fishy going on. ]

— [ Don’t you do this to me. ]

— [ I’m reading this book. ]

 

— [ I’m talking on the phone. ]

— [ What are you reading? ]

— [ He keeps his word. ]

— [ I was playing. ]

— [ I asked my teacher what I should do next. ]

 

[ 27 ] EN

— En waar is dat goed voor ?

— Dit is van mij, en dit is van jou.

— Deze boeken zijn van mij en die boeken zijn van hem.

— En ik weet dat je het niet voor mij gedaan hebt.

— Ik hou van haar en zij houdt van mij.

 

— Ik heb een kat en een hond.

— We hebben een hond en een kat.

— Ik heb twee kinderen, een jongen en een meisje.

— Ik kan hem en zijn broer niet uit elkaar houden.

— En met jou, hoe gaat het met jou ?

 

— [ What good will that do? ]

— [ This is mine, and this is yours. ]

— [ These books are mine and those books are his. ]

— [ And I know you didn’t do it for me. ]

— [ I love her and she loves me. ]

 

— [ I have a cat and a dog. ]

— [ We own a dog and a cat. ]

— [ I have two children. One is a boy and the other is a girl. ]

— [ I can’t tell him from his brother. ]

— [ And you, how are you? ]

 

— Hij en ik zijn bijna even groot.

— Ik hou van muziek en van Engels.

— Hij en alleen hij weet de hele waarheid.

— Ik hield van mijn leven en mijn geld.

— En waarom is dat ?

 

— Zij houdt van niemand en niemand houdt van haar.

— Hij is hier altijd tussen vijf en zes.

— Ik ben moe en ik wil naar bed gaan.

— Leven en laten leven.

— Het is niet duidelijk waar en wanneer ze werd geboren.

 

— [ He and I are almost the same height. ]

— [ I like music and English. ]

— [ He and only he knows the whole truth. ]

— [ I loved my life and my money. ]

— [ And why is that? ]

 

— [ She likes no one and no one likes her. ]

— [ He is always here between 5 and 6 o’clock. ]

— [ I am tired, and I want to go to bed. ]

— [ Live and let live. ]

— [ It is not clear when and where she was born. ]

 

— Hem werd gezegd op te staan en dat deed hij.

— Het is een goede jongen en hij is heel sterk.

— Af en toe komt zij te laat naar school.

— Ik ben getrouwd en heb twee kinderen.

— Waar waren jullie tussen één en drie uur ?

 

— Het was donker en koud in de kamer.

— Alles wat je zegt kan en zal tegen je gebruikt worden.

— Hij had geluk en was op tijd voor de trein.

— De dag is kort en er ligt veel werk.

— En wie zou niet hetzelfde gedaan hebben ?

 

— [ He was told to stand up, and he did so. ]

— [ He is a good boy, and he is very strong. ]

— [ She’s sometimes late for school. ]

— [ I am married and have two children. ]

— [ Where were you between one and three o’clock? ]

 

— [ It was dark and cold in the room. ]

— [ Anything you say can and will be used against you. ]

— [ Being lucky, he was in time for the train. ]

— [ The day is short and there’s a lot of work. ]

— [ And who would not have done the same? ]

 

[ 28 ] GEEN

— Ik heb geen tijd voor u.

— Ik heb geen tijd.

— Ik heb geen tijd.

— Het probleem is dat ik geen geld bij me heb.

— Het probleem is dat hij geen geld heeft.

 

— Maar ik heb geen geld.

— Maar ik heb geen geld.

— Ik heb geen geld.

— Ik heb geen geld.

— Ik heb geen geld.

 

— [ I don’t have time for you. ]

— [ I have no time. ]

— [ I don’t have time. ]

— [ The trouble is that I have no money with me. ]

— [ The trouble is he has no money. ]

 

— [ But I don’t have money. ]

— [ But I have no money. ]

— [ I do not have any money. ]

— [ I have no money. ]

— [ I don’t have any money. ]

 

— Ik heb geen geld.

— Ik heb geen zin om uit te gaan.

— Hij heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Ik had geen weet van zijn plan.

— Ik heb nu geen tijd.

 

— Ze heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Ik heb geen tijd voor jullie.

— Ik wil geen geld.

— Ik was geen goede moeder.

— Ik heb geen broer.

 

— [ I don’t have money. ]

— [ I don’t feel like going out. ]

— [ He does not have the money for buying a new car. ]

— [ I was ignorant of his plan. ]

— [ I don’t have time now. ]

 

— [ She does not have the money for buying a new car. ]

— [ I don’t have time for you. ]

— [ I do not want any money. ]

— [ I was not a good mother. ]

— [ I don’t have any brothers. ]

 

— Ik heb geen broer.

— Ik heb geen tijd voor jou.

— Ik had geen tijd om te eten.

— Het heeft geen zin om me om geld te vragen.

— Hij is geen jongen meer.

 

— Ik ben bang dat er geen koffie meer over is.

— Het heeft geen zin het hem nog eens te vragen.

— Hij heeft geen kinderen.

— Hij heeft geen kinderen.

— Hij heeft geen kinderen.

 

— [ I don’t have a brother. ]

— [ I don’t have time for you. ]

— [ I had no time to eat. ]

— [ It’s no use asking me for money. ]

— [ He’s not a boy anymore. ]

 

— [ I’m afraid there isn’t any coffee left. ]

— [ It is no use asking him again. ]

— [ He has no children. ]

— [ He hasn’t any children. ]

— [ He doesn’t have any children. ]

 

[ 29 ] HAAR

— Ik hou niet meer van haar.

— Ik hou van haar.

— Dit is haar boek.

— Dit is haar huis.

— Wat wil je met haar doen ?

 

— Hij houdt van haar.

— Ik zal mijn leven leven, met of zonder haar.

— Ik hou van haar en zij houdt van mij.

— Ik ken haar niet zo goed.

— Wat moet er van haar worden ?

 

— [ I don’t love her anymore. ]

— [ I love her. ]

— [ This is her book. ]

— [ This is her house. ]

— [ What do you want to do to her? ]

 

— [ He loves her. ]

— [ I’m going to live my life, with or without her. ]

— [ I love her and she loves me. ]

— [ I don’t know her very well. ]

— [ What will become of her? ]

 

— Ik vind niet dat ze op haar moeder lijkt.

— Hij zal voor altijd van haar houden.

— Ik ken haar niet.

— Hij is haar vriend.

— Hij is haar vriend.

 

— Haar vader is groot.

— Haar moeder heeft haar gemaakt tot wat ze is.

— Ik had met haar niets te maken.

— Ze zei dat ze goede vrienden van haar waren.

— Ze heeft haar kinderen niet in de hand.

 

— [ I don’t think she takes after her mother. ]

— [ He will love her forever. ]

— [ I don’t know her. ]

— [ He’s her friend. ]

— [ He is her friend. ]

 

— [ Her father is tall. ]

— [ Her mother has made her what she is. ]

— [ I had nothing to do with her. ]

— [ She said that they were good friends of hers. ]

— [ She can’t control her children. ]

 

— Ik vroeg haar of ik het boek kon lezen.

— Heeft ze haar werk al af ?

— Ken je haar vader ?

— Ik weet niks van haar.

— Ik weet niet waar ik op haar moet wachten.

 

— Deze schoenen zijn van haar.

— Ik heb een nieuwe auto voor haar gekocht.

— Hier is een foto van haar.

— Ik ken haar helemaal niet.

— Ik ken haar al lang.

 

— [ I asked her if I could read the book. ]

— [ Has she finished her work yet? ]

— [ Do you know her father? ]

— [ I know nothing about her. ]

— [ I don’t know where to wait for her. ]

 

— [ These shoes are hers. ]

— [ I bought her a new car. ]

— [ Here’s a photo of her. ]

— [ I don’t know her at all. ]

— [ I’ve known her for a long time. ]

 

[ 30 ] DAN

— Ga je dan niet ?

— Hier zijn we dan.

— Dat huis is veel beter dan het deze.

— Dat huis is veel beter dan dit.

— Hij kan niet ouder dan ik zijn.

 

— Hij kan niet ouder dan ik zijn.

— Ik hou meer van jou dan jij van mij.

— Hij is niet langer dan ik.

— Hij is twee jaar ouder dan ik.

— Hij is groter dan zijn vader.

 

— [ Won’t you go? ]

— [ Here we are. ]

— [ That house is much better than this. ]

— [ That house is much better than this. ]

— [ He cannot be older than I. ]

 

— [ He can’t be older than me. ]

— [ I love you more than you love me. ]

— [ He is not taller than I. ]

— [ He’s two years older than me. ]

— [ He is taller than his father. ]

 

— Iets is beter dan niets.

— Hij is groter dan ik.

— Hij is groter dan ik.

— Ze is twee jaar ouder dan ik.

— Ze is twee jaar ouder dan ik.

 

— Ik ben ouder dan je.

— Hij is drie jaar ouder dan ik.

— Hij is drie jaar ouder dan ik.

— Weet jij of ze al dan niet Engels kan spreken ?

— Ik ben groter dan hij.

 

— [ Something is better than nothing. ]

— [ He is taller than I. ]

— [ He’s taller than me. ]

— [ She’s two years older than me. ]

— [ She’s two years older than I am. ]

 

— [ I’m older than you. ]

— [ He’s three years older than me. ]

— [ He’s three years older than I am. ]

— [ Do you know whether or not she can speak English? ]

— [ I’m taller than him. ]

 

— Je ziet beter dan ik.

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

— Hij is drie jaar ouder dan zij is.

— Ze is twee jaar ouder dan jij.

 

— Ze is twee jaar ouder dan jij.

— Hij is langer dan zijn broer.

— Zij is veel groter dan ik.

— Zij is veel groter dan ik.

— Beter laat dan nooit.

 

— [ You have better sight than me. ]

— [ In any case, it’s none of your business. ]

— [ In any case, it’s no business of yours. ]

— [ He’s three years older than she is. ]

— [ She is two years older than you. ]

 

— [ She’s two years older than you. ]

— [ He is taller than his brother. ]

— [ She is much taller than I. ]

— [ She’s way taller than me. ]

— [ Better late than never. ]

 

[ 31 ] ZAL

— Ik weet niet wanneer hij hier zal zijn.

— Ik zal mijn leven leven, met of zonder haar.

— Ik zal gaan als hij terug is.

— Ik zal het nooit meer doen.

— Ik zal het doen.

 

— Hij zal over een uur terug zijn.

— Ik zal moeilijk voor je zijn om Engels te spreken.

— Als hij tijd heeft, zal hij komen.

— Ik zal het hem vragen als hij komt.

— Hij zal voor altijd van haar houden.

 

— [ I don’t know when he will be here. ]

— [ I’m going to live my life, with or without her. ]

— [ I will go when he comes back. ]

— [ I will not do it again. ]

— [ I will. ]

 

— [ He will be back in an hour. ]

— [ It will be hard for you to speak English. ]

— [ If he has time, he will come. ]

— [ I’ll ask him if he will come. ]

— [ He will love her forever. ]

 

— Ik zal alles voor u doen.

— Ik ben er zeker van dat hij zal komen.

— Ik weet niet wanneer hij hier zal komen.

— Ik zal het hem vragen.

— Ik zal een man van u maken.

 

— Ik ben niet zeker wanneer hij terug zal zijn.

— Ik zal hem er morgen over vragen.

— Ik zal hem vragen of hij komt.

— Tegen de tijd dat je terug bent, zal zij weg zijn.

— De vraag is of hij de brief zal lezen of niet.

 

— [ I will do anything for you. ]

— [ I’m sure he will come. ]

— [ I don’t know when he will come here. ]

— [ I’ll ask him. ]

— [ I will make a man of you. ]

 

— [ I am not sure when he will be back. ]

— [ I will ask him about it tomorrow. ]

— [ I’ll ask him if he will come. ]

— [ By the time you get back, she’ll have left. ]

— [ The question is whether he’ll read the letter or not. ]

 

— Ik weet niet wanneer mijn moeder terug zal komen.

— Ik zal hem morgen zien.

— Dit zal mijn laatste zin in het Engels zijn.

— Ik weet niet precies wanneer ik terug zal zijn.

— Ik heb het idee dat ze vandaag zal komen.

 

— Ik zal hier eten.

— Mijn vrouw zal ook blij zijn u te zien.

— Ik zal je de stad laten zien.

— Ik zal je de stad laten zien.

— Ze zal daar nooit over spreken.

 

— [ I don’t know when my mother will come back. ]

— [ I’m going to see him tomorrow. ]

— [ This will be my last sentence in English. ]

— [ I don’t know exactly when I’ll be back. ]

— [ I have a feeling that she’ll come today. ]

 

— [ I’ll eat here. ]

— [ My wife will be glad to see you, too. ]

— [ I’ll show you around the city. ]

— [ I will show you around the city. ]

— [ She will never talk about it. ]

 

[ 32 ] HEM

— Ik hou niet meer van hem.

— Ik hou niet meer van hem.

— Hoe weet ge dat het van hem is ?

— Weet hij dat je van hem houdt ?

— Dit zijn mijn boeken, dat zijn die van hem.

 

— Ik ben het met hem eens.

— Dat is alles wat ik over hem weet.

— Dit zijn mijn boeken, die zijn van hem.

— Ik heb niets met hem van doen.

— Deze boeken zijn van mij en die boeken zijn van hem.

 

— [ I do not love him any longer. ]

— [ I no longer love him. ]

— [ How do you know that it’s his? ]

— [ Does he know that you love him? ]

— [ These are my books, those are his. ]

 

— [ I agree with him. ]

— [ This is all that I know about him. ]

— [ These are my books; those are his. ]

— [ I have nothing to do with him. ]

— [ These books are mine and those books are his. ]

 

— Ik weet niets over hem.

— Mijn kamer is twee keer zo groot als die van hem.

— Ik heb genoeg van hem.

— Ze houdt van hem.

— Ze zijn bang voor hem.

 

— Wat denk jij van hem ?

— Hij gaf hem een boek.

— Ik vroeg hem naar zijn naam.

— Ik zal het hem vragen als hij komt.

— Het heeft geen zin het hem nog eens te vragen.

 

— [ I don’t know anything about him. ]

— [ My room is twice as big as his. ]

— [ I’m fed up with him. ]

— [ She is in love with him. ]

— [ They’re afraid of him. ]

 

— [ What do you think of him? ]

— [ He gave him a book. ]

— [ I asked him what his name was. ]

— [ I’ll ask him if he will come. ]

— [ It is no use asking him again. ]

 

— Ik ken hem niet.

— Het probleem was dat ik niets tegen hem te zeggen had.

— Zij is niet goed genoeg voor hem.

— Ik zal het hem vragen.

— U bent bang voor hem.

 

— Ik zal hem er morgen over vragen.

— Ik zal hem vragen of hij komt.

— Ik kan hem en zijn broer niet uit elkaar houden.

— Ik heb niets tegen hem te zeggen.

— Jullie zijn bang voor hem.

 

— [ I don’t know him. ]

— [ The problem was that I had nothing to say to him. ]

— [ She isn’t good enough for him. ]

— [ I’ll ask him. ]

— [ You’re afraid of him. ]

 

— [ I will ask him about it tomorrow. ]

— [ I’ll ask him if he will come. ]

— [ I can’t tell him from his brother. ]

— [ I’ve got nothing to say to him. ]

— [ You’re afraid of him. ]

 

[ 33 ] WAT

— Wat is het ?

— Ik weet niet wat dat is.

— Ik weet niet wat dat is.

— Wat is dat ?

— Wat is dat ?

 

— Wat heb ik ?

— Wat goed is voor u, is goed voor mij.

— Wat denk je dat ik aan het doen was ?

— Dat is alles wat ik over hem weet.

— Dat is alles wat ik weet.

 

— [ What is it? ]

— [ I don’t know what it is. ]

— [ I don’t know what that is. ]

— [ What is it? ]

— [ What’s that? ]

 

— [ What do I have? ]

— [ What is good for you, is good for me. ]

— [ What do you think I’ve been doing? ]

— [ This is all that I know about him. ]

— [ That’s all I know. ]

 

— Wat is hij aan het doen ?

— Je weet heel goed wat ze wil.

— Wat was je aan het doen ?

— Wat ben je aan het doen ?

— Wat ben je aan het doen ?

 

— Ik weet niet wat ik nog meer kan doen.

— Ik weet niet meer wat ik moet doen.

— Wat vroeg hij je ?

— Wat hij zei, is niet waar.

— Wat wil je met haar doen ?

 

— [ What is he doing? ]

— [ You know very well what she wants. ]

— [ What were you doing? ]

— [ What are you doing? ]

— [ What do you do? ]

 

— [ I don’t know what else to do. ]

— [ I don’t know what to do anymore. ]

— [ What did he ask you? ]

— [ What he said is not true. ]

— [ What do you want to do to her? ]

 

— Wat een groot huis heb je !

— Wat hij zei was niet waar.

— Het is alles wat ik wil doen.

— Wat is hij van plan ?

— Ik was op zoek naar iets wat er niet was.

 

— Ik weet niet wat ik van nu af aan moet doen.

— Weet je wat hij zei ?

— Wat kan je nog meer doen ?

— Wat was hij van plan ?

— Wat denk jij van hem ?

 

— [ What a big house you have! ]

— [ What he said was not true. ]

— [ It is all I want to do. ]

— [ What is he up to? ]

— [ I was searching for something that didn’t exist. ]

 

— [ I don’t know what to do from now on. ]

— [ Do you know what he said? ]

— [ What else can you do? ]

— [ What was he up to? ]

— [ What do you think of him? ]

 

[ 34 ] ALS

— Het is niet zo erg als het lijkt.

— Hij is zo groot als zijn vader.

— Het maakt me niet uit als het heet is.

— Zijn huis is drie keer zo groot als dat van mij.

— Ik zal gaan als hij terug is.

 

— Mijn kamer is twee keer zo groot als die van hem.

— Dat zou ik niet doen als ik jou was.

— Je hoeft niet te gaan, als je dat niet wil.

— Ik zou naar de film gaan, als ik tijd zou hebben.

— Als ik tijd had, ging ik naar de film.

 

— [ It’s not as bad as it seems. ]

— [ He is as tall as his father. ]

— [ I don’t mind if it’s hot. ]

— [ His house is three times as big as mine. ]

— [ I will go when he comes back. ]

 

— [ My room is twice as big as his. ]

— [ I wouldn’t do that if I were you. ]

— [ If you don’t want to go, you don’t have to. ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

 

— Het is vandaag niet zo heet als gisteren.

— Het is vandaag niet zo heet als gisteren.

— Als hij tijd heeft, zal hij komen.

— Ik werk zo snel als ik kan.

— Ik zal het hem vragen als hij komt.

 

— Als je zo gaat doen, ben ik hier weg.

— Hij is twee keer zo oud als ik.

— Je bent niet zo klein als ik.

— Je bent niet zo klein als ik.

— Je bent niet zo klein als ik.

 

— [ It is not so hot today as yesterday. ]

— [ It’s not as hot today as it was yesterday. ]

— [ If he has time, he will come. ]

— [ I’m working as fast as I can. ]

— [ I’ll ask him if he will come. ]

 

— [ If you’re going to be like this I’ll just leave. ]

— [ He is twice as old as I am. ]

— [ You are not as short as I. ]

— [ You aren’t as short as I am. ]

— [ You aren’t as short as me. ]

 

— Mijn broer is net zo groot als ik.

— Als ik het wist, zou ik het je zeggen.

— Als ik het wist, zou ik het je zeggen.

— Wat zou jij zeggen als je mij was ?

— Mijn zoon is nu zo groot als ik.

 

— Als ik ben met je, ben ik gelukkig.

— Als ik jou was had ik het niet gedaan.

— Vandaag is het niet zo koud als gisteren.

— Ik heb niet zo veel geld als ge denkt.

— Te weinig is net zo erg als te veel.

 

— [ My brother is as tall as me. ]

— [ If I knew it, I would tell it to you. ]

— [ If I knew that, I’d tell you. ]

— [ What would you say if you were in my place? ]

— [ My son is now as tall as I am. ]

 

— [ When I’m with you, I’m happy. ]

— [ If I were you I wouldn’t have done that. ]

— [ It isn’t anything like as cold as it was yesterday. ]

— [ I don’t have as much money as you think. ]

— [ Too little is just as bad as too much. ]

 

[ 35 ] ER

— We zijn er nog niet.

— Is er een kamer voor mij ?

— Ze zijn er al.

— Is er iets dat ik voor u kan doen ?

— Er moet iets zijn dat je kan doen.

 

— Is er iets dat ik kan doen ?

— Is er nog iets dat je moet doen vandaag ?

— Ik wist niet dat hij er was.

— Ik was op zoek naar iets wat er niet was.

— Er is een probleem dat je niet ziet.

 

— [ We’re not there yet. ]

— [ Is there any room for me? ]

— [ They’re already here. ]

— [ Is there anything that I can do for you? ]

— [ There must be something you can do. ]

 

— [ Is there anything I can do? ]

— [ Is there anything you need to do today? ]

— [ I didn’t know that he was there. ]

— [ I was searching for something that didn’t exist. ]

— [ There’s a problem there that you don’t see. ]

 

— Er is hier niets.

— Er zijn veel boeken in mijn kamer.

— Ik ben blij dat ik er was.

— Wat moet er van haar worden ?

— Er is niemand in de kamer.

 

— Is er een probleem ?

— Er is iemand aan de deur.

— Ik ben bang dat er geen koffie meer over is.

— Ik ben er zeker van dat hij zal komen.

— Er is niets om spijt van te hebben.

 

— [ There is nothing here. ]

— [ There are many books in my room. ]

— [ I’m glad I was there. ]

— [ What will become of her? ]

— [ There’s no one in the room. ]

 

— [ Is there a problem? ]

— [ Someone is at the door. ]

— [ I’m afraid there isn’t any coffee left. ]

— [ I’m sure he will come. ]

— [ There is nothing to regret about. ]

 

— Er is niks om bang voor te zijn.

— Er is niks om bang voor te zijn.

— Er is altijd een volgende keer.

— Er is altijd een volgende keer.

— Ik denk er elke dag over.

 

— Ik heb er geen woorden voor.

— Het ziet er goed uit.

— Er is iets, wat ik niet begrijp.

— Denk er eens over na als je wil.

— Waar er leven is, is er hoop.

 

— [ There’s nothing to be afraid of. ]

— [ There is nothing to fear. ]

— [ There is always a next time. ]

— [ There’s always a next time. ]

— [ I think about it every day. ]

 

— [ I’m at a loss for words. ]

— [ Things are looking good. ]

— [ There is something I don’t understand. ]

— [ Please think about it. ]

— [ Where there is life, there is hope. ]

 

[ 36 ] WIL

— Ik wil het niet meer.

— Maar ik wil niet.

— Waar wil je dat voor hebben ?

— Ik wil het ook !

— Ik wil veel meer.

 

— Ik wil veel meer.

— Je weet heel goed wat ze wil.

— Ik ga waar ik wil.

— Ik wil naar huis.

— Ik wil niet naar school.

 

— [ I don’t want it anymore. ]

— [ But I don’t want to. ]

— [ What do you want that for? ]

— [ I also want it! ]

— [ I want a lot more. ]

 

— [ I want much more. ]

— [ You know very well what she wants. ]

— [ I go where I please. ]

— [ I want to go home. ]

— [ I don’t want to go to school. ]

 

— Waar een wil is, is een weg.

— Wat wil je met haar doen ?

— Hij wil het geld.

— Het is alles wat ik wil doen.

— Ik wil niet alleen gaan.

 

— Je hoeft niet te gaan, als je dat niet wil.

— Ik wil geen geld.

— Ik wil het niet nog eens doen.

— Je kan me niets laten doen dat ik niet wil doen.

— Ik wil het niet zien.

 

— [ Where there’s a will, there’s a way. ]

— [ What do you want to do to her? ]

— [ He wants the money. ]

— [ It is all I want to do. ]

— [ I don’t want to go alone. ]

 

— [ If you don’t want to go, you don’t have to. ]

— [ I do not want any money. ]

— [ I don’t want to do it again. ]

— [ You can’t make me do anything I don’t want to do. ]

— [ I don’t want to see it. ]

 

— Ik wil gewoon een vriend van je zijn, niets meer.

— Dat is de vrouw die u wil zien.

— Ik wil iets om te eten.

— Ik wil naar de stad gaan.

— Wat wil je dat ik doe ?

 

— Wat wil je dat ik doe ?

— Wat wil je doen ?

— Ik wil een vriend.

— Je wil het niet weten !

— Jij bent alles wat ik wil.

 

— [ I just want to be your friend, nothing more. ]

— [ That is the woman who wants to see you. ]

— [ I want something to eat. ]

— [ I want to go to the city. ]

— [ What do you want me to do? ]

 

— [ What would you have me do? ]

— [ What do you want to do? ]

— [ I want a friend. ]

— [ You don’t want to know it! ]

— [ All I want is you. ]

 

[ 37 ] MOET

— Het is laat, ik moet gaan.

— Er moet iets zijn dat je kan doen.

— Ik weet niet meer wat ik moet doen.

— Is er nog iets dat je moet doen vandaag ?

— Ik moet naar huis gaan.

 

— Ik weet niet wat ik van nu af aan moet doen.

— Je moet gaan.

— Je moet vroeg naar huis gaan.

— Wat moet er van haar worden ?

— Je moet het me leren.

 

— [ It’s late, I have to go. ]

— [ There must be something you can do. ]

— [ I don’t know what to do anymore. ]

— [ Is there anything you need to do today? ]

— [ I have to go home. ]

 

— [ I don’t know what to do from now on. ]

— [ You have to go. ]

— [ You should go home early. ]

— [ What will become of her? ]

— [ You must teach it to me. ]

 

— Moet ik nu gaan ?

— Wat moet ik doen ?

— Wat moet ik doen ?

— Het spijt me, maar ik moet nu naar huis gaan.

— Het moet iets met geld te maken hebben.

 

— Ik vind dat je meer moet eten.

— Je moet niet eten.

— Men moet eten om te leven, niet leven om te eten.

— Ik weet niet waar ik op haar moet wachten.

— Morgen moet het werk af zijn.

 

— [ Do I have to go now? ]

— [ What am I to do? ]

— [ What do I have to do? ]

— [ I’m sorry, but I’ll have to go home now. ]

— [ It must have something to do with money. ]

 

— [ I think you need to eat more. ]

— [ You don’t have to eat. ]

— [ One must eat to live, and not live to eat. ]

— [ I don’t know where to wait for her. ]

— [ The work must be completed by tomorrow. ]

 

— U moet niet komen morgen.

— Hoe moet ik dat weten ?

— Of je het nu leuk vindt of niet, je moet gaan.

— Of je het nu leuk vindt of niet, je moet gaan.

— Of je het nu leuk vindt of niet, je moet gaan.

 

— Je moet na het eten niet naar buiten gaan.

— Ge moet Engels leren, of ge wilt of niet.

— Waarom moet ik dat doen ?

— Een man moet eerlijk zijn.

— Ik moet het werk af hebben tegen vier uur.

 

— [ You don’t have to come tomorrow. ]

— [ How should I know? ]

— [ Whether you like it or not, you have to go. ]

— [ You have to go whether you like it or not. ]

— [ Like it or not, you have to go. ]

 

— [ You must not go out after dinner. ]

— [ You must learn English whether you like it or not. ]

— [ Why do I have to do that? ]

— [ A man must be honest. ]

— [ I have to finish the work by four o’clock. ]

 

[ 38 ] ZE

— Ze is niet hier.

— Ik weet niet waar ze zijn.

— Ze is nog niet hier.

— Ze zijn er al.

— Ze kan hier zo vroeg niet zijn.

 

— Je weet heel goed wat ze wil.

— Ze is niet meer alleen.

— Ze heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Ze houdt van hem.

— Ze vroeg hoe het met zijn vader ging.

 

— [ She’s not here. ]

— [ I don’t know where they are. ]

— [ She is not here yet. ]

— [ They’re already here. ]

— [ She cannot be here so early. ]

 

— [ You know very well what she wants. ]

— [ She isn’t alone anymore. ]

— [ She does not have the money for buying a new car. ]

— [ She is in love with him. ]

— [ She asked how his father was. ]

 

— Ze zijn bang voor hem.

— Ze had niet veel geld.

— Wat denk je, wat zou ze gaan doen ?

— Ze vroeg mij het te doen.

— Ik vind niet dat ze op haar moeder lijkt.

 

— Ze is te jong om naar school te gaan.

— Ze is niet thuis, maar op school.

— Ze was bang voor de hond.

— Ze was een kind, maar ze was niet bang.

— Ze is twee jaar ouder dan ik.

 

— [ They’re afraid of him. ]

— [ She didn’t have much money. ]

— [ What do you think she is going to do? ]

— [ She asked me to do it. ]

— [ I don’t think she takes after her mother. ]

 

— [ She is too young to go to school. ]

— [ She is not home, but at school. ]

— [ She was afraid of the dog. ]

— [ She was a child, but she wasn’t afraid. ]

— [ She’s two years older than me. ]

 

— Ze is twee jaar ouder dan ik.

— Ze hebben een groot huis.

— Ik weet waar ze woont.

— Weet jij of ze al dan niet Engels kan spreken ?

— Wat willen ze dat we doen ?

 

— Haar moeder heeft haar gemaakt tot wat ze is.

— Ze zijn niet bang van de dood.

— Ze zei dat ze goede vrienden van haar waren.

— Ze heeft haar kinderen niet in de hand.

— Ze is nu niet thuis.

 

— [ She’s two years older than I am. ]

— [ They have a large house. ]

— [ I know where she lives. ]

— [ Do you know whether or not she can speak English? ]

— [ What do they want us to do? ]

 

— [ Her mother has made her what she is. ]

— [ They aren’t afraid of death. ]

— [ She said that they were good friends of hers. ]

— [ She can’t control her children. ]

— [ She’s not at home now. ]

 

[ 39 ] WE

— We zijn er nog niet.

— Hier zijn we dan.

— We hebben niet veel tijd.

— We hebben niet veel tijd.

— Het probleem is dat we niet veel geld hebben.

 

— Snel ! We hebben niet veel tijd.

— Naar waar gaan we ?

— We hebben veel tijd.

— We leren niet voor het leven, maar voor school.

— We hebben veel te doen.

 

— [ We’re not there yet. ]

— [ Here we are. ]

— [ There isn’t much time. ]

— [ We don’t have much time. ]

— [ The problem is that we don’t have a lot of money. ]

 

— [ Be quick! We haven’t much time. ]

— [ Where are we going? ]

— [ We have a lot of time. ]

— [ Not for life, but for school do we learn. ]

— [ We have lots of things to do. ]

 

— We eten om te leven, we leven niet om te eten.

— Kunnen we zo niet beter gaan ?

— We hebben nog veel te leren.

— Wat zijn we volgende week om deze tijd aan het doen ?

— Laten we met de auto gaan.

 

— We hebben een hond en een kat.

— Wat willen ze dat we doen ?

— We zijn niet bang voor de dood.

— We hebben het heet.

— Ik denk dat we wat meer zouden moeten doen.

 

— [ We eat to live, not live to eat. ]

— [ Hadn’t we better be going soon? ]

— [ We’ve got a lot to learn. ]

— [ What will we be doing this time next week? ]

— [ Let’s go by car. ]

 

— [ We own a dog and a cat. ]

— [ What do they want us to do? ]

— [ We aren’t afraid of death. ]

— [ We’re hot. ]

— [ I think we should do some more. ]

 

— Ze zullen nooit weten dat we hier zijn.

— We hebben genoeg tijd om te eten.

— Dat hebben we niet in Europa.

— Laten we naar huis gaan !

— Laten we niet gaan.

 

— Dit is wat we willen weten.

— Dit is wat we willen weten.

— Zonder water kunnen we niet.

— We hebben twee kinderen.

— Dit hebben we niet in Europa.

 

— [ They’ll never know we’re here. ]

— [ We have time enough to eat. ]

— [ We don’t have that in Europe. ]

— [ Let’s go home! ]

— [ Let’s not go. ]

 

— [ That is what we want to know. ]

— [ This is what we want to know. ]

— [ Water is indispensable to us. ]

— [ We have two children. ]

— [ We don’t have this in Europe. ]

 

[ 40 ] U

— Wat goed is voor u, is goed voor mij.

— Ik heb geen tijd voor u.

— Is er iets dat ik voor u kan doen ?

— Gisteren was u niet op school.

— Om het even wie van u kan het doen.

 

— Onze kinderen zijn op school, waar zijn die van u ?

— Dat is de vrouw die u wil zien.

— Ik zal alles voor u doen.

— Ik ken u niet.

— Ik zal een man van u maken.

 

— [ What is good for you, is good for me. ]

— [ I don’t have time for you. ]

— [ Is there anything that I can do for you? ]

— [ You were absent from school yesterday. ]

— [ Any of you can do it. ]

 

— [ Our children are at school; where are yours? ]

— [ That is the woman who wants to see you. ]

— [ I will do anything for you. ]

— [ I don’t know you. ]

— [ I will make a man of you. ]

 

— U bent bang voor hem.

— Als ik het wist, zou ik het u zeggen.

— Als ik het wist, zou ik het u zeggen.

— U heeft veel boeken.

— U heeft veel boeken.

 

— Veel mensen zouden het met u eens zijn.

— Heeft u al kinderen ?

— Wanneer komt het u uit ?

— U moet niet komen morgen.

— Ik heb u nodig.

 

— [ You’re afraid of him. ]

— [ If I knew it, I would tell it to you. ]

— [ If I knew that, I’d tell you. ]

— [ You have many books. ]

— [ You have a lot of books. ]

 

— [ Many people would agree with you. ]

— [ Do you have children already? ]

— [ When would it be convenient for you? ]

— [ You don’t have to come tomorrow. ]

— [ I need you. ]

 

— Mijn vrouw zal ook blij zijn u te zien.

— Heeft u kinderen ?

— Weet u dat zeker ?

— Heeft u nog vragen ?

— Waar woont u nu ?

 

— Ik heb goed nieuws voor u.

— Hoe lang bent u ?

— Woont u hier ?

— Waar heeft u de jongen gezien ?

— Ik ben blij u weer te zien.

 

— [ My wife will be glad to see you, too. ]

— [ Do you have any children? ]

— [ Are you sure? ]

— [ Do you have any further questions? ]

— [ Where do you live now? ]

 

— [ I have good news for you. ]

— [ How tall are you? ]

— [ Do you live here? ]

— [ Where did you see the boy? ]

— [ I’m glad to see you again. ]

 

[ 41 ] DIE

— Dit zijn mijn boeken, dat zijn die van hem.

— Dit zijn mijn boeken, die zijn van hem.

— Deze boeken zijn van mij en die boeken zijn van hem.

— Tegen die tijd is het al te laat.

— Ik heb een vriend die van mij houdt.

 

— Ik heb een vriend die van mij houdt.

— Mijn kamer is twee keer zo groot als die van hem.

— Zijn auto lijkt op die van mij.

— Van wie is die auto ?

— De man die daar staat is mijn vader.

 

— [ These are my books, those are his. ]

— [ These are my books; those are his. ]

— [ These books are mine and those books are his. ]

— [ By then it will already be too late. ]

— [ I have a friend who loves me. ]

 

— [ I have a boyfriend who loves me. ]

— [ My room is twice as big as his. ]

— [ His car is similar to mine. ]

— [ Whose car is this? ]

— [ The man who is standing over there is my father. ]

 

— Onze kinderen zijn op school, waar zijn die van u ?

— Dat is de vrouw die u wil zien.

— Wat heb je gedaan met die auto ?

— De fiets die daar staat is van mijn broer.

— Wie is die man ?

 

— Wie is die man die daar staat ?

— Er is niemand die met mij mee wil.

— Wie is die vrouw die daar staat ?

— Van wie is die fiets ?

— Ik ben niet de persoon die ik tien jaar geleden was.

 

— [ Our children are at school; where are yours? ]

— [ That is the woman who wants to see you. ]

— [ What did you do with that car? ]

— [ That bicycle over there is my brother’s. ]

— [ Who’s that man? ]

 

— [ Who’s that man standing over there? ]

— [ I don’t have anyone who’d travel with me. ]

— [ Who’s that woman standing over there? ]

— [ Whose bicycle is that? ]

— [ I am not what I was ten years ago. ]

 

— Dit is niet mijn paraplu, het is die van iemand anders.

— Weet je die dag nog, dat we dat ongeluk gezien hebben ?

— Deze doos is niet zo groot als die.

— Je ziet er goed uit in die kleren.

— Ik herinner mij de naam van die man heel goed.

 

— Deze doos is twee keer zo groot als die daar.

— Deze horloge lijkt op die die ik gisteren verloren heb.

— Ik hou niet van mensen die snel boos worden.

— Ik heb een paar boeken die je misschien graag wil lezen.

— De mensen die hier wonen zijn onze vrienden.

 

— [ This isn’t my umbrella; it’s somebody else’s. ]

— [ Do you remember the day when we saw the accident? ]

— [ This box is not as big as that one. ]

— [ You look good in those clothes. ]

— [ I remember that man’s name very well. ]

 

— [ This box is twice as large as that one. ]

— [ This watch is similar to mine I lost yesterday. ]

— [ I don’t like people who get angry easily. ]

— [ I have some books that you might like to read. ]

— [ The people who live there are our friends. ]

 

[ 42 ] DEZE

— Dat huis is veel beter dan het deze.

— Ik was deze morgen niet op tijd op school.

— Deze boeken zijn van mij en die boeken zijn van hem.

— Deze hond is van mij.

— Deze zin is van mij.

 

— Wat zijn we volgende week om deze tijd aan het doen ?

— Deze fiets is van mij.

— Deze fiets is van mij.

— Deze fiets is van mij.

— Deze auto is snel.

 

— [ That house is much better than this. ]

— [ I wasn’t on time for school this morning. ]

— [ These books are mine and those books are his. ]

— [ This dog is mine. ]

— [ This sentence is mine. ]

 

— [ What will we be doing this time next week? ]

— [ This bicycle belongs to me. ]

— [ This bicycle is mine. ]

— [ The bicycle is mine. ]

— [ This car is fast. ]

 

— Het is erg koud deze morgen.

— Deze boeken zijn mijn boeken.

— Deze schoenen zijn van haar.

— Wie is deze vrouw ?

— Ze woont al vijf jaar in deze stad.

 

— Weten jullie van wie deze auto is ?

— Deze kamer is groot genoeg.

— Wat is de naam van deze rivier ?

— Is deze fiets van jou ?

— We willen geen mensen zoals jij in deze stad.

 

— [ It is very cold this morning. ]

— [ These books are my books. ]

— [ These shoes are hers. ]

— [ Who is this woman? ]

— [ She has lived in this city for five years already. ]

 

— [ Do you know whose car this is? ]

— [ This room is large enough. ]

— [ What is the name of this river? ]

— [ Is this bike yours? ]

— [ We don’t want people like you in this town. ]

 

— Deze doos is niet zo groot als die.

— Deze doos is twee keer zo groot als die daar.

— Ik kan niet meer tegen deze pijn.

— Deze horloge lijkt op die die ik gisteren verloren heb.

— Ik ken niemand in deze stad.

 

— Ik ken niemand in deze stad.

— Waar heeft u deze vrouw gezien ?

— Wat is het verschil tussen deze twee ?

— Ik wil deze film zien.

— Met deze regen zal hij niet komen.

 

— [ This box is not as big as that one. ]

— [ This box is twice as large as that one. ]

— [ I cannot bear the pain any more. ]

— [ This watch is similar to mine I lost yesterday. ]

— [ I don’t know anybody in this town. ]

 

— [ I know no one in this city. ]

— [ Where did you see this woman? ]

— [ What’s the difference between these two? ]

— [ I want to see this movie. ]

— [ He won’t come in a rain like this. ]

 

[ 43 ] VEEL

— Ik hou heel veel van je.

— Ik heb niet veel geld.

— Ik heb te veel te doen.

— Ik wil veel meer.

— Ik wil veel meer.

 

— Heb je veel geld bij je ?

— Dat huis is veel beter dan het deze.

— Weet ik veel !

— We hebben niet veel tijd.

— We hebben niet veel tijd.

 

— [ I love you very much. ]

— [ I don’t have much money. ]

— [ I’ve got too much to do. ]

— [ I want a lot more. ]

— [ I want much more. ]

 

— [ Do you have much money with you? ]

— [ That house is much better than this. ]

— [ How should I know? ]

— [ There isn’t much time. ]

— [ We don’t have much time. ]

 

— Het probleem is dat we niet veel geld hebben.

— Dat huis is veel beter dan dit.

— Ik dacht niet dat het zo veel zou zijn.

— Hij heeft te veel boeken.

— Er zijn veel boeken in mijn kamer.

 

— Hij heeft veel geld.

— Ze had niet veel geld.

— Ik heb veel te doen vandaag.

— Snel ! We hebben niet veel tijd.

— We hebben veel tijd.

 

— [ The problem is that we don’t have a lot of money. ]

— [ That house is much better than this. ]

— [ I didn’t think it would be that much. ]

— [ He has too many books. ]

— [ There are many books in my room. ]

 

— [ He has a lot of money. ]

— [ She didn’t have much money. ]

— [ I have a lot to do today. ]

— [ Be quick! We haven’t much time. ]

— [ We have a lot of time. ]

 

— We hebben veel te doen.

— Ik heb veel boeken.

— Ik heb veel boeken.

— Mijn vader heeft veel boeken.

— Mijn vader heeft veel boeken.

 

— We hebben nog veel te leren.

— Ik heb niet zo veel geld als ge denkt.

— Te weinig is net zo erg als te veel.

— U heeft veel boeken.

— U heeft veel boeken.

 

— [ We have lots of things to do. ]

— [ I have many books. ]

— [ I have a lot of books. ]

— [ My father has many books. ]

— [ My father has a lot of books. ]

 

— [ We’ve got a lot to learn. ]

— [ I don’t have as much money as you think. ]

— [ Too little is just as bad as too much. ]

— [ You have many books. ]

— [ You have a lot of books. ]

 

[ 44 ] DIT

— Ik heb dit boek niet.

— Dit kan niet waar zijn.

— Dit is een boek.

— Dit is een boek.

— Het is dit boek.

 

— Dit boek is van mij.

— Dit zijn mijn boeken, dat zijn die van hem.

— Dit is mijn boek.

— Dit is mijn vader.

— Dit is van mij, en dit is van jou.

 

— [ I don’t have this book. ]

— [ This can’t be true. ]

— [ This is a book. ]

— [ That’s a book. ]

— [ It’s this book. ]

 

— [ This book is mine. ]

— [ These are my books, those are his. ]

— [ This is my book. ]

— [ This is my father. ]

— [ This is mine, and this is yours. ]

 

— Dit zijn mijn boeken, die zijn van hem.

— Ik heb dit boek al uit.

— Dit is haar boek.

— Dit is zijn huis.

— Dit is mijn auto.

 

— Dit is mijn auto.

— Hoe komt het dat je dit niet weet ?

— Dit is haar huis.

— Dat huis is veel beter dan dit.

— Dit is een vriend van mij.

 

— [ These are my books; those are his. ]

— [ I have already finished this book. ]

— [ This is her book. ]

— [ This is his house. ]

— [ This is my car. ]

 

— [ This car is mine. ]

— [ How come you don’t know this? ]

— [ This is her house. ]

— [ That house is much better than this. ]

— [ This is a friend of mine. ]

 

— Is dit uw boek ?

— Dit is te groot.

— Dit is te lang.

— Dit is een hond.

— Ik weet alleen dit.

 

— Dit is het boek waar je naar op zoek bent.

— Dit huis is niet heel groot.

— Dit is mijn broer.

— Dit is een zin.

— Dit is de eerste keer.

 

— [ Is this your book? ]

— [ This is too big. ]

— [ This is too long. ]

— [ This is a dog. ]

— [ I know only this. ]

 

— [ This is the book you are looking for. ]

— [ This house is not very big. ]

— [ This is my brother. ]

— [ This is a sentence. ]

— [ This is the first time. ]

 

[ 45 ] ZO

— Zo is het niet.

— Ik kan zo niet leven.

— Het is niet zo erg als het lijkt.

— Ze kan hier zo vroeg niet zijn.

— Hij is zo groot als zijn vader.

 

— Zijn huis is drie keer zo groot als dat van mij.

— Mijn kamer is twee keer zo groot als die van hem.

— Ik dacht niet dat het zo veel zou zijn.

— Hoe komt het dat je zo goed Engels kan ?

— Ik ken haar niet zo goed.

 

— [ It is not so. ]

— [ I can’t live that kind of life. ]

— [ It’s not as bad as it seems. ]

— [ She cannot be here so early. ]

— [ He is as tall as his father. ]

 

— [ His house is three times as big as mine. ]

— [ My room is twice as big as his. ]

— [ I didn’t think it would be that much. ]

— [ How come you know English so well? ]

— [ I don’t know her very well. ]

 

— Het is vandaag niet zo heet als gisteren.

— Het is vandaag niet zo heet als gisteren.

— Ik werk zo snel als ik kan.

— Kunnen we zo niet beter gaan ?

— Als je zo gaat doen, ben ik hier weg.

 

— Hij is twee keer zo oud als ik.

— Zo is het genoeg.

— Mijn moeder spreekt niet zo erg goed Engels.

— Je bent niet zo klein als ik.

— Je bent niet zo klein als ik.

 

— [ It is not so hot today as yesterday. ]

— [ It’s not as hot today as it was yesterday. ]

— [ I’m working as fast as I can. ]

— [ Hadn’t we better be going soon? ]

— [ If you’re going to be like this I’ll just leave. ]

 

— [ He is twice as old as I am. ]

— [ That will do. ]

— [ My mom doesn’t speak English very well. ]

— [ You are not as short as I. ]

— [ You aren’t as short as I am. ]

 

— Je bent niet zo klein als ik.

— Ik ben zo blij voor je.

— Het is niet zo ver.

— Mijn broer is net zo groot als ik.

— Mijn zoon is nu zo groot als ik.

 

— Ik ben zo terug.

— Ik ben zo terug.

— Ik ben zo terug.

— Ik ben zo terug.

— Ik ben zo terug.

 

— [ You aren’t as short as me. ]

— [ I’m so happy for you. ]

— [ It’s not so far. ]

— [ My brother is as tall as me. ]

— [ My son is now as tall as I am. ]

 

— [ I will be back soon. ]

— [ I’ll be back soon. ]

— [ I’ll be back in a wink. ]

— [ I’ll be right back. ]

— [ I’ll be back in a jiffy. ]

 

[ 46 ] MIJ

— Het is een van mij.

— Het boek is van mij.

— Wat goed is voor u, is goed voor mij.

— Het huis bij het meer is van mij.

— Dat huis is van mij.

 

— Dit boek is van mij.

— Is er een kamer voor mij ?

— Dit is van mij, en dit is van jou.

— Hou je van mij ?

— Morgen kan het mij zijn.

 

— [ It’s one of mine. ]

— [ The book is mine. ]

— [ What is good for you, is good for me. ]

— [ The house by the lake is mine. ]

— [ That house is mine. ]

 

— [ This book is mine. ]

— [ Is there any room for me? ]

— [ This is mine, and this is yours. ]

— [ Do you love me? ]

— [ Tomorrow it might be me. ]

 

— Deze boeken zijn van mij en die boeken zijn van hem.

— Met mij gaat het ook goed.

— Mij gaat het goed.

— Dit is een vriend van mij.

— Laat dat maar aan mij over.

 

— Ik heb een vriend die van mij houdt.

— Ik heb een vriend die van mij houdt.

— Zijn huis is drie keer zo groot als dat van mij.

— Deze hond is van mij.

— En ik weet dat je het niet voor mij gedaan hebt.

 

— [ These books are mine and those books are his. ]

— [ I’m fine too. ]

— [ I’m doing fine. ]

— [ This is a friend of mine. ]

— [ Let me handle this. ]

 

— [ I have a friend who loves me. ]

— [ I have a boyfriend who loves me. ]

— [ His house is three times as big as mine. ]

— [ This dog is mine. ]

— [ And I know you didn’t do it for me. ]

 

— Ik hou van haar en zij houdt van mij.

— Zijn auto lijkt op die van mij.

— Hij is een oude vriend van mij.

— Hij is een oude vriend van mij.

— Deze zin is van mij.

 

— Ik hou meer van jou dan jij van mij.

— Ze vroeg mij het te doen.

— Het maakt mij niet uit of hij wel of niet komt.

— Vandaag gaat het mij goed.

— Het spijt mij dat ik te laat ben.

 

— [ I love her and she loves me. ]

— [ His car is similar to mine. ]

— [ He is an old friend of mine. ]

— [ He’s an old friend of mine. ]

— [ This sentence is mine. ]

 

— [ I love you more than you love me. ]

— [ She asked me to do it. ]

— [ It makes no difference to me whether he comes or not. ]

— [ I feel good today. ]

— [ Sorry to be late. ]

 

[ 47 ] NOG

— Ik weet niet of ik het nog heb.

— Ik weet het nog niet.

— Ik weet het nog niet.

— We zijn er nog niet.

— Ze is nog niet hier.

 

— Het is nu te laat om nog uit te gaan.

— Ik weet niet wat ik nog meer kan doen.

— Weet je nog ?

— Is er nog iets dat je moet doen vandaag ?

— Ik wil het niet nog eens doen.

 

— [ I don’t know if I still have it. ]

— [ I don’t know yet. ]

— [ I still don’t know that. ]

— [ We’re not there yet. ]

— [ She is not here yet. ]

 

— [ It is too late to go out now. ]

— [ I don’t know what else to do. ]

— [ Do you remember? ]

— [ Is there anything you need to do today? ]

— [ I don’t want to do it again. ]

 

— Wat kan je nog meer doen ?

— Kan je dat nog eens doen ?

— Het heeft geen zin het hem nog eens te vragen.

— We hebben nog veel te leren.

— Hij heeft nog een zoon.

 

— Ik hou nog steeds van je.

— Wat heb je nog meer nodig ?

— Waarom ben je zo laat nog op ?

— Ik weet nog dat ik de film gezien heb.

— Hoe heet is het vandaag nog !

 

— [ What else can you do? ]

— [ Can you do that again? ]

— [ It is no use asking him again. ]

— [ We’ve got a lot to learn. ]

— [ He has another son. ]

 

— [ I still love you. ]

— [ What else do you need? ]

— [ What keeps you up so late? ]

— [ I remember seeing the movie. ]

— [ How hot it is today! ]

 

— Is hij nog steeds hier ?

— Waarom ben je er nog ?

— Kan je dat nog eens zeggen ?

— Ik hoop wel dat je nog een keer komt.

— Er is nog een hoop water over.

 

— Kan je me je naam alsjeblieft nog een keer zeggen ?

— Ik ben nog niet klaar met mijn huiswerk.

— Ik ben nog niet klaar met mijn huiswerk.

— Ik wil nog niet naar bed !

— Weet je die dag nog, dat we dat ongeluk gezien hebben ?

 

— [ Is he still here? ]

— [ Why are you still here? ]

— [ Could you say that again? ]

— [ I do hope you will come again. ]

— [ There’s a lot of water left. ]

 

— [ Can you please tell me your name once more? ]

— [ I haven’t finished my homework yet. ]

— [ I have not finished my homework yet. ]

— [ I don’t want to go to bed yet! ]

— [ Do you remember the day when we saw the accident? ]

 

[ 48 ] ZOU

— Hij zou in staat zijn dat te doen.

— Dat zou ik niet doen als ik jou was.

— Ik dacht niet dat het zo veel zou zijn.

— Ik zou naar de film gaan, als ik tijd zou hebben.

— Je zou niet alleen moeten gaan.

 

— Wat denk je, wat zou ze gaan doen ?

— Hij zei dat hij snel terug zou zijn.

— Ik zou graag een kat hebben.

— Als ik het wist, zou ik het je zeggen.

— Als ik het wist, zou ik het je zeggen.

 

— [ That he would be able to do. ]

— [ I wouldn’t do that if I were you. ]

— [ I didn’t think it would be that much. ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ You should not go alone. ]

 

— [ What do you think she is going to do? ]

— [ He said that he would be back soon. ]

— [ I’d like to have a cat. ]

— [ If I knew it, I would tell it to you. ]

— [ If I knew that, I’d tell you. ]

 

— Wat zou jij zeggen als je mij was ?

— Als ik het wist, zou ik het u zeggen.

— Als ik het wist, zou ik het u zeggen.

— Het was duidelijk dat het zo zou zijn.

— Vind jij dat ik alleen zou moeten gaan ?

 

— Wat zou je in mijn plaats doen ?

— Ik wist niet dat je zou komen.

— Hij zei dat hij zou komen.

— Ik zou graag een foto van je willen.

— Hij zei dat hij hier morgen terug zou komen.

 

— [ What would you say if you were in my place? ]

— [ If I knew it, I would tell it to you. ]

— [ If I knew that, I’d tell you. ]

— [ It was obvious that it would be this way. ]

— [ Do you think I should go by myself? ]

 

— [ What would you do if you were in my place? ]

— [ I had no idea that you were coming. ]

— [ He said he would come. ]

— [ I would like your picture. ]

— [ He said that he would come back here tomorrow. ]

 

— Ik zou graag iets eten.

— Dat zou leuk zijn.

— Ik zou mijn vader willen zien.

— In uw plaats zou ik dat niet gedaan hebben.

— Dat zou ik gezegd hebben.

 

— Ik zou graag willen weten wie mijn ouders zijn.

— Als ik jou was, zou ik hetzelfde doen.

— Ik zou in de problemen kunnen komen als ik dat deed.

— Ik zou het boek moeten lezen.

— Ik wist wel dat je zou komen.

 

— [ I’d like something to eat. ]

— [ It would be fun. ]

— [ I wish to see my father. ]

— [ If I were you I wouldn’t have done that. ]

— [ This is what I would have said. ]

 

— [ I would like to know who my parents are. ]

— [ If I were you, I would also do the same. ]

— [ I could get in trouble if I did that. ]

— [ I should read the book. ]

— [ I knew you’d come. ]

 

[ 49 ] UIT

— Het is nu te laat om nog uit te gaan.

— Ik heb dit boek al uit.

— Ik heb geen zin om uit te gaan.

— Het maakt me niet uit als het heet is.

— Het maakt niet meer uit.

 

— Ik heb zin om uit te gaan vandaag.

— Het maakt niet uit.

— Het maakt mij niet uit of hij wel of niet komt.

— Het maakt ons niet uit wat hij doet.

— Vandaag komt mij niet goed uit.

 

— [ It is too late to go out now. ]

— [ I have already finished this book. ]

— [ I don’t feel like going out. ]

— [ I don’t mind if it’s hot. ]

— [ It doesn’t matter anymore. ]

 

— [ I feel like going out today. ]

— [ It doesn’t matter. ]

— [ It makes no difference to me whether he comes or not. ]

— [ We don’t care what he does. ]

— [ Today is not good for me. ]

 

— Mij maakt het niet uit wat de mensen zeggen.

— Het ziet er goed uit.

— Ik kan hem en zijn broer niet uit elkaar houden.

— Hij ziet er goed uit.

— Wanneer komt het u uit ?

 

— Laat het er allemaal uit.

— Hoe laat is school uit ?

— Maakt niet uit.

— Het ziet er heel moeilijk uit !

— Waarom kwam je uit de kamer ?

 

— [ I don’t care what people say. ]

— [ Things are looking good. ]

— [ I can’t tell him from his brother. ]

— [ He’s looking good. ]

— [ When would it be convenient for you? ]

 

— [ Let it all out. ]

— [ When is school over? ]

— [ Never mind. ]

— [ It looks really hard! ]

— [ Why did you leave the room? ]

 

— Waarom kwam je de kamer uit ?

— De lange man kwam het huis uit.

— Zij kwam uit de kamer.

— Ik ben net terug uit school.

— Ik ga voor een paar dagen de stad uit.

 

— Hij zag er uit als een dokter.

— Je gaat de problemen van het leven gewoon uit de weg.

— Ik heb geen zin om uit eten te gaan vanavond.

— Zag de auto er oud uit ?

— Je ziet er goed uit in die kleren.

 

— [ Why did you leave the room? ]

— [ The tall man came out of the house. ]

— [ She came out of the room. ]

— [ I have just come back from school. ]

— [ I am leaving town for a few days. ]

 

— [ He looked like a doctor. ]

— [ You’re just running away from life’s problems. ]

— [ I don’t feel like eating out this evening. ]

— [ Did the car look old? ]

— [ You look good in those clothes. ]

 

[ 50 ] HEBBEN

— Waar wil je dat voor hebben ?

— We hebben niet veel tijd.

— We hebben niet veel tijd.

— Het probleem is dat we niet veel geld hebben.

— Ik zou naar de film gaan, als ik tijd zou hebben.

 

— Snel ! We hebben niet veel tijd.

— We hebben veel tijd.

— We hebben veel te doen.

— Er is niets om spijt van te hebben.

— We hebben nog veel te leren.

 

— [ What do you want that for? ]

— [ There isn’t much time. ]

— [ We don’t have much time. ]

— [ The problem is that we don’t have a lot of money. ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

 

— [ Be quick! We haven’t much time. ]

— [ We have a lot of time. ]

— [ We have lots of things to do. ]

— [ There is nothing to regret about. ]

— [ We’ve got a lot to learn. ]

 

— Ze hebben een groot huis.

— Ik zou graag een kat hebben.

— We hebben een hond en een kat.

— Het moet iets met geld te maken hebben.

— Dat kan hij niet gedaan hebben.

 

— Je had het nu wel af moeten hebben.

— We hebben het heet.

— Ik heb er spijt van dat huis niet te hebben gekocht.

— De kinderen hebben geen school vandaag.

— We hebben genoeg tijd om te eten.

 

— [ They have a large house. ]

— [ I’d like to have a cat. ]

— [ We own a dog and a cat. ]

— [ It must have something to do with money. ]

— [ He can not have done that. ]

 

— [ He should have finished it by now. ]

— [ We’re hot. ]

— [ I regret not having bought that house. ]

— [ The children don’t have school today. ]

— [ We have time enough to eat. ]

 

— Dat hebben we niet in Europa.

— Je hoeft het morgen niet af te hebben.

— In uw plaats zou ik dat niet gedaan hebben.

— Dat zou ik gezegd hebben.

— We hebben twee kinderen.

 

— Dit hebben we niet in Europa.

— Waarom geef je me niet wat ik hebben wil ?

— Ze zal haar eigen weg hebben.

— Niet willen is hetzelfde als hebben.

— We hebben veel vrienden.

 

— [ We don’t have that in Europe. ]

— [ You don’t need to finish it by tomorrow. ]

— [ If I were you I wouldn’t have done that. ]

— [ This is what I would have said. ]

— [ We have two children. ]

 

— [ We don’t have this in Europe. ]

— [ Why don’t you give me what I want to have? ]

— [ She will have her own way. ]

— [ Not wanting is the same as having. ]

— [ We have a lot of friends. ]

 

[ 51 ] MAAR

— Maar ik wil niet.

— Maar ik heb geen geld.

— Maar ik heb geen geld.

— Laat dat maar aan mij over.

— Ik was daar op tijd, maar ik zag je niet !

 

— Het is niet wat je zegt, maar hoe je het zegt.

— We leren niet voor het leven, maar voor school.

— Ze is niet thuis, maar op school.

— Ze was een kind, maar ze was niet bang.

— Het spijt me, maar ik moet nu naar huis gaan.

 

— [ But I don’t want to. ]

— [ But I don’t have money. ]

— [ But I have no money. ]

— [ Let me handle this. ]

— [ I was there on time, but I didn’t see you! ]

 

— [ It’s not what you say, but how you say it. ]

— [ Not for life, but for school do we learn. ]

— [ She is not home, but at school. ]

— [ She was a child, but she wasn’t afraid. ]

— [ I’m sorry, but I’ll have to go home now. ]

 

— Maar de koffie is niet goed.

— Ik stond op, maar niet voor lang.

— Maar ik had jou nooit.

— Ze is maar een kind.

— Ga maar zonder mij.

 

— Het was maar een droom.

— Ik ben geen dokter, maar een leraar.

— Ze vroeg om hulp, maar er kwam niemand.

— Hij is rijk maar hij is niet gelukkig.

— Ik was van plan om te gaan, maar ben het vergeten.

 

— [ But the coffee’s not good. ]

— [ I stood up, but not for long. ]

— [ But I never had you. ]

— [ She’s only a child. ]

— [ You go on without me. ]

 

— [ It was only a dream. ]

— [ I’m not a doctor, but a teacher. ]

— [ She requested help, but no one came. ]

— [ He is rich but he is not happy. ]

— [ I intended to go, but forgot to. ]

 

— Ik weet dat dit allemaal maar een spel is.

— Enige tijd lang keek ze mij alleen maar aan.

— Ik ben geen dokter, maar leraar.

— Maar dat heb je me nooit verteld !

— Hij spreekt goed Japans, maar ik kan geen Duits spreken.

 

— Ik heb geen geld, maar ik heb dromen.

— Ik heb geen geld, maar ik heb dromen.

— Maar het is niet erg waarschijnlijk.

— Er is maar een klein beetje melk over.

— Gaat u maar zitten waar u maar wilt.

 

— [ I know that all of this is just a game. ]

— [ For a while she did nothing but stare at me. ]

— [ I am not a doctor, but a teacher. ]

— [ But you’ve never told me about this! ]

— [ He speaks Japanese well, but I can’t speak German. ]

 

— [ I have no money, but I have dreams. ]

— [ I don’t have money, but I have dreams. ]

— [ But the possibility seems unlikely. ]

— [ There’s only a little milk left. ]

— [ Sit wherever you like. ]

 

[ 52 ] WEET

— Ik weet niet wat dat is.

— Ik weet niet wat dat is.

— Ik weet het niet.

— Ik weet het niet.

— Ik weet dat je weet dat ik het weet.

 

— Ik weet niet waar het is.

— Ik weet niet of ik het nog heb.

— Hij weet het niet.

— Je weet dat het waar is.

— Ik weet het nog niet.

 

— [ I don’t know what it is. ]

— [ I don’t know what that is. ]

— [ I don’t know. ]

— [ I dinnae ken. ]

— [ I know that you know that I know. ]

 

— [ I do not know where it is. ]

— [ I don’t know if I still have it. ]

— [ He does not know. ]

— [ You know it’s true. ]

— [ I don’t know yet. ]

 

— Ik weet het nog niet.

— Ik weet van waar hij is.

— Ik weet niet of het waar is.

— Ik weet niet of hij het weet.

— Ik weet niet waar ze zijn.

 

— Ik weet niet of ik tijd heb.

— Ik weet niet of ik tijd heb.

— Hoe weet ge dat het van hem is ?

— Weet hij dat je van hem houdt ?

— Dat is alles wat ik over hem weet.

 

— [ I still don’t know that. ]

— [ I know where he comes from. ]

— [ I don’t know if it is true. ]

— [ I don’t know if he knows it. ]

— [ I don’t know where they are. ]

 

— [ I don’t know if I have the time. ]

— [ I don’t know if I’ll have time. ]

— [ How do you know that it’s his? ]

— [ Does he know that you love him? ]

— [ This is all that I know about him. ]

 

— Dat is alles wat ik weet.

— Hij weet niet wie ik ben.

— Ik weet niet hoe laat het is.

— Ik weet niet hoe laat het is.

— Je weet heel goed wat ze wil.

 

— Ik weet niet wat ik nog meer kan doen.

— Ik weet niet wanneer hij hier zal zijn.

— Ik weet niet meer wat ik moet doen.

— Weet je nog ?

— Hoe komt het dat je dit niet weet ?

 

— [ That’s all I know. ]

— [ He doesn’t know who I am. ]

— [ I don’t know what time it is. ]

— [ I don’t know what the time is. ]

— [ You know very well what she wants. ]

 

— [ I don’t know what else to do. ]

— [ I don’t know when he will be here. ]

— [ I don’t know what to do anymore. ]

— [ Do you remember? ]

— [ How come you don’t know this? ]

 

[ 53 ] AL

— Het is al te laat.

— Ze zijn er al.

— Het is al tijd om naar huis te gaan.

— Hij is al een man.

— Ik heb dit boek al uit.

 

— Het is al laat.

— Tegen die tijd is het al te laat.

— Ik ben hier al twee uur.

— Weet jij of ze al dan niet Engels kan spreken ?

— Is hij al terug ?

 

— [ It’s already too late. ]

— [ They’re already here. ]

— [ It’s already time to go home. ]

— [ He’s already a man. ]

— [ I have already finished this book. ]

 

— [ It’s already late. ]

— [ By then it will already be too late. ]

— [ I have been here for two hours. ]

— [ Do you know whether or not she can speak English? ]

— [ Is he back already? ]

 

— Ik heb mijn werk al af.

— Ik heb je al zo lang niet gezien !

— Heeft u al kinderen ?

— Ik heb hem al lang niet meer gezien.

— Hij is al weg.

 

— Hij is al weg.

— Ben je al weg ?

— Heeft ze haar werk al af ?

— Ken je hem al lang ?

— Ik ken haar al lang.

 

— [ I’ve already finished my work. ]

— [ I haven’t seen you for so long! ]

— [ Do you have children already? ]

— [ It’s been a long time since I last saw him. ]

— [ He’s already left. ]

 

— [ He has left already. ]

— [ You’re leaving already? ]

— [ Has she finished her work yet? ]

— [ Have you known him for a long time? ]

— [ I’ve known her for a long time. ]

 

— Ik ken hem al lang.

— Ik ben al klaar met mijn werk.

— Ik ben al oud.

— Met al zijn geld is hij niet tevreden.

— Ik heb hem al drie dagen niet meer gezien.

 

— Ze woont al vijf jaar in deze stad.

— Omdat het al laat was ging ik naar bed.

— Ik heb de film al eens gezien.

— Ik voel mij al veel beter.

— Het is al zeven uur.

 

— [ I’ve known him for a long time. ]

— [ I’ve already finished my work. ]

— [ I am already old. ]

— [ With all his money, he is not happy. ]

— [ I haven’t seen him in three days. ]

 

— [ She has lived in this city for five years already. ]

— [ Since it was already late, I went to sleep. ]

— [ I have seen the film before. ]

— [ I feel much better already. ]

— [ It’s already seven. ]

 

[ 54 ] OVER

— Waar heb je het over ?

— Dat is alles wat ik over hem weet.

— Over wie heb je het ?

— Over wie heb je het ?

— Laat dat maar aan mij over.

 

— Ik weet niets over hem.

— Hij zal over een uur terug zijn.

— Waar gaat dit boek over ?

— Over een uur kom ik bij je.

— Ik ben bang dat er geen koffie meer over is.

 

— [ What are you talking about? ]

— [ This is all that I know about him. ]

— [ To whom are you referring? ]

— [ Who are you talking about? ]

— [ Let me handle this. ]

 

— [ I don’t know anything about him. ]

— [ He will be back in an hour. ]

— [ What is the book about? ]

— [ I will come to you in an hour. ]

— [ I’m afraid there isn’t any coffee left. ]

 

— Ik ben over een uur terug.

— Ik denk er elke dag over.

— Ik heb geen idee waar je het over hebt.

— Denk er eens over na als je wil.

— Ik zal hem er morgen over vragen.

 

— Daar heb ik veel over te zeggen.

— Over een week of twee.

— Er is nog een hoop water over.

— Ik wil hier niets over weten.

— Nu ik leraar ben denk ik er anders over.

 

— [ I will be back in an hour. ]

— [ I think about it every day. ]

— [ I have no idea what you’re talking about. ]

— [ Please think about it. ]

— [ I will ask him about it tomorrow. ]

 

— [ I have much to say about it. ]

— [ In about two weeks. ]

— [ There’s a lot of water left. ]

— [ I don’t want to know about this. ]

— [ Now that I am teacher, I think otherwise. ]

 

— Ze zal daar nooit over spreken.

— Hij zal over tien minuten terug zijn.

— Denk er eens over na.

— Ik heb nauwelijks nog wat geld over.

— Iedereen spreekt goed over hem.

 

— Iedereen spreekt goed over hem.

— Ik ben over tien minuten terug.

— De telefoon ging een paar keer over.

— Weten ze over ons ?

— Dit is de auto waar ik het laatst over had.

 

— [ She will never talk about it. ]

— [ He will be back in ten minutes. ]

— [ Think about it. ]

— [ I have hardly any money left. ]

— [ Everybody speaks well of him. ]

 

— [ He is well spoken of by everybody. ]

— [ I’ll be back in ten minutes. ]

— [ The telephone rang several times. ]

— [ Do they know about us? ]

— [ This is the car I spoke of the other day. ]

 

[ 55 ] GE

— Hoe weet ge dat het van hem is ?

— Ik heb niet zo veel geld als ge denkt.

— Is het waar dat ge naar Parijs gaat ?

— Spreekt ge tegen mij ?

— Hebt ge het niet koud ?

 

— Waar zult ge morgen zijn op dit uur ?

— Ik heb alles wat ge wilt.

— Ge moet Engels leren, of ge wilt of niet.

— Weet ge wat het is, echt honger hebben ?

— Ge kunt niet voor iedereen goed doen.

 

— [ How do you know that it’s his? ]

— [ I don’t have as much money as you think. ]

— [ Is it true that you are going to Paris? ]

— [ Are you talking to me? ]

— [ Don’t you feel cold? ]

 

— [ Where will you be this time tomorrow? ]

— [ I’ve got everything that you want. ]

— [ You must learn English whether you like it or not. ]

— [ Do you know what it is like to be really hungry? ]

— [ Don’t try to be all things to all men. ]

 

— Doe wat ge moet doen.

— Ge hebt hem niet gezien.

— Ik ben niet tevreden met wat ge gedaan hebt.

— Woont ge bij uw ouders ?

— Waarom komt ge niet met ons mee ?

 

— Ze zal komen als ge het haar vraagt.

— Wat wilt ge dat ik doe ?

— Wat hebt ge gedaan deze week ?

— Als ge niets te zeggen hebt, zeg dan niets.

— Hoe wist ge dat hij getrouwd is ?

 

— [ Do what you have to do. ]

— [ You didn’t see him. ]

— [ I am not pleased with what you have done. ]

— [ Do you live with your parents? ]

— [ Why aren’t you coming with us? ]

 

— [ She will come if you ask her. ]

— [ What do you want me to do? ]

— [ What have you done this week? ]

— [ If you have nothing to say, say nothing. ]

— [ How did you know that he is married? ]

 

— Ge moet leren uit uw fouten.

— Ge moet leren uit uw fouten.

— Hebt ge tijd om mij te helpen ?

— Wat wilt ge dan ?

— Wel wel ! Hoe hebt ge dat gedaan ?

 

— Ge ziet er zo gezond uit als altijd.

— Ik wil dat ge gitaar speelt voor mij.

— Hoe laat staat ge gewoonlijk op ?

— Kom als ge kunt.

— Waarom vraagt ge dat, als ge alles weet ?

 

— [ You must learn from mistakes. ]

— [ You must learn from your mistakes. ]

— [ Do you have time to help me? ]

— [ What do you want then? ]

— [ How in the world did you do it? ]

 

— [ You look as healthy as ever. ]

— [ I want you to play the guitar for me. ]

— [ What time do you usually get up? ]

— [ Come if you can. ]

— [ Why are you asking if you know it all? ]

 

[ 56 ] OF

— Ik weet niet of ik het nog heb.

— Ik weet niet of het waar is.

— Ik weet niet of hij het weet.

— Het kan waar zijn of niet.

— Ik weet niet of ik tijd heb.

 

— Ik weet niet of ik tijd heb.

— Ik ben te laat, of niet ?

— De vraag is of hij het kan doen of niet.

— Ik zal mijn leven leven, met of zonder haar.

— Ik weet niet of ik genoeg geld heb.

 

— [ I don’t know if I still have it. ]

— [ I don’t know if it is true. ]

— [ I don’t know if he knows it. ]

— [ It may or may not be true. ]

— [ I don’t know if I have the time. ]

 

— [ I don’t know if I’ll have time. ]

— [ I’m late, aren’t I? ]

— [ The question is whether he can do it or not. ]

— [ I’m going to live my life, with or without her. ]

— [ I don’t know if I have enough money. ]

 

— Waar of niet waar ?

— Het is alles of niets.

— Het maakt mij niet uit of hij wel of niet komt.

— Ik weet niet of hij een dokter is.

— Weet jij of ze al dan niet Engels kan spreken ?

 

— Ik weet niet of hij dokter is.

— Kom je of niet ?

— Ik zal hem vragen of hij komt.

— Het doet er niet toe of hij komt of niet.

— De vraag is of hij de brief zal lezen of niet.

 

— [ True or false? ]

— [ It’s all or nothing. ]

— [ It makes no difference to me whether he comes or not. ]

— [ I don’t know if he’s a doctor. ]

— [ Do you know whether or not she can speak English? ]

 

— [ I don’t know if he is a doctor. ]

— [ Are you coming or not? ]

— [ I’ll ask him if he will come. ]

— [ It doesn’t matter whether he comes or not. ]

— [ The question is whether he’ll read the letter or not. ]

 

— Weet je of ze Engels kan spreken ?

— Over een week of twee.

— Ik vroeg haar of ik het boek kon lezen.

— Weet jij of ze Engels kan spreken ?

— Of je het nu leuk vindt of niet, je moet gaan.

 

— Of je het nu leuk vindt of niet, je moet gaan.

— Of je het nu leuk vindt of niet, je moet gaan.

— Nu of nooit !

— Ik vraag mij af of er iets met hem gebeurd is.

— Ge moet Engels leren, of ge wilt of niet.

 

— [ Do you know whether she can speak English? ]

— [ In about two weeks. ]

— [ I asked her if I could read the book. ]

— [ Do you know if she can speak English? ]

— [ Whether you like it or not, you have to go. ]

 

— [ You have to go whether you like it or not. ]

— [ Like it or not, you have to go. ]

— [ It’s now or never. ]

— [ I wonder if anything happened to him. ]

— [ You must learn English whether you like it or not. ]

 

[ 57 ] MEER

— Ik wil het niet meer.

— Ik hou niet meer van je.

— Ik hou niet meer van haar.

— Het huis bij het meer is van mij.

— Ik hou niet meer van hem.

 

— Ik hou niet meer van hem.

— Ik kon het niet meer aan.

— Ik wil veel meer.

— Ik wil veel meer.

— Ik weet niet wat ik nog meer kan doen.

 

— [ I don’t want it anymore. ]

— [ I no longer love you. ]

— [ I don’t love her anymore. ]

— [ The house by the lake is mine. ]

— [ I do not love him any longer. ]

 

— [ I no longer love him. ]

— [ I couldn’t take it anymore. ]

— [ I want a lot more. ]

— [ I want much more. ]

— [ I don’t know what else to do. ]

 

— Ze is niet meer alleen.

— Ik weet niet meer wat ik moet doen.

— Ik ben niet meer bang.

— Wat kan je nog meer doen ?

— Ik zal het nooit meer doen.

 

— Het maakt niet meer uit.

— Ik hou meer van jou dan jij van mij.

— Ik wil gewoon een vriend van je zijn, niets meer.

— Hij is geen jongen meer.

— Ik ben bang dat er geen koffie meer over is.

 

— [ She isn’t alone anymore. ]

— [ I don’t know what to do anymore. ]

— [ I’m not afraid any more. ]

— [ What else can you do? ]

— [ I will not do it again. ]

 

— [ It doesn’t matter anymore. ]

— [ I love you more than you love me. ]

— [ I just want to be your friend, nothing more. ]

— [ He’s not a boy anymore. ]

— [ I’m afraid there isn’t any coffee left. ]

 

— Ik heb niets meer te doen vandaag.

— Hij woont hier niet meer.

— Ik wil je nooit meer zien.

— Wat heb je nog meer nodig ?

— Het water in het meer is heel koud.

 

— Laat ik je hier nooit meer zien !

— Ik vind dat je meer moet eten.

— Ze heeft meer boeken.

— Ze heeft meer boeken.

— Ik heb hem al lang niet meer gezien.

 

— [ I have nothing more to do today. ]

— [ He doesn’t live here anymore. ]

— [ I don’t ever want to see you again. ]

— [ What else do you need? ]

— [ The water of the lake is very cold. ]

 

— [ I never want to see you here ever again! ]

— [ I think you need to eat more. ]

— [ She has more books. ]

— [ She’s got more books. ]

— [ It’s been a long time since I last saw him. ]

 

[ 58 ] ERG

— Het is niet zo erg als het lijkt.

— Mijn moeder spreekt niet zo erg goed Engels.

— Het is hier erg heet.

— Te weinig is net zo erg als te veel.

— Ik vind het helemaal niet erg.

 

— Het is erg koud deze morgen.

— Niet erg, ik kan het zelf doen.

— Ik hou erg van koffie.

— Het was erg koud.

— Het was erg leuk je weer eens gezien te hebben.

 

— [ It’s not as bad as it seems. ]

— [ My mom doesn’t speak English very well. ]

— [ It’s very hot here. ]

— [ Too little is just as bad as too much. ]

— [ I don’t mind it at all. ]

 

— [ It is very cold this morning. ]

— [ Never mind, I can do it by myself. ]

— [ I like coffee very much. ]

— [ It was very cold. ]

— [ It was very nice seeing you again. ]

 

— Hij is erg boos op haar.

— Ze houdt erg van muziek.

— Het is hier erg warm in de zomer.

— Ik was erg bang in het vliegtuig.

— Dat vind ik erg leuk.

 

— Ze zeggen dat hij erg rijk was.

— Ik ben nu erg moe.

— Ik ben erg moe vandaag.

— Ik heb haar ERG goed leren kennen.

— Ik was erg moe.

 

— [ He’s very angry with her. ]

— [ She likes music very much. ]

— [ It’s really hot here in the summer. ]

— [ I was very afraid in the airplane. ]

— [ I like it very much. ]

 

— [ It is said that he was very rich. ]

— [ I’m very tired now. ]

— [ I’m really tired today. ]

— [ I got to know her REAL well. ]

— [ I was very tired. ]

 

— Hij was erg moe.

— Het is erg warm vandaag.

— Het is vandaag erg warm.

— Het spijt me erg om dat te horen.

— Ik mis je heel erg.

 

— In het algemeen eet ze niet erg veel.

— Maar het is niet erg waarschijnlijk.

— Ik hou erg van Frans eten.

— Ze kennen elkaar niet erg goed.

— Kop op ! Het is niet zo erg als je denkt.

 

— [ He was very tired. ]

— [ It is very hot today. ]

— [ It’s awfully hot today. ]

— [ I’m very sorry to hear that. ]

— [ I miss you very much. ]

 

— [ In general, she doesn’t eat very much. ]

— [ But the possibility seems unlikely. ]

— [ I like French food very much. ]

— [ They don’t know each other very well. ]

— [ Cheer up! Things are not as bad as you think. ]

 

[ 59 ] GOED

— Wat goed is voor u, is goed voor mij.

— En waar is dat goed voor ?

— Je weet heel goed wat ze wil.

— Met mij gaat het ook goed.

— Mij gaat het goed.

 

— Hoe komt het dat je zo goed Engels kan ?

— Ik ken haar niet zo goed.

— Vandaag gaat het mij goed.

— Ik denk niet dat dat een goed idee is.

— Mijn moeder spreekt niet zo erg goed Engels.

 

— [ What is good for you, is good for me. ]

— [ What good will that do? ]

— [ You know very well what she wants. ]

— [ I’m fine too. ]

— [ I’m doing fine. ]

 

— [ How come you know English so well? ]

— [ I don’t know her very well. ]

— [ I feel good today. ]

— [ I don’t think this is a good idea. ]

— [ My mom doesn’t speak English very well. ]

 

— Het water is goed.

— Zij is niet goed genoeg voor hem.

— Vandaag komt mij niet goed uit.

— Komt alles goed met je ?

— Is dat wel goed ?

 

— Maar de koffie is niet goed.

— Het ziet er goed uit.

— Wat hij ook doet, hij doet het goed.

— Wat hij ook doet, hij doet het goed.

— Wat hij ook doet, hij doet het goed.

 

— [ The water is good. ]

— [ She isn’t good enough for him. ]

— [ Today is not good for me. ]

— [ Are you going to be OK? ]

— [ Is that okay? ]

 

— [ But the coffee’s not good. ]

— [ Things are looking good. ]

— [ Regardless what he does, he does it well. ]

— [ Regardless of what he does, he does it well. ]

— [ No matter what he does, he does it well. ]

 

— Ik wist niet goed wat te doen.

— Hij ziet er goed uit.

— Ik kon me niet goed houden.

— Je spreekt goed Engels.

— Het is te donker om goed te kunnen zien.

 

— Ik ben niet zo goed in tennis.

— Hij spreekt zeer goed Engels.

— Dat is echt een goed idee.

— Je ziet er goed uit in die kleren.

— Ik heb goed nieuws voor u.

 

— [ I was not sure what to do. ]

— [ He’s looking good. ]

— [ I could not help laughing. ]

— [ You speak good English. ]

— [ It is too dark to see clearly. ]

 

— [ I’m not so good at tennis. ]

— [ He speaks English very well. ]

— [ That’s a really great idea. ]

— [ You look good in those clothes. ]

— [ I have good news for you. ]

 

[ 60 ] HAD

— Ik had geen weet van zijn plan.

— Ze had niet veel geld.

— Als ik tijd had, ging ik naar de film.

— Ik had geen tijd om te eten.

— Het probleem was dat ik niets tegen hem te zeggen had.

 

— Als ik jou was had ik het niet gedaan.

— Ik had met haar niets te maken.

— Je had het nu wel af moeten hebben.

— Ze had geen broer.

— Maar ik had jou nooit.

 

— [ I was ignorant of his plan. ]

— [ She didn’t have much money. ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ I had no time to eat. ]

— [ The problem was that I had nothing to say to him. ]

 

— [ If I were you I wouldn’t have done that. ]

— [ I had nothing to do with her. ]

— [ He should have finished it by now. ]

— [ She had no brother. ]

— [ But I never had you. ]

 

— Hij had niet genoeg geld.

— Ik had graag groter willen zijn.

— Ik wou dat ik haar gezien had.

— Ik had iets moeten zeggen.

— Je had hem de waarheid moeten zeggen.

 

— Zij had geen geld.

— Hij had twee uur nodig om zijn huiswerk te maken.

— Zij had niet genoeg geld.

— Ik had niets te maken met het ongeluk.

— De school had een nieuwe leraar nodig.

 

— [ He did not have enough money. ]

— [ I wish I were taller. ]

— [ I wish I had seen her. ]

— [ I should have said something. ]

— [ You should have told him the truth. ]

 

— [ She had no money. ]

— [ It took him two hours to finish his homework. ]

— [ She didn’t have enough money. ]

— [ I had nothing to do with the accident. ]

— [ The school needed a new teacher. ]

 

— Hij had geluk en was op tijd voor de trein.

— Hij deed wat men hem gezegd had.

— Je had hem met zijn werk moeten helpen.

— Dit is de auto waar ik het laatst over had.

— Ik had een lang gesprek met haar.

 

— Ik had een idee.

— Ik denk dat je gelijk had.

— Je had het me eerder moeten laten weten.

— Ze had haar echtgenoot niet graag.

— Ze had geen jurk om naar het feest mee te gaan.

 

— [ Being lucky, he was in time for the train. ]

— [ He did what they told him. ]

— [ You should have helped him with his work. ]

— [ This is the car I spoke of the other day. ]

— [ I had a long talk with her. ]

 

— [ I had an idea. ]

— [ I guess you were right. ]

— [ You should have told it to me sooner. ]

— [ She disliked her husband. ]

— [ She had no dress to attend the party in. ]

 

[ 61 ] ALTIJD

— Hij is altijd op tijd.

— Je bent altijd te laat.

— Hij zal voor altijd van haar houden.

— Mijn moeder is niet altijd thuis.

— Er is altijd een volgende keer.

 

— Er is altijd een volgende keer.

— Waarom ben je altijd te laat ?

— Waarom ben je altijd te laat ?

— Ik hou altijd mijn woord.

— Onze leraar Engels is altijd op tijd.

 

— [ He’s always on time. ]

— [ You are always late. ]

— [ He will love her forever. ]

— [ My mother is not always at home. ]

— [ There is always a next time. ]

 

— [ There’s always a next time. ]

— [ Why is it that you are always late? ]

— [ Why is it that you’re always late? ]

— [ I always keep my word. ]

— [ Our English teacher is always on time. ]

 

— Ze spreekt altijd Engels.

— Hij is hier altijd tussen vijf en zes.

— Hij is bijna altijd thuis.

— Hij is bijna altijd thuis.

— Zij staat altijd vroeg op.

 

— Je bent nog net hetzelfde zoals je altijd was.

— Je moet altijd de waarheid spreken.

— We zullen altijd vrienden zijn.

— Ik zie nog altijd niets.

— Het is altijd leuk om je te horen.

 

— [ She always speaks English. ]

— [ He is always here between 5 and 6 o’clock. ]

— [ He is almost always at home. ]

— [ He is almost always home. ]

— [ She always gets up early. ]

 

— [ You are just the same as you always were. ]

— [ You must always tell the truth. ]

— [ We’ll always be friends. ]

— [ I still don’t see anything. ]

— [ It’s always nice to hear you. ]

 

— Hij heeft altijd Japans willen leren.

— Ge ziet er zo gezond uit als altijd.

— Ze ziet er altijd bleek uit.

— Heb je het altijd druk ?

— Er zijn altijd veel mensen in de bibliotheek.

 

— Hij is altijd gelukkig.

— Zij zal voor altijd van haar echtgenoot houden.

— Dat is altijd zo geweest.

— Dat is altijd zo geweest.

— Ik ben altijd klaar om te sterven.

 

— [ He always wanted to study Japanese. ]

— [ You look as healthy as ever. ]

— [ She always looks pale. ]

— [ Are you always busy? ]

— [ There are always many people in the library. ]

 

— [ He is always happy. ]

— [ She’ll love her husband forever. ]

— [ This is always the way it has been. ]

— [ It’s always been that way. ]

— [ I’m always ready for death. ]

 

[ 62 ] HIER

— Ze is niet hier.

— Ze is nog niet hier.

— Ze kan hier zo vroeg niet zijn.

— Hier zijn we dan.

— Ik weet niet wanneer hij hier zal zijn.

 

— Mijn huis is hier.

— Er is hier niets.

— Ik kan je hier niet alleen laten.

— Ik ben hier al twee uur.

— Hier ben ik niet zeker van.

 

— [ She’s not here. ]

— [ She is not here yet. ]

— [ She cannot be here so early. ]

— [ Here we are. ]

— [ I don’t know when he will be here. ]

 

— [ My house is here. ]

— [ There is nothing here. ]

— [ I can’t leave you here alone. ]

— [ I have been here for two hours. ]

— [ I’m not sure about this. ]

 

— Zijn huis is niet ver van hier.

— Als je zo gaat doen, ben ik hier weg.

— Ik kwam hier gisteren aan.

— Hij woont hier niet meer.

— Het is hier erg heet.

 

— Ik wou dat hij hier was nu.

— Ik weet niet wanneer hij hier zal komen.

— Laat ik je hier nooit meer zien !

— Hoe is het water hier ?

— Hier is wat water.

 

— [ His house is not far from here. ]

— [ If you’re going to be like this I’ll just leave. ]

— [ I arrived here yesterday. ]

— [ He doesn’t live here anymore. ]

— [ It’s very hot here. ]

 

— [ I wish he were here now. ]

— [ I don’t know when he will come here. ]

— [ I never want to see you here ever again! ]

— [ How’s the water here? ]

— [ Here is some water. ]

 

— Hoe ver is het van hier ?

— Er is hier iets aan de hand.

— Hij is niet langer hier.

— Is hij nog steeds hier ?

— Ze zullen nooit weten dat we hier zijn.

 

— Ik ben hier weg.

— Ik wil hier niets over weten.

— Hij zei dat hij hier morgen terug zou komen.

— Hier is een foto van haar.

— Ik ben blij je hier te zien.

 

— [ How far is it from here? ]

— [ There’s something fishy going on. ]

— [ He is no longer here. ]

— [ Is he still here? ]

— [ They’ll never know we’re here. ]

 

— [ I’m outta here. ]

— [ I don’t want to know about this. ]

— [ He said that he would come back here tomorrow. ]

— [ Here’s a photo of her. ]

— [ I’m happy to see you here. ]

 

[ 63 ] GAAT

— Dat gaat je niets aan.

— Hoe gaat het met je ?

— Met mij gaat het ook goed.

— Hoe gaat het met je vader ?

— Mij gaat het goed.

 

— Hoe gaat het vandaag met je ?

— Hoe gaat het met je broer ?

— Hoe gaat het met je vrouw ?

— Hoe gaat het met je vrouw ?

— Vandaag gaat het mij goed.

 

— [ It’s none of your business. ]

— [ How are you? ]

— [ I’m fine too. ]

— [ How’s your father? ]

— [ I’m doing fine. ]

 

— [ How are you today? ]

— [ How’s your brother? ]

— [ How’s your wife? ]

— [ How’s your wife doing? ]

— [ I feel good today. ]

 

— Waar gaat dit boek over ?

— Hoe gaat het met mijn vrouw ?

— De tijd gaat snel om.

— Als je zo gaat doen, ben ik hier weg.

— Mijn vader gaat met de fiets naar zijn werk.

 

— En met jou, hoe gaat het met jou ?

— Hoe gaat het met jullie moeder ?

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

— Hoe gaat het ?

 

— [ What is the book about? ]

— [ How’s my wife doing? ]

— [ Time is going by very quickly. ]

— [ If you’re going to be like this I’ll just leave. ]

— [ My father goes to work by bike. ]

 

— [ And you, how are you? ]

— [ How’s your mother? ]

— [ In any case, it’s none of your business. ]

— [ In any case, it’s no business of yours. ]

— [ How are you doing? ]

 

— Is het waar dat ge naar Parijs gaat ?

— Het gaat allemaal om geld.

— Ik ga wanneer jij ook gaat.

— Wat als er iets fout gaat ?

— Je gaat de problemen van het leven gewoon uit de weg.

 

— Hoe gaat het met iedereen ?

— Het is waar dat hij elk jaar naar het buitenland gaat.

— Ik wil dat hij daar naartoe gaat.

— Gaat u maar zitten waar u maar wilt.

— Hoe gaat het met de familie ?

 

— [ Is it true that you are going to Paris? ]

— [ It’s all about money. ]

— [ I will go when you do. ]

— [ What if something goes wrong? ]

— [ You’re just running away from life’s problems. ]

 

— [ How is everyone? ]

— [ It is true that he goes abroad every year. ]

— [ I want him to go there. ]

— [ Sit wherever you like. ]

— [ How is the family? ]

 

[ 64 ] BIJ

— Het huis bij het meer is van mij.

— Heb je veel geld bij je ?

— Het probleem is dat ik geen geld bij me heb.

— Over een uur kom ik bij je.

— Ik ga bij mijn vriend.

 

— Hij zag een hond bij de deur.

— Toen ik tien was, ging mijn broer bij ons thuis weg.

— Ik heb mijn woordenboek niet bij de hand.

— Hij woont bij zijn ouders.

— Hou het woordenboek bij je.

 

— [ The house by the lake is mine. ]

— [ Do you have much money with you? ]

— [ The trouble is that I have no money with me. ]

— [ I will come to you in an hour. ]

— [ I am going to my friend’s house. ]

 

— [ He saw a dog near the door. ]

— [ When I was 10, my brother left our home. ]

— [ I haven’t my dictionary at hand. ]

— [ He lives with his parents. ]

— [ Keep the dictionary by you. ]

 

— Woont ge bij uw ouders ?

— Hij was niet thuis, zoals het geval vaak bij hem is.

— Ik ga vaak bij hem op bezoek.

— Alles waar je goed in bent draagt bij aan geluk.

— Waarom kom je niet bij ons op bezoek ?

 

— Er is een kerk dicht bij mijn huis.

— Weet jij hoe je bij Toms huis komt ?

— Meneer Brown heeft altijd een boek bij zich.

— Meneer Brown heeft altijd een boek bij zich.

— Zijn naam is bij iedereen in deze stad bekend.

 

— [ Do you live with your parents? ]

— [ He was not at home, as is often the case with him. ]

— [ I visit him often. ]

— [ Anything you’re good at contributes to happiness. ]

— [ Why don’t you come visit us? ]

 

— [ There is a church near my house. ]

— [ Do you know how to get to Tom’s house? ]

— [ Mr Brown always carries a book with him. ]

— [ Mr. Brown always carries a book with him. ]

— [ His name is known to everyone in this town. ]

 

— We moeten bij het vliegveld zijn.

— Bij ons op school zijn er meer meisjes dan jongens.

— Zou u me kunnen vertellen hoe ik bij het station kom ?

— Hij zat bij de rivier.

— Onze school is heel dicht bij het park.

 

— Ze hielp haar vader bij het werk in de tuin.

— Ik ben iemand die leeft bij het moment.

— Ik ben bij Dan op bezoek geweest.

— Daar kan ik met mijn verstand niet bij.

— Daar kan ik met mijn verstand niet bij.

 

— [ We need to get to the airport. ]

— [ There are more girls than boys at our school. ]

— [ Could you please tell me how to get to the station? ]

— [ He sat next to the stream. ]

— [ Our school is very close to the park. ]

 

— [ She helped her father with the work in the garden. ]

— [ I’m a person who lives for the moment. ]

— [ I visited Dan. ]

— [ That’s too much for my little brain. ]

— [ That goes over my head. ]

 

[ 65 ] TWEE

— Mijn kamer is twee keer zo groot als die van hem.

— Ik ben hier al twee uur.

— Hij is twee keer zo oud als ik.

— Hij is twee jaar ouder dan ik.

— Ze is twee jaar ouder dan ik.

 

— Ze is twee jaar ouder dan ik.

— Ik hou van alle twee.

— Heb je twee boeken ?

— Ik heb twee kinderen, een jongen en een meisje.

— Ze is twee jaar ouder dan jij.

 

— [ My room is twice as big as his. ]

— [ I have been here for two hours. ]

— [ He is twice as old as I am. ]

— [ He’s two years older than me. ]

— [ She’s two years older than me. ]

 

— [ She’s two years older than I am. ]

— [ I like both. ]

— [ Do you have two books? ]

— [ I have two children. One is a boy and the other is a girl. ]

— [ She is two years older than you. ]

 

— Ze is twee jaar ouder dan jij.

— Over een week of twee.

— We hebben twee kinderen.

— Als twee mensen hetzelfde doen, is het niet hetzelfde.

— Deze doos is twee keer zo groot als die daar.

 

— Hij had twee uur nodig om zijn huiswerk te maken.

— Ik ben getrouwd en heb twee kinderen.

— Wat is het verschil tussen deze twee ?

— Haar oudere broer is twee jaar ouder dan ik.

— Haar oudere broer is twee jaar ouder dan ik.

 

— [ She’s two years older than you. ]

— [ In about two weeks. ]

— [ We have two children. ]

— [ When two are doing the same thing, it is not the same. ]

— [ This box is twice as large as that one. ]

 

— [ It took him two hours to finish his homework. ]

— [ I am married and have two children. ]

— [ What’s the difference between these two? ]

— [ His older brother is two years older than I. ]

— [ Her older brother is two years older than I. ]

 

— Weet je dan niet dat hij twee jaar geleden overleden is ?

— Ze is twee jaar jonger dan ik.

— Mijn kat is al twee dagen dood.

— Je bent twee keer zo sterk als ik.

— Ik heb twee broers en één zus.

 

— Ik heb twee broers en één zus.

— Ik heb twee broers en één zus.

— Ik bezoek hem om de twee dagen.

— Er is een duidelijk verschil tussen deze twee.

— Hij verdient twee keer zoveel als ik.

 

— [ Don’t you know that he passed away two years ago? ]

— [ She is two years younger than I. ]

— [ My cat has been dead for two days. ]

— [ You are twice as strong as I. ]

— [ I have two brothers and one sister. ]

 

— [ I have two brothers and a sister. ]

— [ I’ve got two brothers and a sister. ]

— [ I visit him every other day. ]

— [ There is a marked difference between them. ]

— [ He earns twice as much as me. ]

 

[ 66 ] GRAAG

— Ik ben graag alleen.

— Ik zou graag een kat hebben.

— Ik mag je heel graag.

— Ik zou graag een foto van je willen.

— Ik zou graag iets eten.

 

— Ze wilde graag naar huis.

— Ik had graag groter willen zijn.

— Ik zou graag willen weten wie mijn ouders zijn.

— Heel graag, mijn beste.

— Ik reis graag met mijn auto.

 

— [ I like being alone. ]

— [ I’d like to have a cat. ]

— [ I like you very much. ]

— [ I would like your picture. ]

— [ I’d like something to eat. ]

 

— [ She was eager to go home. ]

— [ I wish I were taller. ]

— [ I would like to know who my parents are. ]

— [ With pleasure, my dear. ]

— [ I like to travel with my car. ]

 

— Ik zou graag iets te drinken hebben.

— Ik zou graag iets te drinken hebben.

— Ik zou niet graag in haar schoenen willen staan.

— Ik heb een paar boeken die je misschien graag wil lezen.

— Ik zie u graag.

 

— Ik zou niet graag in een ziekenhuis werken.

— Ik zou graag naar Amerika gaan.

— Hij is door iedereen graag gezien.

— Ze had haar echtgenoot niet graag.

— Ik heb niet graag eieren.

 

— [ I’d like something to drink. ]

— [ I would like something to drink. ]

— [ I wouldn’t like to be in her shoes. ]

— [ I have some books that you might like to read. ]

— [ I love you. ]

 

— [ I wouldn’t like to work in a hospital. ]

— [ I would like to go to the USA. ]

— [ Everybody likes him. ]

— [ She disliked her husband. ]

— [ I dislike eggs. ]

 

— Ik wil graag Frans leren.

— Ik zou graag iets drinken.

— Ik lees heel graag boeken.

— Zou je graag beroemd willen zijn ?

— Ik hou mijn kleren graag zo lang mogelijk.

 

— Ze spelen graag in de sneeuw.

— Ik zou heel graag een koud glas bier willen hebben.

— Ik lees graag boeken.

— Ik zou u graag zien voor ik naar Europa vertrek.

— Ik wil graag een kamer met uitzicht op de tuin.

 

— [ I want to learn French. ]

— [ I’d like something to drink. ]

— [ I love reading books. ]

— [ Would you like to be famous? ]

— [ I like to keep my clothes for as long as possible. ]

 

— [ They like to play in the snow. ]

— [ I would love a cold glass of beer. ]

— [ I like reading books. ]

— [ I would like to see you before leaving for Europe. ]

— [ I’d like a room facing the garden. ]

 

[ 67 ] NOOIT

— Het is nooit te laat om te leren.

— Ik zal het nooit meer doen.

— Ik wil je nooit meer zien.

— Mijn moeder staat nooit vroeg op.

— Laat ik je hier nooit meer zien !

 

— Maar ik had jou nooit.

— Ze zullen nooit weten dat we hier zijn.

— Dat heb ik nooit gezegd !

— Dat heb ik nooit gezegd.

— Beter laat dan nooit.

 

— [ It is never too late to learn. ]

— [ I will not do it again. ]

— [ I don’t ever want to see you again. ]

— [ My mother never gets up early. ]

— [ I never want to see you here ever again! ]

 

— [ But I never had you. ]

— [ They’ll never know we’re here. ]

— [ I’ve never said that! ]

— [ I never said that. ]

— [ Better late than never. ]

 

— Ze zal daar nooit over spreken.

— Nu of nooit !

— Ik kom nooit meer terug.

— Je bent nooit thuis.

— Ik zag hem nooit weer.

 

— Ik ben van plan nooit meer te drinken.

— Voor zover ik weet is hij nog nooit op tijd gekomen.

— Maar dat heb je me nooit verteld !

— Mijn vader is zijn hele leven nooit ziek geweest.

— Mijn vader is zijn hele leven nooit ziek geweest.

 

— [ She will never talk about it. ]

— [ It’s now or never. ]

— [ I’ll never come back. ]

— [ You’re never at home. ]

— [ I never saw him again. ]

 

— [ I plan to never drink again. ]

— [ As far as I know, he has never come on time. ]

— [ But you’ve never told me about this! ]

— [ My father has never gotten sick in his life. ]

— [ My father has never been sick in his life. ]

 

— Mijn vader is zijn hele leven nooit ziek geweest.

— Zoiets heb ik nog nooit gezien.

— Ik heb nog nooit zoiets gezien.

— Ik geef nooit op.

— Heb je nooit les of zo ?

 

— Er kwam nooit iemand op mijn verjaardag.

— Ik had nooit gedacht dat het zo gemakkelijk zou zijn.

— Ik ben nog nooit zo moe geweest.

— Ik ben nog nooit in Europa geweest.

— Ik had nooit gedacht dat het zo gemakkelijk ging zijn.

 

— [ In his whole life my father has never been ill. ]

— [ I’ve never seen anything like this before. ]

— [ I have never seen such a thing. ]

— [ I never give up. ]

— [ You never have class or what?! ]

 

— [ Nobody would visit me on my birthday. ]

— [ I never thought it would be so easy. ]

— [ I’ve never been so tired. ]

— [ I have never been to Europe. ]

— [ I never thought it would be so easy. ]

 

[ 68 ] WAAR

— Ik weet niet waar het is.

— Je weet dat het waar is.

— Het kan niet waar zijn.

— Het kan niet waar zijn.

— Het kan niet waar zijn.

 

— Dat is niet waar.

— Dat is niet waar.

— Dat is niet waar.

— Dat kan niet waar zijn !

— Dat kan niet waar zijn.

 

— [ I do not know where it is. ]

— [ You know it’s true. ]

— [ It cannot be true. ]

— [ It can not be true. ]

— [ It can’t be true. ]

 

— [ That’s not true. ]

— [ It is not so. ]

— [ That is not true. ]

— [ It can’t be! ]

— [ That can’t be true. ]

 

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Dat kan niet waar zijn.

— Ik weet van waar hij is.

— Ik weet niet of het waar is.

 

— Het kan waar zijn of niet.

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

— Waar heb je het over ?

 

— [ That cannot be true. ]

— [ It cannot be true. ]

— [ It can’t be true. ]

— [ I know where he comes from. ]

— [ I don’t know if it is true. ]

 

— [ It may or may not be true. ]

— [ I think it’s true. ]

— [ I think it true. ]

— [ I think that it’s true. ]

— [ What are you talking about? ]

 

— Ik weet niet waar ze zijn.

— En waar is dat goed voor ?

— Waar wil je dat voor hebben ?

— Dit kan niet waar zijn.

— Waar is het boek ?

 

— Waar ben je ?

— Waar is je vader ?

— Ik ga waar ik wil.

— Waar een wil is, is een weg.

— Wat hij zei, is niet waar.

 

— [ I don’t know where they are. ]

— [ What good will that do? ]

— [ What do you want that for? ]

— [ This can’t be true. ]

— [ Where is the book? ]

 

— [ Where are you? ]

— [ Where is your father? ]

— [ I go where I please. ]

— [ Where there’s a will, there’s a way. ]

— [ What he said is not true. ]

 

[ 69 ] BOEK

— Ik heb een boek.

— Het boek is van mij.

— Ik heb dit boek niet.

— Dit is een boek.

— Dit is een boek.

 

— Het is dit boek.

— Dit boek is van mij.

— Dit is mijn boek.

— Waar is het boek ?

— Ik heb dit boek al uit.

 

— [ I have a book. ]

— [ The book is mine. ]

— [ I don’t have this book. ]

— [ This is a book. ]

— [ That’s a book. ]

 

— [ It’s this book. ]

— [ This book is mine. ]

— [ This is my book. ]

— [ Where is the book? ]

— [ I have already finished this book. ]

 

— Dit is haar boek.

— Van wie is dat boek ?

— Van wie is dat boek ?

— Is dit uw boek ?

— Dit is het boek waar je naar op zoek bent.

 

— Hij gaf hem een boek.

— Het boek is groot.

— Waar gaat dit boek over ?

— Dit boek is van jou.

— Ik heb een boek in mijn hand.

 

— [ This is her book. ]

— [ Whose book is that? ]

— [ Whose is that book? ]

— [ Is this your book? ]

— [ This is the book you are looking for. ]

 

— [ He gave him a book. ]

— [ The book is big. ]

— [ What is the book about? ]

— [ This book is yours. ]

— [ I have a book in my hand. ]

 

— Ik heb geen tijd om dat boek te lezen.

— Is dit jouw boek ?

— Ik heb geen tijd om dit boek te lezen.

— Dit boek is te moeilijk voor mij om te lezen.

— Ik wil een boek om te lezen.

 

— Heb je dit boek nodig ?

— Ik vroeg haar of ik het boek kon lezen.

— Ik ben dit boek aan het lezen.

— Dit is een klein boek.

— Het boek is klein.

 

— [ I don’t have the time to read that book. ]

— [ Is this your book? ]

— [ I don’t have the time to read this book. ]

— [ This book is too difficult for me to read. ]

— [ I want a book to read. ]

 

— [ Do you need this book? ]

— [ I asked her if I could read the book. ]

— [ I’m reading this book. ]

— [ This is a small book. ]

— [ The book is small. ]

 

[ 70 ] IETS

— Is er iets dat ik voor u kan doen ?

— Er moet iets zijn dat je kan doen.

— Is er iets dat ik kan doen ?

— Is er nog iets dat je moet doen vandaag ?

— Ik was op zoek naar iets wat er niet was.

 

— Ik wil iets om te eten.

— Heb je vandaag iets te doen ?

— Iets is beter dan niets.

— Heb je iets te eten ?

— Dat is niet iets wat iedereen kan doen.

 

— [ Is there anything that I can do for you? ]

— [ There must be something you can do. ]

— [ Is there anything I can do? ]

— [ Is there anything you need to do today? ]

— [ I was searching for something that didn’t exist. ]

 

— [ I want something to eat. ]

— [ Are you busy today? ]

— [ Something is better than nothing. ]

— [ Have you anything to eat? ]

— [ It’s not something anyone can do. ]

 

— Het moet iets met geld te maken hebben.

— Er is iets, wat ik niet begrijp.

— Heeft hij er iets van gezegd ?

— Er is hier iets aan de hand.

— Het lijkt erop dat jij iets weet dat ik niet weet.

 

— Ik zou graag iets eten.

— Wat als er iets fout gaat ?

— Wil je iets eten ?

— Wil je iets eten ?

— Ik wil iets om te lezen.

 

— [ It must have something to do with money. ]

— [ There is something I don’t understand. ]

— [ Did he say anything about it? ]

— [ There’s something fishy going on. ]

— [ It would seem that you know something that I don’t. ]

 

— [ I’d like something to eat. ]

— [ What if something goes wrong? ]

— [ Would you like to eat something? ]

— [ Do you want to eat something? ]

— [ I want something to read. ]

 

— Waarom heb je spijt van iets dat je niet gedaan hebt ?

— Ik vraag mij af of er iets met hem gebeurd is.

— Ik had iets moeten zeggen.

— We zouden iets dan dit gaan doen.

— Ik zou graag iets te drinken hebben.

 

— Ik zou graag iets te drinken hebben.

— Beide zijn we op zoek naar iets wat er niet is.

— Wil je iets om te drinken ?

— Ik wil iets om te drinken.

— Ik heb zin om iets te drinken.

 

— [ Why are you sorry for something you haven’t done? ]

— [ I wonder if anything happened to him. ]

— [ I should have said something. ]

— [ We should make something like that. ]

— [ I’d like something to drink. ]

 

— [ I would like something to drink. ]

— [ We are both looking for something that isn’t there. ]

— [ Would you like something to drink? ]

— [ I want something to drink. ]

— [ I feel like having a drink. ]

 

[ 71 ] MOETEN

— Je zou niet alleen moeten gaan.

— Vind jij dat ik alleen zou moeten gaan ?

— Je had het nu wel af moeten hebben.

— Ik denk dat we wat meer zouden moeten doen.

— Ik zal hem morgen de waarheid moeten zeggen.

 

— Ik had iets moeten zeggen.

— Ik zou het boek moeten lezen.

— Je had hem de waarheid moeten zeggen.

— Je zou beter moeten weten.

— We moeten hier weg.

 

— [ You should not go alone. ]

— [ Do you think I should go by myself? ]

— [ He should have finished it by now. ]

— [ I think we should do some more. ]

— [ I will have to tell him the truth tomorrow. ]

 

— [ I should have said something. ]

— [ I should read the book. ]

— [ You should have told him the truth. ]

— [ You should have known better. ]

— [ We should get out of here. ]

 

— Morgen op dit uur zouden we in Parijs moeten zijn.

— We moeten het werk binnen een dag doen.

— Jullie moeten niet komen morgen.

— Je had hem met zijn werk moeten helpen.

— Ik weet niet zeker hoe lang we moeten wachten.

 

— Je had het me eerder moeten laten weten.

— We moeten iets doen om te helpen.

— Wij moeten naar school gaan.

— We moeten op hem wachten.

— Mensen moeten leren tevreden te zijn.

 

— [ We should be in Paris by this time tomorrow. ]

— [ We have to do the work in a day. ]

— [ You don’t have to come tomorrow. ]

— [ You should have helped him with his work. ]

— [ I’m not sure how much we should wait. ]

 

— [ You should have told it to me sooner. ]

— [ We must do something to help. ]

— [ We must go to school. ]

— [ We have to wait for him. ]

— [ People must learn to be satisfied. ]

 

— Ze moeten wel gelukkig zijn.

— We moeten voor onze ouders zorgen.

— Ge zult morgen moeten komen.

— We moeten bij het vliegveld zijn.

— Ze moeten onmiddellijk hier komen.

 

— Je had me dat gisteren moeten vertellen.

— Mensen moeten zich aan de regels houden.

— Je zou beter moeten weten nu je achttien bent.

— Je zou het niet hebben moeten doen zonder mijn toestemming.

— Ge zoudt altijd de waarheid moeten zeggen.

 

— [ They must be happy. ]

— [ We have to look after our parents. ]

— [ You will have to come tomorrow. ]

— [ We need to get to the airport. ]

— [ They must come here at once. ]

 

— [ You should’ve told me yesterday. ]

— [ People have to obey the rules. ]

— [ You should know better now you are eighteen. ]

— [ You should not have done it without my permission. ]

— [ You should always tell the truth. ]

 

[ 72 ] HEEL

— Ik hou heel veel van je.

— Je weet heel goed wat ze wil.

— De kamer van mijn vader is heel groot.

— Dit huis is niet heel groot.

— Ik denk dat je heel wat vragen hebt.

 

— Het water in het meer is heel koud.

— Gisteren was het niet zo heel koud.

— Ik mag je heel graag.

— Je moeder is heel jong, niet ?

— Het ziet er heel moeilijk uit !

 

— [ I love you very much. ]

— [ You know very well what she wants. ]

— [ My father’s room is very big. ]

— [ This house is not very big. ]

— [ I guess you’ve got a lot of questions. ]

 

— [ The water of the lake is very cold. ]

— [ It was not very cold yesterday. ]

— [ I like you very much. ]

— [ Your mother is very young, isn’t she? ]

— [ It looks really hard! ]

 

— Het is een heel vreemde brief.

— Heel graag, mijn beste.

— Hij was heel oud.

— Dit is een heel vreemde brief.

— Ik herinner mij de naam van die man heel goed.

 

— Het wordt gezegd dat hij heel rijk is.

— Het is een goede jongen en hij is heel sterk.

— Zijn huis is heel ver van het station.

— Ik mis je heel erg.

— De jongen is heel eerlijk.

 

— [ It is a very strange letter. ]

— [ With pleasure, my dear. ]

— [ He was very old. ]

— [ This is a very strange letter. ]

— [ I remember that man’s name very well. ]

 

— [ They say he’s very rich. ]

— [ He is a good boy, and he is very strong. ]

— [ His house is very far from the station. ]

— [ I miss you very much. ]

— [ The boy is very honest. ]

 

— Heel veel mensen kennen hem.

— Haar haar is heel kort.

— Onze leraar ziet er heel jong uit.

— Het is heel jammer dat je vrouw niet kon komen.

— Ze werd heel ziek.

 

— Wat hij zegt, is heel belangrijk.

— Engels is een taal die over heel de wereld wordt gesproken.

— De woorden kwamen uit een heel oude taal.

— Ik lees heel graag boeken.

— Mijn horloge is heel precies.

 

— [ Very many people know him. ]

— [ Her hair is very short. ]

— [ Our teacher looks very young. ]

— [ It’s an awful shame your wife couldn’t come. ]

— [ She became very ill. ]

 

— [ What he says is very important. ]

— [ English is a language spoken all over the world. ]

— [ The words were from a very old language. ]

— [ I love reading books. ]

— [ My watch is very accurate. ]

 

[ 73 ] JAAR

— Hij is twee jaar ouder dan ik.

— Ze is twee jaar ouder dan ik.

— Ze is twee jaar ouder dan ik.

— Hij is drie jaar ouder dan ik.

— Hij is drie jaar ouder dan ik.

 

— Hij is drie jaar ouder dan zij is.

— Ze is twee jaar ouder dan jij.

— Ze is twee jaar ouder dan jij.

— Ze is vijf jaar.

— Hij is tien jaar ouder dan jij.

 

— [ He’s two years older than me. ]

— [ She’s two years older than me. ]

— [ She’s two years older than I am. ]

— [ He’s three years older than me. ]

— [ He’s three years older than I am. ]

 

— [ He’s three years older than she is. ]

— [ She is two years older than you. ]

— [ She’s two years older than you. ]

— [ She is five years old. ]

— [ He’s ten years older than you. ]

 

— Ze is zes jaar ouder dan ik.

— Ze is zes jaar ouder dan ik.

— Ik ben niet de persoon die ik tien jaar geleden was.

— We waren hier een jaar geleden.

— Hij is drie jaar ouder dan zij.

 

— Ze woont al vijf jaar in deze stad.

— Het is tien jaar geleden, toen hij in Amerika was.

— Het is waar dat hij elk jaar naar het buitenland gaat.

— Haar oudere broer is twee jaar ouder dan ik.

— Haar oudere broer is twee jaar ouder dan ik.

 

— [ She’s six years older than me. ]

— [ She’s six years older than I am. ]

— [ I am not what I was ten years ago. ]

— [ One year ago we were here. ]

— [ He’s three years older than her. ]

 

— [ She has lived in this city for five years already. ]

— [ Ten years have passed since he went to America. ]

— [ It is true that he goes abroad every year. ]

— [ His older brother is two years older than I. ]

— [ Her older brother is two years older than I. ]

 

— Weet je dan niet dat hij twee jaar geleden overleden is ?

— Ze is twee jaar jonger dan ik.

— Ik ben drie jaar jonger dan hij.

— Ze is vijf jaar jonger dan ik.

— Om de waarheid te zeggen, we zijn vorig jaar getrouwd.

 

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— We zijn vijf jaar getrouwd.

 

— [ Don’t you know that he passed away two years ago? ]

— [ She is two years younger than I. ]

— [ I am his junior by three years. ]

— [ She’s five years younger than me. ]

— [ To tell the truth, we got married last year. ]

 

— [ This mountain is covered in snow all-year-round. ]

— [ This mountain is covered with snow all year round. ]

— [ This mountain is snow-covered the entire year. ]

— [ This mountain is covered in snow all year round. ]

— [ We’ve been married for five years. ]

 

[ 74 ] ONS

— Het is tijd om te gaan voor ons.

— Het maakt ons niet uit wat hij doet.

— De kinderen zijn de bloemen van ons leven.

— Laat ons even alleen zijn.

— Toen ik tien was, ging mijn broer bij ons thuis weg.

 

— Ik wou dat je met ons mee kon komen.

— Ik wou dat hij hier was om ons te helpen.

— Laat ons meer doen.

— Weten ze over ons ?

— Waarom komt ge niet met ons mee ?

 

— [ It’s time for us to go. ]

— [ We don’t care what he does. ]

— [ Children are the flowers of our lives. ]

— [ Give us a moment alone. ]

— [ When I was 10, my brother left our home. ]

 

— [ I wish you could come with us. ]

— [ I wish that he was here to help us. ]

— [ Let’s do more. ]

— [ Do they know about us? ]

— [ Why aren’t you coming with us? ]

 

— Ze hebben ons gisteren gezien.

— Dit boek zal ons zeer van pas komen.

— Dit boek zal ons zeer van pas komen.

— Het is jammer dat je niet met ons mee kan.

— Hij kent niemand van ons.

 

— Laat het ons weten alsjeblieft.

— Laat ons eerlijk zijn.

— Laat ons eerlijk zijn.

— Hij lijkt ons te kennen.

— We hebben alles voor ons deel gedaan.

 

— [ They saw us yesterday. ]

— [ This book will be of great use to us. ]

— [ This book will be very useful to us. ]

— [ It is a pity that you can’t join us. ]

— [ He doesn’t know anyone of us. ]

 

— [ Please let us know. ]

— [ Let’s be honest. ]

— [ Let’s be fair. ]

— [ He seems to know us. ]

— [ We did everything for our part. ]

 

— Waarom kom je niet bij ons op bezoek ?

— Hij kwam ons vragen hem te helpen.

— De trein zat zo vol, dat niemand van ons kon zitten.

— Goed, laten we beginnen met ons werk.

— Neem ons met je mee !

 

— We vragen ons af waarom.

— Bij ons op school zijn er meer meisjes dan jongens.

— Je kan alleen binnen komen als je ons wachtwoord weet.

— Maak je geen zorgen over ons.

— Laat de hond niet op ons bed slapen.

 

— [ Why don’t you come visit us? ]

— [ He came to ask us to help him. ]

— [ The train was so crowded that none of us could get a seat. ]

— [ Well, let’s start our work. ]

— [ Bring us with you! ]

 

— [ We wonder why. ]

— [ There are more girls than boys at our school. ]

— [ You can come in if and only if you know our password. ]

— [ Don’t worry about us. ]

— [ Don’t let the dog sleep in our bed. ]

 

[ 75 ] VADER

— Hij is niet mijn vader.

— Hij is mijn vader niet.

— Ben ik de vader ?

— Dit is mijn vader.

— Hij is mijn broer, niet mijn vader.

 

— Waar is je vader ?

— Hij is zo groot als zijn vader.

— Hoe gaat het met je vader ?

— De kamer van mijn vader is heel groot.

— Hij is de vader van drie kinderen.

 

— [ He’s not my father. ]

— [ He’s not my father. ]

— [ Am I the father? ]

— [ This is my father. ]

— [ He is my brother, not my father. ]

 

— [ Where is your father? ]

— [ He is as tall as his father. ]

— [ How’s your father? ]

— [ My father’s room is very big. ]

— [ He is the father of three children. ]

 

— Ze vroeg hoe het met zijn vader ging.

— Mijn vader houdt van mijn moeder.

— De man die daar staat is mijn vader.

— Denk jij dat hij op zijn vader lijkt ?

— Je vader is groot.

 

— Hij is groter dan zijn vader.

— Mijn vader gaat met de fiets naar zijn werk.

— Mijn vader heeft veel boeken.

— Mijn vader heeft veel boeken.

— Hij ging naar daar in plaats van zijn vader.

 

— [ She asked how his father was. ]

— [ My father loves my mother. ]

— [ The man who is standing over there is my father. ]

— [ Do you think he resembles his father? ]

— [ Your father is tall. ]

 

— [ He is taller than his father. ]

— [ My father goes to work by bike. ]

— [ My father has many books. ]

— [ My father has a lot of books. ]

— [ He went there instead of his father. ]

 

— Mijn vader staat vroeg op.

— Haar vader is groot.

— Ik ging vaak naar de film met mijn vader.

— Welke auto is van je vader ?

— Ik ken je vader.

 

— De auto van mijn vader is nieuw.

— Uw vader is groot.

— Ken je haar vader ?

— Dit is de plaats waar mijn vader geboren was.

— Het is het eerste dat mijn vader geschreven heeft.

 

— [ My father gets up early. ]

— [ Her father is tall. ]

— [ I often went to the movies with my father. ]

— [ Which car is your father’s? ]

— [ I know your father. ]

 

— [ My father’s car is new. ]

— [ Your father is tall. ]

— [ Do you know her father? ]

— [ This is the place where my father was born. ]

— [ It’s the first thing that my father wrote. ]

 

[ 76 ] WERD

— Dit is het huis waar hij geboren werd.

— Het is niet duidelijk waar en wanneer ze werd geboren.

— Hem werd gezegd op te staan en dat deed hij.

— Ze werd verliefd op de broer van haar vriend.

— Ze werd heel ziek.

 

— Waar werd hij geboren en groeide hij op ?

— Hij werd rijk.

— De een na de ander werd ziek in het dorp.

— Ik werd wakker en zag een inbreker in mijn kamer.

— Dit is het raam dat kapot gemaakt werd door de jongen.

 

— [ This is the house in which he was born. ]

— [ It is not clear when and where she was born. ]

— [ He was told to stand up, and he did so. ]

— [ She fell in love with her friend’s brother. ]

— [ She became very ill. ]

 

— [ Where was he born and raised? ]

— [ He became rich. ]

— [ The people in the village fell ill one after another. ]

— [ I awoke to find a burglar in my room. ]

— [ This is the window which was broken by the boy. ]

 

— Hij werd gedwongen om over te werken.

— Hij werd heel gevaarlijk.

— Ik werd door een oude vriend uitgenodigd.

— Ze werd bleek toen ze het nieuws hoorde.

— Hij deed wat hem gevraagd werd.

 

— Ik werd bijna overreden door een auto.

— Ik werd bijna door een auto overreden.

— De hond werd geraakt door een auto.

— Ik werd uitgelachen vandaag op school.

— Ik las in de krant dat hij vermoord werd.

 

— [ He was forced to work. ]

— [ He became very dangerous. ]

— [ I was invited by an old friend. ]

— [ She turned pale when she heard that news. ]

— [ He did what he had been told. ]

 

— [ I was nearly run over by a car. ]

— [ I narrowly escaped being run over by a car. ]

— [ The dog was hit by a car. ]

— [ I got laughed at at school today. ]

— [ I read in the newspaper that he had been murdered. ]

 

— Toen ik vanochtend wakker werd, voelde ik me ziek.

— De man werd geliefd door iedereen.

— Hij werd zanger tegen de wil in van zijn ouders.

— Toen ik wakker werd, was het bijna middag.

— Ik werd bijna gek van angst.

 

— De jongen werd door iedereen uitgelachen.

— Hij werd zeventig jaar oud.

— Zijn gezicht werd rood.

— Hij werd gedood in de oorlog.

— Deze brug werd twee jaar geleden gebouwd.

 

— [ When I woke up this morning, I felt sick. ]

— [ The old man was loved by everyone. ]

— [ He became a singer against his parents wishes. ]

— [ It was almost noon when I woke up. ]

— [ I went almost crazy with fear. ]

 

— [ The boy was laughed at by everybody. ]

— [ He lived to be seventy years old. ]

— [ Her face turned red. ]

— [ He was killed in the war. ]

— [ This bridge was built two years ago. ]

 

[ 77 ] DOOR

— Door het ongeval ging ik te laat naar school.

— Hij is door iedereen graag gezien.

— Deze auto wordt gebruikt door mijn vader.

— Het Engels wordt door veel mensen gebruikt.

— Ze ging door met werken.

 

— Ze ging door met werken.

— Hij wilde vroeg wakker gemaakt worden door zijn vrouw.

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

 

— [ Because of the accident I went too late to school. ]

— [ Everybody likes him. ]

— [ This car is used by my father. ]

— [ English is used by many people. ]

— [ She went on working. ]

 

— [ She continued working. ]

— [ He wanted to be woken up early by his wife. ]

— [ This mountain is covered in snow all-year-round. ]

— [ This mountain is covered with snow all year round. ]

— [ This mountain is snow-covered the entire year. ]

 

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— Was deze brief geschreven door Ken ?

— Zag je de hond niet door de tuin lopen ?

— Hij eet aan één stuk door.

— Ga door met werken !

 

— Dit is het raam dat kapot gemaakt werd door de jongen.

— Laat het verleden achter je en ga door.

— Ik werd door een oude vriend uitgenodigd.

— Ik bracht de hele dag door aan het strand.

— Het regende hard de hele dag door.

 

— [ This mountain is covered in snow all year round. ]

— [ Was this letter written by Ken? ]

— [ Didn’t you see a dog pass through the yard? ]

— [ He eats non-stop. ]

— [ Go ahead with your work. ]

 

— [ This is the window which was broken by the boy. ]

— [ Leave the past behind and go on. ]

— [ I was invited by an old friend. ]

— [ I spent the entire day on the beach. ]

— [ It rained hard all day. ]

 

— Je kan door de bomen het bos niet zien.

— Hij ziet het bos niet door al die bomen.

— Hij ziet het bos niet door al die bomen.

— Hij ziet het bos niet door al die bomen.

— We keken allemaal door het raam.

 

— Ik heb besloten door te studeren.

— Ik werd bijna overreden door een auto.

— Ik werd bijna door een auto overreden.

— Zodra ik het heb, stuur ik het naar je door.

— De hond werd geraakt door een auto.

 

— [ You can’t see the forest for the trees. ]

— [ He can’t see the forest for the trees. ]

— [ Because of these trees, he can’t see the forest. ]

— [ The trees don’t let him see the forest. ]

— [ We all looked out the window. ]

 

— [ I’ve decided to continue studying. ]

— [ I was nearly run over by a car. ]

— [ I narrowly escaped being run over by a car. ]

— [ As soon as I have it, I’ll forward it to you. ]

— [ The dog was hit by a car. ]

 

[ 78 ] GA

— Ga je dan niet ?

— Ik ga waar ik wil.

— Ik denk dat ik nu ga.

— Ik ga met de fiets naar het werk.

— Ik ga naar school.

 

— Hoe laat ga je naar huis ?

— Ik ga bij mijn vriend.

— Ik ga niet terug.

— Hoe laat ga je naar school ?

— Wat ga je nu doen ?

 

— [ Won’t you go? ]

— [ I go where I please. ]

— [ I guess I’ll be going now. ]

— [ I bike to work. ]

— [ I go to school. ]

 

— [ What time do you go home? ]

— [ I am going to my friend’s house. ]

— [ I’m not going back. ]

— [ What time do you leave for school? ]

— [ What’re you going to do next? ]

 

— Wanneer ga je naar school ?

— Ga maar zonder mij.

— Ik ga wanneer jij ook gaat.

— Ik ga voor een paar dagen de stad uit.

— Ik ga naar de kerk met de auto.

 

— Nu ga je te ver.

— Ik ga naar de dokter.

— Ga naar school.

— Waarom ga je niet in mijn plaats ?

— Ga terug naar huis.

 

— [ When do you leave for school? ]

— [ You go on without me. ]

— [ I will go when you do. ]

— [ I am leaving town for a few days. ]

— [ I go to church by car. ]

 

— [ Now you’re going too far. ]

— [ I’m going to the doctor. ]

— [ Go to school. ]

— [ Why don’t you go in my place? ]

— [ Go back home. ]

 

— Ik ga vandaag naar het ziekenhuis.

— Ik ga naar de berg.

— Ik ga niet naar school op zondag.

— Hoe laat ga je naar bed ?

— Ik ga iedere dag naar het werk.

 

— Ik ga gewoonlijk om vier uur naar huis.

— Morgen ga ik naar Parijs.

— Ga je het opnieuw doen ?

— Ik ga vaak bij hem op bezoek.

— Ik ga naar het park.

 

— [ I’ll go to the hospital today. ]

— [ I go to the mountain. ]

— [ I don’t go to school on Sunday. ]

— [ When do you go to bed? ]

— [ I go to work every day. ]

 

— [ I usually go home at four. ]

— [ Tomorrow I’m going to Paris. ]

— [ Are you going to do it over again? ]

— [ I visit him often. ]

— [ I go to the park. ]

 

[ 79 ] UW

— Is dit uw boek ?

— Uw vader is groot.

— In uw plaats zou ik dat niet gedaan hebben.

— Is uw school ver van uw huis ?

— Ik ben ouder dan uw broer.

 

— Ik wil uw taal niet leren.

— Uw dood is mijn leven.

— Woont ge bij uw ouders ?

— Wat is uw antwoord ?

— U doet me denken aan uw moeder.

 

— [ Is this your book? ]

— [ Your father is tall. ]

— [ If I were you I wouldn’t have done that. ]

— [ Is your school far from your home? ]

— [ I’m older than your brother. ]

 

— [ I would like to learn your language. ]

— [ Your death is my life. ]

— [ Do you live with your parents? ]

— [ What’s your answer? ]

— [ You remind me of your mother. ]

 

— Wie is uw leraar ?

— Wie is uw leraar ?

— Waar zijn uw ogen ?

— Ik begrijp uw vraag niet.

— Ge moet leren uit uw fouten.

 

— Ge moet leren uit uw fouten.

— Hoe is het met uw familie ?

— Hoe is het met uw familie ?

— Nu, wat is uw mening ?

— Hebt gij uw huiswerk al af ?

 

— [ Who is your teacher? ]

— [ Who’s your teacher? ]

— [ Where are your eyes? ]

— [ I don’t understand your question. ]

— [ You must learn from mistakes. ]

 

— [ You must learn from your mistakes. ]

— [ How is your family? ]

— [ How is your family doing? ]

— [ Now, what is your opinion? ]

— [ Have you finished doing your homework yet? ]

 

— Hebt gij uw huiswerk al af ?

— Hebt gij uw huiswerk al af ?

— Hebt gij uw huiswerk al af ?

— Uw broer is erg kwaad.

— U kunt uw eigen maken.

 

— Mag ik uw krant even zien ?

— Uw broer heeft mij gezegd dat ge naar Parijs geweest zijt.

— Hoe wilt ge uw koffie ?

— Hoe groot is uw familie ?

— Ik heb uw vriend ontmoet.

 

— [ Have you finished your homework yet? ]

— [ Have you finished your homework already? ]

— [ Are you done with your homework yet? ]

— [ Your brother is very angry. ]

— [ You can make your own. ]

 

— [ Can I have a look at your newspaper? ]

— [ Your brother said you’d gone to Paris. ]

— [ How would you like your coffee? ]

— [ How large is your family? ]

— [ I met your friend. ]

 

[ 80 ] DENK

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat het waar is.

— Ik denk dat ik het niet met je eens bent.

— Wat denk je dat ik aan het doen was ?

 

— Ik denk dat je daar niet was.

— Kan je dat doen ? Ik denk het.

— Wie denk je dat ik ben ?

— Ik denk dat hij niet komt.

— Ik denk niet dat hij komt.

 

— [ I think it’s true. ]

— [ I think it true. ]

— [ I think that it’s true. ]

— [ I guess I don’t agree with you. ]

— [ What do you think I’ve been doing? ]

 

— [ I guess you weren’t there. ]

— [ Can you do that? I think so. ]

— [ Who do you think I am? ]

— [ I think he won’t come. ]

— [ I think he won’t come. ]

 

— Ik denk niet dat hij komt.

— Ik denk niet dat hij komt.

— Ik denk dat ik nu ga.

— Waar denk je aan ?

— Wat denk jij van hem ?

 

— Wat denk je, wat zou ze gaan doen ?

— Denk jij dat hij op zijn vader lijkt ?

— Ik denk niet dat dat een goed idee is.

— Denk voor je spreekt.

— Ik denk dat het verhaal waar is.

 

— [ I do not think that he will come. ]

— [ I don’t think he will come. ]

— [ I guess I’ll be going now. ]

— [ What are you thinking about? ]

— [ What do you think of him? ]

 

— [ What do you think she is going to do? ]

— [ Do you think he resembles his father? ]

— [ I don’t think this is a good idea. ]

— [ Think before you speak. ]

— [ I think the story is true. ]

 

— Ik denk dat wat jij zegt waar is.

— Ik denk dat dat werkt.

— Ik denk de hele tijd aan jullie.

— Ik denk dat je heel wat vragen hebt.

— Ik denk er elke dag over.

 

— Denk je dat het morgen een mooie dag wordt ?

— Ik denk dat hij een eerlijk iemand is.

— Denk er eens over na als je wil.

— Ik denk dat je het fout hebt.

— Ik denk van wel.

 

— [ I think what you say is true. ]

— [ I guess that works. ]

— [ I think of you all the time. ]

— [ I guess you’ve got a lot of questions. ]

— [ I think about it every day. ]

 

— [ Do you think tomorrow will be a nice day? ]

— [ I think he’s an honest man. ]

— [ Please think about it. ]

— [ I think you’re wrong. ]

— [ I do think so. ]

 

[ 81 ] KUNNEN

— Kunnen we zo niet beter gaan ?

— Zonder water kunnen we niet.

— We kunnen beter gaan.

— Het is te donker om goed te kunnen zien.

— Ik zou in de problemen kunnen komen als ik dat deed.

 

— Ik wil Engels kunnen spreken.

— Als ik een jongen was zou ik op honkbal kunnen gaan.

— We kunnen niet leven zonder lucht.

— Ik denk dat wij goede vrienden zouden kunnen zijn.

— Mensen kunnen niet leven zonder lucht.

 

— [ Hadn’t we better be going soon? ]

— [ Water is indispensable to us. ]

— [ We better be going. ]

— [ It is too dark to see clearly. ]

— [ I could get in trouble if I did that. ]

 

— [ I want to be able to speak English. ]

— [ If I were a boy, I could join a baseball team. ]

— [ We cannot live without air. ]

— [ I think we could be good friends. ]

— [ Man cannot live without air. ]

 

— Wanneer kunnen we eten ?

— Zou het kunnen dat dat gerucht waar is ?

— Ik wil Frans kunnen spreken.

— Vanaf morgen kunnen we samen naar het werk gaan.

— Zonder zon zouden we niet kunnen leven.

 

— Het zou kunnen dat je hem gaat ontmoeten.

— Het zou kunnen dat je hem gaat ontmoeten.

— Zal ze het vandaag af kunnen krijgen ?

— Zou je even kunnen wachten ?

— Het enige wat jullie kunnen doen, is elkaar vertrouwen.

 

— [ When can we eat? ]

— [ Can the rumor be true? ]

— [ I want to be able to speak French. ]

— [ From tomorrow on we can go to work together. ]

— [ If there was no sun, we would not be able to live. ]

 

— [ You may meet him. ]

— [ You might meet him. ]

— [ Will she be able to finish it today? ]

— [ Would you mind waiting a few minutes? ]

— [ All you can do is trust one another. ]

 

— Zou u me kunnen vertellen hoe ik bij het station kom ?

— Zou u even kunnen wachten ?

— Ik denk dat we samen zaken kunnen doen.

— We kunnen elke morgen de klok van de kerk horen.

— We kunnen net zo goed meteen gaan.

 

— Ik hoop dat we in contact zullen kunnen blijven.

— We hebben het zo druk dat we alle hulp kunnen gebruiken.

— We kunnen geen melk drinken.

— Ik zou een ongeluk kunnen krijgen !

— Heb je gezegd dat ik nooit zou kunnen winnen ?

 

— [ Could you please tell me how to get to the station? ]

— [ Would you mind waiting a few minutes? ]

— [ I believe we can do business together. ]

— [ We can hear the church bell every morning. ]

— [ We may as well go at once. ]

 

— [ I hope we will be able to keep in touch. ]

— [ We are so busy we’ll take any help we can get. ]

— [ We can’t drink milk. ]

— [ I might have an accident! ]

— [ Did you say that I could never win? ]

 

[ 82 ] GING

— Ze vroeg hoe het met zijn vader ging.

— Als ik tijd had, ging ik naar de film.

— Hij ging naar daar in plaats van zijn vader.

— Ik ging vaak naar de film met mijn vader.

— Ik ging gisteren naar school.

 

— Toen ik tien was, ging mijn broer bij ons thuis weg.

— Ze ging voor de eerste keer naar Parijs.

— Door het ongeval ging ik te laat naar school.

— Omdat het al laat was ging ik naar bed.

— Ik ging daar omdat ik dat wou.

 

— [ She asked how his father was. ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ He went there instead of his father. ]

— [ I often went to the movies with my father. ]

— [ I went to school yesterday. ]

 

— [ When I was 10, my brother left our home. ]

— [ She went to Paris for the first time. ]

— [ Because of the accident I went too late to school. ]

— [ Since it was already late, I went to sleep. ]

— [ I went there because I wanted to. ]

 

— Waarom ging je naar de stad ?

— Ik ging naar het ziekenhuis.

— Ik wist wel dat het vandaag leuk ging worden.

— De telefoon ging een paar keer over.

— Hij ging de kamer binnen.

 

— Ze ging verder met het werk.

— Hij ging zijn kamer binnen.

— De hond ging weg.

— Hij ging de kamer in met zijn hoed af.

— Hij ging daar naartoe om Engels te leren.

 

— [ Why did you go to the city? ]

— [ I went to the hospital. ]

— [ I knew that today would be fun. ]

— [ The telephone rang several times. ]

— [ He came into the room. ]

 

— [ She continued with the work. ]

— [ He entered his room. ]

— [ The dog went away. ]

— [ He entered the room with his hat off. ]

— [ He went there to learn English. ]

 

— Ik vroeg hem waar hij heen ging.

— Voor de oorlog ging ik naar Europa.

— Ze vroeg waar ik naartoe ging.

— Hij ging naar het buitenland.

— Ze ging door met werken.

 

— Ze ging door met werken.

— Ik ging naar buiten, ook al regende het.

— Hij ging met de auto naar Boston.

— Mijn zoon ging naar Londen, waar ik geboren ben.

— Ik had nooit gedacht dat het zo gemakkelijk ging zijn.

 

— [ I asked him where he was going. ]

— [ I went to Europe before the war. ]

— [ She asked me where I was going. ]

— [ He went abroad. ]

— [ She went on working. ]

 

— [ She continued working. ]

— [ I went out even though it was raining. ]

— [ He went to Boston by car. ]

— [ My son went to London, where I was born. ]

— [ I never thought it would be so easy. ]

 

[ 83 ] MENSEN

— Mij maakt het niet uit wat de mensen zeggen.

— Veel mensen zouden het met u eens zijn.

— Ik haat het als er veel mensen zijn.

— We willen geen mensen zoals jij in deze stad.

— Als twee mensen hetzelfde doen, is het niet hetzelfde.

 

— Ik hou niet van mensen die snel boos worden.

— De mensen die hier wonen zijn onze vrienden.

— Mensen eten geen mensen.

— Waarom zijn mensen bang voor jou ?

— Er waren veel mensen in het park.

 

— [ I don’t care what people say. ]

— [ Many people would agree with you. ]

— [ I hate it when there are a lot of people. ]

— [ We don’t want people like you in this town. ]

— [ When two are doing the same thing, it is not the same. ]

 

— [ I don’t like people who get angry easily. ]

— [ The people who live there are our friends. ]

— [ Man doesn’t eat man. ]

— [ Why are people scared of you? ]

— [ There were a lot of people in the park. ]

 

— Wonen er veel mensen in jouw stad ?

— Mensen kunnen niet leven zonder lucht.

— Heel veel mensen kennen hem.

— Het Engels wordt door veel mensen gebruikt.

— Er zijn altijd veel mensen in de bibliotheek.

 

— Mensen moeten leren tevreden te zijn.

— Lucht is voor mensen wat water is voor vissen.

— Lucht is voor mensen wat water is voor vissen.

— Lucht is voor mensen, wat water is voor vissen.

— De meeste mensen denken dat ik gek ben.

 

— [ Do a lot of people live in your town? ]

— [ Man cannot live without air. ]

— [ Very many people know him. ]

— [ English is used by many people. ]

— [ There are always many people in the library. ]

 

— [ People must learn to be satisfied. ]

— [ Air is to man what water is to fish. ]

— [ Air is for people what water is for fish. ]

— [ Air is to men what water is to fish. ]

— [ Most people think I’m crazy. ]

 

— Water is belangrijk voor mensen.

— Er sterven elke dag veel goede mensen.

— Ik moet deze mensen helpen.

— De meeste mensen denken dat.

— Mensen van je leeftijd hebben vaak dit probleem.

 

— Er sterven elke dag goede mensen.

— Oude mensen worden vroeg wakker.

— Hij stond altijd klaar om mensen te helpen die problemen hadden.

— Mensen moeten zich aan de regels houden.

— Veel mensen willen niet geloven dat dit een verzonnen verhaal is.

 

— [ Water is important for people. ]

— [ Many good people die every day. ]

— [ I must help these people. ]

— [ Most people think so. ]

— [ People of your age often have this problem. ]

 

— [ Good people die every day. ]

— [ Old people wake up early. ]

— [ He was always ready to help people in trouble. ]

— [ People have to obey the rules. ]

— [ Many people did not want to believe that this story was made up. ]

 

[ 84 ] TIJD

— Je tijd is om.

— Ik weet niet of ik tijd heb.

— Ik weet niet of ik tijd heb.

— Ik heb geen tijd voor u.

— Het is tijd om te gaan voor ons.

 

— Het is tijd om naar huis te gaan.

— Ik heb geen tijd.

— Ik heb geen tijd.

— Het is al tijd om naar huis te gaan.

— Hij is altijd op tijd.

 

— [ Your time is over. ]

— [ I don’t know if I have the time. ]

— [ I don’t know if I’ll have time. ]

— [ I don’t have time for you. ]

— [ It’s time for us to go. ]

 

— [ It’s time to go home. ]

— [ I have no time. ]

— [ I don’t have time. ]

— [ It’s already time to go home. ]

— [ He’s always on time. ]

 

— Ik was deze morgen niet op tijd op school.

— We hebben niet veel tijd.

— We hebben niet veel tijd.

— Hij kwam niet op tijd.

— Tegen die tijd is het al te laat.

 

— Ik was daar op tijd, maar ik zag je niet !

— Ik heb nu geen tijd.

— Ik heb geen tijd voor jullie.

— Ik zou naar de film gaan, als ik tijd zou hebben.

— Heb je nu tijd ?

 

— [ I wasn’t on time for school this morning. ]

— [ There isn’t much time. ]

— [ We don’t have much time. ]

— [ He didn’t come on time. ]

— [ By then it will already be too late. ]

 

— [ I was there on time, but I didn’t see you! ]

— [ I don’t have time now. ]

— [ I don’t have time for you. ]

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ Are you free now? ]

 

— Als ik tijd had, ging ik naar de film.

— Ik heb geen tijd voor jou.

— Snel ! We hebben niet veel tijd.

— We hebben veel tijd.

— Ik had geen tijd om te eten.

 

— Als hij tijd heeft, zal hij komen.

— De tijd gaat snel om.

— Ik denk de hele tijd aan jullie.

— Ik wou dat ik terug in de tijd kon gaan.

— Wat zijn we volgende week om deze tijd aan het doen ?

 

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ I don’t have time for you. ]

— [ Be quick! We haven’t much time. ]

— [ We have a lot of time. ]

— [ I had no time to eat. ]

 

— [ If he has time, he will come. ]

— [ Time is going by very quickly. ]

— [ I think of you all the time. ]

— [ I wish I could go back in time. ]

— [ What will we be doing this time next week? ]

 

[ 85 ] HOU

— Ik hou niet meer van je.

— Ik hou van je.

— Ik hou van je !

— Ik hou niet meer van haar.

— Ik hou niet meer van hem.

 

— Ik hou niet meer van hem.

— Hou je van me ?

— Ik hou van haar.

— Ik hou heel veel van je.

— Hou je van mij ?

 

— [ I no longer love you. ]

— [ I love you. ]

— [ I love you! ]

— [ I don’t love her anymore. ]

— [ I do not love him any longer. ]

 

— [ I no longer love him. ]

— [ Do you love me? ]

— [ I love her. ]

— [ I love you very much. ]

— [ Do you love me? ]

 

— Ik hou van mijn huis.

— Ik hou van mijn moeder.

— Ik hou van haar en zij houdt van mij.

— Ik hou meer van jou dan jij van mij.

— Ik hou van mijn vrouw.

 

— Het spijt me, ik hou van je.

— Ik hou nog steeds van je.

— Ik hou van alle twee.

— Ik hou van je, zoals je bent.

— Ik hou van muziek en van Engels.

 

— [ I like my house. ]

— [ I love my mum. ]

— [ I love her and she loves me. ]

— [ I love you more than you love me. ]

— [ I love my wife. ]

 

— [ I’m sorry, I love you. ]

— [ I still love you. ]

— [ I like both. ]

— [ I love you just as you are. ]

— [ I like music and English. ]

 

— Ik hou van jou !

— Ik hou niet van muziek.

— Vandaag hou ik van de hele wereld.

— Ik hou niet van koffie.

— Ik hou altijd mijn woord.

 

— Hou je me voor de gek ?

— Hou me niet voor de gek.

— Ik hou niet van zijn manier van spreken.

— Ik hou erg van koffie.

— Ik heb besloten haar te zeggen dat ik van haar hou.

 

— [ I love you! ]

— [ I do not like music. ]

— [ Today I love the entire world. ]

— [ I don’t like coffee. ]

— [ I always keep my word. ]

 

— [ Are you kidding me? ]

— [ Don’t deceive me. ]

— [ I don’t like his way of talking. ]

— [ I like coffee very much. ]

— [ I decided on telling her of my love. ]

 

[ 86 ] TOT

— Haar moeder heeft haar gemaakt tot wat ze is.

— Mijn moeder heeft me gemaakt tot wat ik vandaag ben.

— Tot de volgende keer.

— Mijn moeder was tot voor kort in het ziekenhuis.

— Ik zal hier wachten tot ze komt.

 

— Mijn moeder was gisteravond tot laat op.

— Zou ik wachten tot ze weer komt ?

— We gaan van tijd tot tijd vissen.

— We gaan van tijd tot tijd vissen.

— Ik werk alle dagen van negen tot vijf.

 

— [ Her mother has made her what she is. ]

— [ My mother made me what I am today. ]

— [ Until next time. ]

— [ My mother has been in the hospital until recently. ]

— [ I’ll wait here until she comes. ]

 

— [ My mother was up late last night. ]

— [ Should I wait for her to come back? ]

— [ We go fishing once in a while. ]

— [ We go fishing from time to time. ]

— [ I work from nine to five every day. ]

 

— Ik blijf hier tot tien uur.

— Ik wil je niet tot last zijn met mijn problemen.

— Je kunt beter wachten tot de politie komt.

— Stel niet uit tot morgen wat je vandaag kunt doen.

— Mijn benen worden beter van dag tot dag.

 

— Hij wachtte op hem tot tien uur.

— We werken van negen tot vijf.

— Een klein dorp groeide uit tot een grote stad.

— Tot morgen in de bibliotheek.

— Ik zal je volgen tot het einde van de wereld.

 

— [ I’ll stay here until ten. ]

— [ I don’t want to burden you with my problems. ]

— [ You had better wait until the police come. ]

— [ Don’t put off until tomorrow what you can do today. ]

— [ My legs are getting better day by day. ]

 

— [ He waited for him until 10. ]

— [ We work from nine to five. ]

— [ A small village grew into a large city. ]

— [ See you tomorrow at the library. ]

— [ I’ll follow you to the ends of the earth. ]

 

— Wat is de afstand van de aarde tot de maan ?

— Ik kan niet wachten tot het weekend begint.

— Tot morgen op kantoor.

— De vergadering duurde tot vijf uur.

— Tot mijn grote verrassing ging de deur open zonder veel geluid.

 

— Ik stopte, en wachtte tot de auto voorbij was.

— Stel nooit uit tot morgen wat je overmorgen kunt doen.

— Ik stel mijn reis naar Schotland uit tot het warmer is.

— Hard werken maakte Jack tot wie hij is.

— Tot nu toe heb ik nog nooit een bijl gebruikt.

 

— [ What is the distance from the Earth to the moon? ]

— [ I can’t wait for the weekend to begin. ]

— [ See you tomorrow in the office. ]

— [ The meeting lasted until 5. ]

— [ Much to my surprise, the door opened noiselessly. ]

 

— [ I stopped and waited for the car to pass. ]

— [ Never put off until tomorrow what you can do the day after tomorrow. ]

— [ I’ll postpone my trip to Scotland until it’s warmer. ]

— [ Hard work made Jack who he is today. ]

— [ Until now I’ve never used an axe. ]

 

[ 87 ] LEVEN

— Dat is het leven.

— Dat is het leven.

— Ik heb niets om voor te leven.

— Ik kan zo niet leven.

— Ik zal mijn leven leven, met of zonder haar.

 

— We leren niet voor het leven, maar voor school.

— We eten om te leven, we leven niet om te eten.

— Ik wil in een grote stad leven.

— Waar er leven is, is er hoop.

— Wie niet kan vragen, kan niet leven.

 

— [ That’s the way the cookie crumbles. ]

— [ That’s life. ]

— [ I have nothing to live for. ]

— [ I can’t live that kind of life. ]

— [ I’m going to live my life, with or without her. ]

 

— [ Not for life, but for school do we learn. ]

— [ We eat to live, not live to eat. ]

— [ I want to live in a big city. ]

— [ Where there is life, there is hope. ]

— [ He that cannot ask cannot live. ]

 

— Zonder jou kan ik niet leven.

— Men moet eten om te leven, niet leven om te eten.

— Je bent de grote liefde van mijn leven.

— Ik kan leven zonder water.

— De kinderen zijn de bloemen van ons leven.

 

— Ik hield van mijn leven en mijn geld.

— Het leven begint wanneer je klaar bent om het te leven.

— Je gaat de problemen van het leven gewoon uit de weg.

— Uw dood is mijn leven.

— Leven en laten leven.

 

— [ I can’t live without you. ]

— [ One must eat to live, and not live to eat. ]

— [ You are the great love of my life. ]

— [ I can live without water. ]

— [ Children are the flowers of our lives. ]

 

— [ I loved my life and my money. ]

— [ Life begins when you’re ready to live it. ]

— [ You’re just running away from life’s problems. ]

— [ Your death is my life. ]

— [ Live and let live. ]

 

— Men kan niet leven zonder water.

— Ik denk dat zijn leven in gevaar is.

— Een leven zonder liefde heeft helemaal geen zin.

— Ik zal de vis in leven houden.

— Het heeft niets te maken met het echte leven.

 

— Wat is je doel in het leven ?

— We kunnen niet leven zonder lucht.

— Het leven is mooi.

— Mensen kunnen niet leven zonder lucht.

— Ik wil beter begrijpen wat de zin van het leven is.

 

— [ One can’t live without water. ]

— [ I think his life is in danger. ]

— [ Life without love has no meaning at all. ]

— [ I will keep the fish alive. ]

— [ It has nothing to do with real life. ]

 

— [ What’s your aim in life? ]

— [ We cannot live without air. ]

— [ Life is beautiful. ]

— [ Man cannot live without air. ]

— [ I want to better understand what the meaning of life is. ]

 

[ 88 ] BENT

— Ik denk dat ik het niet met je eens bent.

— Je bent altijd te laat.

— Dit is het boek waar je naar op zoek bent.

— Je bent niet zo klein als ik.

— Je bent niet zo klein als ik.

 

— Je bent niet zo klein als ik.

— Jij bent alles wat ik wil.

— U bent bang voor hem.

— Ik hou van je, zoals je bent.

— Tegen de tijd dat je terug bent, zal zij weg zijn.

 

— [ I guess I don’t agree with you. ]

— [ You are always late. ]

— [ This is the book you are looking for. ]

— [ You are not as short as I. ]

— [ You aren’t as short as I am. ]

 

— [ You aren’t as short as me. ]

— [ All I want is you. ]

— [ You’re afraid of him. ]

— [ I love you just as you are. ]

— [ By the time you get back, she’ll have left. ]

 

— Is dat het woordenboek waar je naar op zoek bent ?

— Je bent een goede jongen.

— Je bent vrij om te gaan wanneer je ook wil.

— Jij bent bang voor hem.

— Je bent niet snel genoeg.

 

— Je bent de grote liefde van mijn leven.

— Ik weet dat je rijk bent.

— Je bent de reden dat ik hier ben.

— Het leven begint wanneer je klaar bent om het te leven.

— Je bent mijn beste vriend.

 

— [ Is this the dictionary you’re looking for? ]

— [ You are a good boy. ]

— [ You are free to leave any time you wish. ]

— [ You’re afraid of him. ]

— [ You’re not fast enough. ]

 

— [ You are the great love of my life. ]

— [ I know you are rich. ]

— [ You are the reason I’m here. ]

— [ Life begins when you’re ready to live it. ]

— [ You are my best friend. ]

 

— Je bent mijn beste vriend.

— Je bent een mooie vrouw.

— Je bent nooit thuis.

— Hoe lang bent u ?

— Je bent nog net hetzelfde zoals je altijd was.

 

— Jij bent ook een mooie !

— Je bent vrij om te doen wat je wilt.

— Je bent vrij om te zeggen wat je denkt.

— Je bent niet langer gewoon een kind.

— Hoe oud bent u ?

 

— [ You’re my best friend. ]

— [ You’re a beautiful woman. ]

— [ You’re never at home. ]

— [ How tall are you? ]

— [ You are just the same as you always were. ]

 

— [ You’re a nice one! ]

— [ You may be free to do what you like. ]

— [ You are free to say what you think. ]

— [ You are no longer a mere child. ]

— [ What is your age? ]

 

[ 89 ] GAAN

— Het is tijd om te gaan voor ons.

— Het is tijd om naar huis te gaan.

— Het is al tijd om naar huis te gaan.

— Het is nu te laat om nog uit te gaan.

— Het is laat, ik moet gaan.

 

— Ik heb geen zin om uit te gaan.

— Ik zal gaan als hij terug is.

— Ik moet naar huis gaan.

— Ik wil niet alleen gaan.

— Je hoeft niet te gaan, als je dat niet wil.

 

— [ It’s time for us to go. ]

— [ It’s time to go home. ]

— [ It’s already time to go home. ]

— [ It is too late to go out now. ]

— [ It’s late, I have to go. ]

 

— [ I don’t feel like going out. ]

— [ I will go when he comes back. ]

— [ I have to go home. ]

— [ I don’t want to go alone. ]

— [ If you don’t want to go, you don’t have to. ]

 

— Ik zou naar de film gaan, als ik tijd zou hebben.

— Je zou niet alleen moeten gaan.

— Je moet gaan.

— Je moet vroeg naar huis gaan.

— Ik heb zin om uit te gaan vandaag.

 

— Wat denk je, wat zou ze gaan doen ?

— Naar waar gaan we ?

— Ik wil naar de stad gaan.

— Ze is te jong om naar school te gaan.

— Kunnen we zo niet beter gaan ?

 

— [ I would go to the movies if I had the time. ]

— [ You should not go alone. ]

— [ You have to go. ]

— [ You should go home early. ]

— [ I feel like going out today. ]

 

— [ What do you think she is going to do? ]

— [ Where are we going? ]

— [ I want to go to the city. ]

— [ She is too young to go to school. ]

— [ Hadn’t we better be going soon? ]

 

— Moet ik nu gaan ?

— Ik wou dat ik terug in de tijd kon gaan.

— Laten we met de auto gaan.

— Het spijt me, maar ik moet nu naar huis gaan.

— Het is te vroeg om naar bed te gaan.

 

— Hij zei dat je niet hoeft te gaan.

— Vind jij dat ik alleen zou moeten gaan ?

— Ik wil niet naar het ziekenhuis gaan.

— Het is tijd om naar bed te gaan.

— Ik ben van plan om in de stad te gaan wonen.

 

— [ Do I have to go now? ]

— [ I wish I could go back in time. ]

— [ Let’s go by car. ]

— [ I’m sorry, but I’ll have to go home now. ]

— [ It’s too early to go to bed. ]

 

— [ He said that you need not go. ]

— [ Do you think I should go by myself? ]

— [ I don’t want to go to the hospital. ]

— [ It’s time to go to bed. ]

— [ I plan to live in the city. ]

 

[ 90 ] HUIS

— Ik ben in het huis.

— Ik ben in het huis.

— Het huis bij het meer is van mij.

— Dat huis is van mij.

— Het is tijd om naar huis te gaan.

 

— Het is al tijd om naar huis te gaan.

— Dit is zijn huis.

— Dat huis is veel beter dan het deze.

— Ik wil naar huis.

— De hond is in het huis.

 

— [ I am in the house. ]

— [ I’m in the house. ]

— [ The house by the lake is mine. ]

— [ That house is mine. ]

— [ It’s time to go home. ]

 

— [ It’s already time to go home. ]

— [ This is his house. ]

— [ That house is much better than this. ]

— [ I want to go home. ]

— [ The dog is in the house. ]

 

— Ik hou van mijn huis.

— Dit is haar huis.

— Mijn huis is hier.

— Dat huis is veel beter dan dit.

— Wat een groot huis heb je !

 

— Zijn huis is drie keer zo groot als dat van mij.

— Dat is het huis waar hij woont.

— Ik moet naar huis gaan.

— Je moet vroeg naar huis gaan.

— Dit huis is niet heel groot.

 

— [ I like my house. ]

— [ This is her house. ]

— [ My house is here. ]

— [ That house is much better than this. ]

— [ What a big house you have! ]

 

— [ His house is three times as big as mine. ]

— [ That is the house where he lives. ]

— [ I have to go home. ]

— [ You should go home early. ]

— [ This house is not very big. ]

 

— Hij was helemaal alleen in het huis.

— Zijn huis is niet ver van hier.

— Ze hebben een groot huis.

— Hoe laat ga je naar huis ?

— Dat huis is groot.

 

— Ik weet wie in dit huis woont.

— Hij heeft een eigen huis.

— Het spijt me, maar ik moet nu naar huis gaan.

— Dit is het huis waar hij geboren werd.

— Dit is hun huis.

 

— [ He was all alone in the house. ]

— [ His house is not far from here. ]

— [ They have a large house. ]

— [ What time do you go home? ]

— [ That house is big. ]

 

— [ I know who lives in this house. ]

— [ He has a house of his own. ]

— [ I’m sorry, but I’ll have to go home now. ]

— [ This is the house in which he was born. ]

— [ This is their house. ]

 

[ 91 ] NIETS

— Ik heb niets om voor te leven.

— Dat gaat je niets aan.

— Ik weet van niets.

— Ik heb niets met hem van doen.

— Ik weet niets over hem.

 

— Er is hier niets.

— Het is alles of niets.

— Je kan me niets laten doen dat ik niet wil doen.

— Ik ben van niets bang.

— Ik ben van niets bang.

 

— [ I have nothing to live for. ]

— [ It’s none of your business. ]

— [ I don’t know anything. ]

— [ I have nothing to do with him. ]

— [ I don’t know anything about him. ]

 

— [ There is nothing here. ]

— [ It’s all or nothing. ]

— [ You can’t make me do anything I don’t want to do. ]

— [ I’m not frightened of anything. ]

— [ I’m not afraid of anything. ]

 

— Ik wil gewoon een vriend van je zijn, niets meer.

— Ik heb niets meer te doen vandaag.

— Er is niets om spijt van te hebben.

— Iets is beter dan niets.

— Het probleem was dat ik niets tegen hem te zeggen had.

 

— Ik had met haar niets te maken.

— Dit heeft niets met mij te maken.

— Ik heb niets tegen hem te zeggen.

— Ik wil hier niets over weten.

— Wat hij zegt heeft niets met dit probleem te maken.

 

— [ I just want to be your friend, nothing more. ]

— [ I have nothing more to do today. ]

— [ There is nothing to regret about. ]

— [ Something is better than nothing. ]

— [ The problem was that I had nothing to say to him. ]

 

— [ I had nothing to do with her. ]

— [ This has nothing to do with me. ]

— [ I’ve got nothing to say to him. ]

— [ I don’t want to know about this. ]

— [ What he says has nothing to do with this problem. ]

 

— Zonder jou ben ik niets.

— Dit heeft met jou niets te maken.

— Ik kan niets zien.

— Ik heb nu niets nodig.

— Ik heb met hen niets te maken.

 

— Er is niets mis met hem.

— Als je zo tegen me doet, zeg ik niets meer.

— Ik heb er niets mee te maken.

— Dat heeft er niets mee te maken.

— Ik zie nog altijd niets.

 

— [ Without you I am nothing. ]

— [ This has nothing to do with you. ]

— [ I can’t see! ]

— [ I don’t need anything now. ]

— [ I have nothing to do with them. ]

 

— [ There is nothing wrong with him. ]

— [ If you turn on me like that, I won’t say another word. ]

— [ I have nothing to do with it. ]

— [ That has nothing to do with it. ]

— [ I still don’t see anything. ]

 

[ 92 ] OOK

— Ik wil het ook !

— Met mij gaat het ook goed.

— Ook dat is waar.

— Ook dat is waar.

— Hij komt ook niet.

 

— Wat hij ook doet, hij doet het goed.

— Wat hij ook doet, hij doet het goed.

— Wat hij ook doet, hij doet het goed.

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

 

— [ I also want it! ]

— [ I’m fine too. ]

— [ That’s true as well. ]

— [ That’s true, too. ]

— [ He isn’t coming, either. ]

 

— [ Regardless what he does, he does it well. ]

— [ Regardless of what he does, he does it well. ]

— [ No matter what he does, he does it well. ]

— [ In any case, it’s none of your business. ]

— [ In any case, it’s no business of yours. ]

 

— Dit is ook een goede film.

— Je bent vrij om te gaan wanneer je ook wil.

— Wat ik ook doe, zij zegt dat ik het beter kan.

— Ik ga wanneer jij ook gaat.

— Mijn vrouw zal ook blij zijn u te zien.

 

— Ik kan er naartoe, waar je ook wil.

— Ik ben ook leraar.

— Het lijkt erop dat ik vandaag ook laat ben.

— Jij bent ook een mooie !

— Wanneer ik je ook zie, ben ik gelukkig.

 

— [ This is also a good movie. ]

— [ You are free to leave any time you wish. ]

— [ Whatever I do, she says I can do better. ]

— [ I will go when you do. ]

— [ My wife will be glad to see you, too. ]

 

— [ I can go there, wherever you want. ]

— [ I am a teacher, too. ]

— [ It seems I’ll be late today too. ]

— [ You’re a nice one! ]

— [ Whenever I see you, I feel happy. ]

 

— Wat ook de reden is, ze zijn niet getrouwd.

— Zij, en ook haar vrienden, zijn gek op muziek.

— Dit is ook een appel.

— Ik weet zelf ook niet wat ik in gedachten heb.

— Ik heb zijn roman niet gelezen en mijn broer ook niet.

 

— Hij werkt niet alleen niet, maar zal ook geen baan vinden.

— Mijn vriendin houdt er ook van om te drinken.

— Ik ging naar buiten, ook al regende het.

— Omdat al zijn vrienden ook arm waren.

— Ze is niet alleen aardig, maar ook eerlijk.

 

— [ Whatever the reason, they did not marry. ]

— [ She as well as her friends is fond of music. ]

— [ This is an apple, too. ]

— [ I am not certain what I have in mind myself. ]

— [ I haven’t read his novel, and my brother hasn’t either. ]

 

— [ He not only does not work but will not find a job. ]

— [ My girlfriend also loves to drink. ]

— [ I went out even though it was raining. ]

— [ Because all his friends were poor, too. ]

— [ She is not only kind but honest. ]

 

[ 93 ] AUTO

— Ik ben in de auto.

— Heb je een auto ?

— Heb je een auto ?

— Dat is zijn auto.

— Ik heb een auto.

 

— Hij heeft een auto.

— Dit is mijn auto.

— Dit is mijn auto.

— Ik heb een probleem met mijn auto.

— Hij heeft geen geld voor een nieuwe auto.

 

— [ I’m in the car. ]

— [ Do you have a car? ]

— [ Have you got a car? ]

— [ That is his car. ]

— [ I have a car. ]

 

— [ He has a car. ]

— [ This is my car. ]

— [ This car is mine. ]

— [ I have a problem with my car. ]

— [ He does not have the money for buying a new car. ]

 

— Ze heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Ik heb een oude auto.

— Zijn auto lijkt op die van mij.

— Van wie is die auto ?

— Laten we met de auto gaan.

 

— Wat heb je gedaan met die auto ?

— Deze auto is snel.

— Welke auto is van je vader ?

— Voor zover ik weet komt hij met de auto.

— De auto van mijn vader is nieuw.

 

— [ She does not have the money for buying a new car. ]

— [ I have an old car. ]

— [ His car is similar to mine. ]

— [ Whose car is this? ]

— [ Let’s go by car. ]

 

— [ What did you do with that car? ]

— [ This car is fast. ]

— [ Which car is your father’s? ]

— [ As far as I know, he is coming by car. ]

— [ My father’s car is new. ]

 

— Ik heb een nieuwe auto voor haar gekocht.

— Ik was de auto voor het huis zonder problemen.

— Ik kocht haar een nieuwe auto.

— Weten jullie van wie deze auto is ?

— Ik ga naar de kerk met de auto.

 

— Ik heb haar een nieuwe auto gekocht.

— Zag de auto er oud uit ?

— Mijn vader heeft een nieuwe auto gekocht.

— Mijn vader heeft een nieuwe auto gekocht.

— Ik reis graag met mijn auto.

 

— [ I bought her a new car. ]

— [ I wash my car in front of the house without any problems. ]

— [ I bought her a new car. ]

— [ Do you know whose car this is? ]

— [ I go to church by car. ]

 

— [ I bought her a new car. ]

— [ Did the car look old? ]

— [ My father has bought a new car. ]

— [ My father bought a new car. ]

— [ I like to travel with my car. ]

 

[ 94 ] ZICH

— Hij houdt zich aan zijn woord.

— Zijn moeder maakt zich zorgen over hem.

— Meneer Brown heeft altijd een boek bij zich.

— Meneer Brown heeft altijd een boek bij zich.

— Wie maakt zich daar druk over ?

 

— Het spreekt voor zich dat geluk niet te koop is.

— Mensen moeten zich aan de regels houden.

— Ze voelde zich een beetje moe.

— Hoe voelde zij zich gisteren ?

— Hij dorst zich daar niet meer te laten zien.

 

— [ He keeps his word. ]

— [ His mother is worried about him. ]

— [ Mr Brown always carries a book with him. ]

— [ Mr. Brown always carries a book with him. ]

— [ Who cares about that? ]

 

— [ It goes without saying that you can’t buy happiness. ]

— [ People have to obey the rules. ]

— [ She felt a bit tired. ]

— [ How did she feel yesterday? ]

— [ He didn’t dare to show himself there anymore. ]

 

— Het is noodzakelijk dat iedereen zich aan deze regels houdt.

— Hij voelde zich moe.

— Een ongeval deed zich juist voor.

— Ze maakt zich zorgen om uw veiligheid.

— Ze wond zich op over de veiligheid van haar zoon.

 

— Hij kan het zich niet veroorloven om te trouwen.

— Zij boog zich over het kind.

— Ik vind het vreemd dat Alice zich zo lang stil houdt.

— Het kind voelde zich veilig in de armen van zijn moeder.

— Hij haastte zich om de trein niet te missen.

 

— [ It is necessary that everybody observe these rules. ]

— [ He felt tired. ]

— [ An accident just happened. ]

— [ She’s worrying for your safety. ]

— [ She became agitated about her son’s safety. ]

 

— [ He can’t afford to get married. ]

— [ She bent over the child. ]

— [ I think it strange that Alice should keep silence for such a long time. ]

— [ That child felt secure in his mother’s arms. ]

— [ He hurried so he wouldn’t miss the train. ]

 

— Ken zette zich naast mij.

— Het horloge dat je me gaf gedraagt zich vreemd.

— Ze voelde zich nogal moe.

— Toen ze wakker werden zagen ze een steen naast zich liggen.

— Hij moet zich bewust zijn van het gevaar.

 

— Hij bevindt zich nu in een heel moeilijke situatie.

— De grootste dierentuin van de wereld bevindt zich in Berlijn, Duitsland.

— Hij is zich van het gevaar bewust.

— Hij gedraagt zich als een kind.

— De satelliet bevindt zich in een baan om de maan.

 

— [ Ken sat next to me. ]

— [ The watch you gave me is behaving strangely. ]

— [ She was feeling kind of tired. ]

— [ When they woke up they saw a stone lying next to them. ]

— [ He must be aware of the danger. ]

 

— [ He is now in a very difficult situation. ]

— [ The world’s largest zoo is in Berlin, Germany. ]

— [ He is aware of his danger. ]

— [ He behaves like a child. ]

— [ The satellite is in orbit around the moon. ]

 

[ 95 ] VROEG

— Ze kan hier zo vroeg niet zijn.

— Wat vroeg hij je ?

— Ze vroeg hoe het met zijn vader ging.

— Hij staat niet vroeg op.

— Je moet vroeg naar huis gaan.

 

— Ze vroeg mij het te doen.

— Ik vroeg hem naar zijn naam.

— Mijn vader staat vroeg op.

— Mijn moeder staat nooit vroeg op.

— Het is te vroeg om naar bed te gaan.

 

— [ She cannot be here so early. ]

— [ What did he ask you? ]

— [ She asked how his father was. ]

— [ He does not get up early. ]

— [ You should go home early. ]

 

— [ She asked me to do it. ]

— [ I asked him what his name was. ]

— [ My father gets up early. ]

— [ My mother never gets up early. ]

— [ It’s too early to go to bed. ]

 

— Ze staat vroeg op.

— Ik vroeg haar of ik het boek kon lezen.

— Je staat niet zo vroeg op als je zus, toch ?

— Een kat ? vroeg de oude man.

— Ik vroeg aan mijn leraar wat ik nu moest doen.

 

— Ik ben niet gewoon vroeg op te staan.

— Zij staat altijd vroeg op.

— Ze vroeg om hulp, maar er kwam niemand.

— Hij vroeg me of ik hem een plezier kon doen.

— Hij vroeg mij om hulp.

 

— [ She gets up early. ]

— [ I asked her if I could read the book. ]

— [ You don’t get up as early as your sister, do you? ]

— [ A cat? asked the old man. ]

— [ I asked my teacher what I should do next. ]

 

— [ I’m not accustomed to getting up early. ]

— [ She always gets up early. ]

— [ She requested help, but no one came. ]

— [ He asked me if I could do him a favor. ]

— [ He asked me for help. ]

 

— Je hoeft niet zo vroeg op te staan.

— Je moet vroeg naar bed gaan.

— Ze vroeg mij om hulp.

— Ik vroeg hem om me te helpen.

— Ik vroeg me alleen af welke talen jij allemaal spreekt.

 

— Ik vroeg hem waar hij heen ging.

— Ze vroeg waar ik naartoe ging.

— Ik vond het nodig om iedere dag vroeg op te staan.

— Ik stond vroeg op om de eerste trein te nemen.

— Vroeg of laat zal hij er spijt van krijgen.

 

— [ You don’t have to get up so early. ]

— [ You should go to bed early. ]

— [ She asked me for help. ]

— [ I asked him to help me. ]

— [ I was just wondering what languages you can speak. ]

 

— [ I asked him where he was going. ]

— [ She asked me where I was going. ]

— [ I found it necessary to get up early every morning. ]

— [ I got up early in order to catch the first train. ]

— [ He will regret it sooner or later. ]

 

[ 96 ] KON

— Ik kon het niet meer aan.

— Ik wou dat ik terug in de tijd kon gaan.

— Ik kon me niet goed houden.

— Ik vroeg haar of ik het boek kon lezen.

— Ik kon niet alles zien.

 

— Ik kon niet alles zien.

— De koffie was zo heet, dat ik hem niet kon drinken.

— Ik wou dat je met ons mee kon komen.

— Hij vroeg me of ik hem een plezier kon doen.

— Weet jij waarom ze niet kon komen ?

 

— [ I couldn’t take it anymore. ]

— [ I wish I could go back in time. ]

— [ I could not help laughing. ]

— [ I asked her if I could read the book. ]

— [ I could not see anything. ]

 

— [ I couldn’t see everything. ]

— [ The coffee was so hot that I couldn’t drink it. ]

— [ I wish you could come with us. ]

— [ He asked me if I could do him a favor. ]

— [ Do you know why she couldn’t come? ]

 

— Hij kon niet komen, omdat hij ziek was.

— Iedereen wist dat ze goed Engels kon.

— Ik zou willen dat ik zo kon zingen als jij.

— Ik kon zijn huis niet vinden.

— Ik kon zijn huis niet vinden.

 

— Het is heel jammer dat je vrouw niet kon komen.

— Ze kon lezen toen ze vier was.

— Ze probeerde zo snel te lopen als ze kon.

— Ik kon mijn ogen niet geloven.

— Ik kon nauwelijks zien wie wie was.

 

— [ He could not come because he was ill. ]

— [ Everybody knew she could speak English well. ]

— [ I wish I could sing like you do. ]

— [ I failed in finding his house. ]

— [ I couldn’t find his house. ]

 

— [ It’s an awful shame your wife couldn’t come. ]

— [ She could read when she was four. ]

— [ She tried to run as fast as she could. ]

— [ I couldn’t believe my eyes. ]

— [ I could hardly tell who was who. ]

 

— De trein zat zo vol, dat niemand van ons kon zitten.

— Hij kon zijn eigen ogen niet geloven.

— Het zou leuk zijn als je kon zingen.

— Ik kon het met moeite zien.

— Ik ben blij dat ik kon u helpen vorige week.

 

— Hij kon niet heel snel lopen.

— Het spijt me dat ik je niet eerder kon schrijven.

— Als ik geld had, kon ik het kopen.

— Ik kon het nauwelijks zien.

— Ik kon het niet helpen te lachen toen ik hem zag.

 

— [ The train was so crowded that none of us could get a seat. ]

— [ He could not believe his eyes. ]

— [ It would be great if you could sing. ]

— [ I was hardly able to see it. ]

— [ I’m glad I was able to help you last week. ]

 

— [ He couldn’t run very fast. ]

— [ I’m sorry I couldn’t write to you sooner. ]

— [ If I had money, I could buy it. ]

— [ I was hardly able to see it. ]

— [ I could not help laughing when I saw him. ]

 

[ 97 ] DAG

— Vandaag is je dag niet.

— Vandaag is mijn dag niet.

— Vandaag is het niet jouw dag.

— Morgen is een nieuwe dag.

— Ik ben van plan morgen de hele dag thuis te zijn.

 

— Ik denk er elke dag over.

— Was je je hond elke dag ?

— Denk je dat het morgen een mooie dag wordt ?

— Weet je welke dag het is ?

— Het was een mooie dag.

 

— [ Today is not your day. ]

— [ Today is not my day. ]

— [ Today is not your day. ]

— [ Tomorrow’s a new day. ]

— [ I plan to stay at home all day tomorrow. ]

 

— [ I think about it every day. ]

— [ Do you wash your dog every day? ]

— [ Do you think tomorrow will be a nice day? ]

— [ Do you know what day it is? ]

— [ It was a beautiful day. ]

 

— Weet je die dag nog, dat we dat ongeluk gezien hebben ?

— Welke dag is het vandaag ?

— Het was zo koud, dat ik de hele dag thuis bleef.

— Wat een mooie dag !

— We moeten het werk binnen een dag doen.

 

— Hij zei mij dat hij de volgende dag zou beginnen.

— De dag is kort en er ligt veel werk.

— Ik schreef haar elke dag een brief.

— Ik ga iedere dag naar het werk.

— Het was die dag zondag, dus er was geen school.

 

— [ Do you remember the day when we saw the accident? ]

— [ What day is it today? ]

— [ It was so cold that I stayed at home all day. ]

— [ What a nice day it is! ]

— [ We have to do the work in a day. ]

 

— [ He told me that he would start the next day. ]

— [ The day is short and there’s a lot of work. ]

— [ I wrote her a letter every day. ]

— [ I go to work every day. ]

— [ That day was a Sunday, so there was no school. ]

 

— Vier jij de Dag van de Aarde ?

— Ze werkt dag en nacht.

— Ik vond het nodig om iedere dag vroeg op te staan.

— Ik ben even verliefd als de eerste dag.

— We zijn op dezelfde dag geboren.

 

— Hij begon de dag met een goed ontbijt.

— Ga je daar de hele dag blijven staan ?

— Er sterven elke dag veel goede mensen.

— Hij gaat daar elke dag naartoe.

— Sinds die dag zal hij me nooit meer groeten.

 

— [ Do you celebrate the Earth Day? ]

— [ She is working night and day. ]

— [ I found it necessary to get up early every morning. ]

— [ I am as much in love as on the first day. ]

— [ We were born on the same day. ]

 

— [ He started the day with a good breakfast. ]

— [ Are you just going to stand there all day? ]

— [ Many good people die every day. ]

— [ He goes there every day. ]

— [ From that day on, he’ll never say hello to me again. ]

 

[ 98 ] DRIE

— Zijn huis is drie keer zo groot als dat van mij.

— Hij is de vader van drie kinderen.

— Hij is de grootste van de drie.

— Hij is drie jaar ouder dan ik.

— Hij is drie jaar ouder dan ik.

 

— Hij is drie jaar ouder dan zij is.

— Het is bijna drie uur.

— Hij is drie jaar ouder dan zij.

— Ik heb hem al drie dagen niet meer gezien.

— Het is moeilijk om drie talen te spreken.

 

— [ His house is three times as big as mine. ]

— [ He is the father of three children. ]

— [ He is the tallest of the three. ]

— [ He’s three years older than me. ]

— [ He’s three years older than I am. ]

 

— [ He’s three years older than she is. ]

— [ It’s nearly three o’clock. ]

— [ He’s three years older than her. ]

— [ I haven’t seen him in three days. ]

— [ It’s hard to speak three languages. ]

 

— Waar waren jullie tussen één en drie uur ?

— Hij verdient drie keer meer dan ik.

— Mijn oom heeft drie kinderen.

— Ik ben drie jaar jonger dan hij.

— Hij verdient drie keer meer dan ik doe.

 

— Ik ben de oudste van de drie.

— Drie kinderen waren aan het spelen in het park.

— Ik heb drie uur nodig gehad om mijn huiswerk te maken.

— Hij verdient drie keer zoveel als ik.

— Ik ben de tweede uit drie kinderen.

 

— [ Where were you between one and three o’clock? ]

— [ He earns three times more than me. ]

— [ My uncle has three children. ]

— [ I am his junior by three years. ]

— [ He earns three times more than I do. ]

 

— [ I am the oldest of the three. ]

— [ Three children were playing in the park. ]

— [ It took me three hours to do my homework. ]

— [ He makes three times more money than I do. ]

— [ I’m the second oldest of three children. ]

 

— Ik ontmoette hem drie jaar geleden voor het eerst.

— Hij heeft drie broers.

— Dat is drie dagen geleden gebeurd.

— Mijn tante heeft drie kinderen.

— Mijn tante had drie kinderen.

 

— Mijn tante had drie kinderen.

— Ik ontmoet je zondag om drie uur.

— Hij is drie jaar geleden overleden.

— Wij zijn alle drie studenten.

— Zij heeft drie broers.

 

— [ I first met him three years ago. ]

— [ He has three brothers. ]

— [ That happened three days ago. ]

— [ My aunt has three children. ]

— [ My aunt had three kids. ]

 

— [ My aunt had three children. ]

— [ I’ll come and see you at 3:00 p.m. on Sunday. ]

— [ He died three years ago. ]

— [ All three of us are students. ]

— [ She has three brothers. ]

 

[ 99 ] LAAT

— Ik ben te laat, of niet ?

— Het is al te laat.

— Het is nu te laat om nog uit te gaan.

— Het is laat, ik moet gaan.

— Ik weet niet hoe laat het is.

 

— Ik weet niet hoe laat het is.

— Het is laat.

— Het is al laat.

— Tegen die tijd is het al te laat.

— Ik was te laat op school.

 

— [ I’m late, aren’t I? ]

— [ It’s already too late. ]

— [ It is too late to go out now. ]

— [ It’s late, I have to go. ]

— [ I don’t know what time it is. ]

 

— [ I don’t know what the time is. ]

— [ It’s late. ]

— [ It’s already late. ]

— [ By then it will already be too late. ]

— [ I was late to school. ]

 

— Laat dat maar aan mij over.

— Het is nooit te laat om te leren.

— Je bent altijd te laat.

— Hoe laat is het ?

— Het spijt mij dat ik te laat ben.

 

— Laat me niet alleen !

— Hoe laat ga je naar huis ?

— Ik laat het aan jou.

— Waarom ben je zo laat nog op ?

— Laat ik je hier nooit meer zien !

 

— [ Let me handle this. ]

— [ It is never too late to learn. ]

— [ You are always late. ]

— [ What time is it? ]

— [ Sorry to be late. ]

 

— [ Don’t leave me by myself! ]

— [ What time do you go home? ]

— [ I’ll leave it up to you. ]

— [ What keeps you up so late? ]

— [ I never want to see you here ever again! ]

 

— Het spijt me zeer dat ik zo laat ben !

— Hoe laat ga je naar school ?

— Waarom ben je altijd te laat ?

— Waarom ben je altijd te laat ?

— Laat het er allemaal uit.

 

— Laat hem het alleen doen.

— Ik vraag me af waarom hij te laat is.

— Hoe laat is school uit ?

— Ik vraag mij af waarom hij te laat is.

— Waarom ben je te laat ?

 

— [ Many apologies for being so late! ]

— [ What time do you leave for school? ]

— [ Why is it that you are always late? ]

— [ Why is it that you’re always late? ]

— [ Let it all out. ]

 

— [ Let him do it alone. ]

— [ I wonder why he is late. ]

— [ When is school over? ]

— [ I wonder why he is late. ]

— [ Why are you late? ]

 

[ 100 ] KWAM

— Hij kwam niet op tijd.

— Je kwam gisteren niet naar school.

— Ik kwam hier gisteren aan.

— Mijn zoon kwam naar mijn kamer.

— Ik kwam een oude vrouw tegen.

 

— Waarom kwam je uit de kamer ?

— Waarom kwam je de kamer uit ?

— De lange man kwam het huis uit.

— Zij kwam uit de kamer.

— Onze trein kwam op tijd.

 

— [ He didn’t come on time. ]

— [ You did not come to school yesterday. ]

— [ I arrived here yesterday. ]

— [ My son came to my room. ]

— [ I met an old woman. ]

 

— [ Why did you leave the room? ]

— [ Why did you leave the room? ]

— [ The tall man came out of the house. ]

— [ She came out of the room. ]

— [ Our train arrived on time. ]

 

— Ze vroeg om hulp, maar er kwam niemand.

— Waarom kwam je niet ?

— Ik kwam je broer tegen op straat.

— Waarom kwam ze niet ?

— Ik was een brief aan het schrijven toen hij kwam.

 

— Hij kwam de kamer binnen.

— Hij was de enige die naar het feestje kwam.

— De jongen kwam terug.

— Ze kwam elke keer als mijn zuster thuis was.

— Ik kwam hier aan rond vijf uur.

 

— [ She requested help, but no one came. ]

— [ Why didn’t you come? ]

— [ I ran into your brother on the street. ]

— [ Why didn’t she come? ]

— [ I was writing a letter when he came. ]

 

— [ He entered the room. ]

— [ He was the only one who came to the party. ]

— [ The boy came back. ]

— [ She came every time my sister was home. ]

— [ I arrived here about five o’clock. ]

 

— Ze kwam één keer toen mijn zuster thuis was.

— Er kwam nooit iemand op mijn verjaardag.

— Waarom kwam hij niet naar het feestje ?

— Hij kwam ons vragen hem te helpen.

— Ze kwam voorbij, zonder mij te zien.

 

— Ik wilde net een brief schrijven, toen hij thuis kwam.

— Ik wou dat ze hier deze avond kwam.

— Hij kwam in mijn buurt wonen.

— Mijn vader kwam gisteravond laat thuis.

— De trein kwam aan in Londen.

 

— [ She once came when my sister was home. ]

— [ Nobody would visit me on my birthday. ]

— [ Why didn’t he come to the party? ]

— [ He came to ask us to help him. ]

— [ She passed by without seeing me. ]

 

— [ I was just going to write a letter when he came home. ]

— [ I wanted her to come here this evening. ]

— [ He moved into my neighborhood. ]

— [ My father got home late last night. ]

— [ The train arrived in London. ]

 

[ 101 ] NU

— Het is nu te laat om nog uit te gaan.

— Het is beter voor je om het nu te doen.

— Ik denk dat ik nu ga.

— Ik heb nu geen tijd.

— Ik weet niet wat ik van nu af aan moet doen.

 

— Heb je nu tijd ?

— Ik heb nu wat geld.

— Moet ik nu gaan ?

— Ik wou dat hij hier was nu.

— Mijn zoon is nu zo groot als ik.

 

— [ It is too late to go out now. ]

— [ It is better for you to do it now. ]

— [ I guess I’ll be going now. ]

— [ I don’t have time now. ]

— [ I don’t know what to do from now on. ]

 

— [ Are you free now? ]

— [ I have a little money now. ]

— [ Do I have to go now? ]

— [ I wish he were here now. ]

— [ My son is now as tall as I am. ]

 

— Het spijt me, maar ik moet nu naar huis gaan.

— Nu weet ik waar ik aan toe ben !

— Ze is nu niet thuis.

— Ze is nu niet thuis.

— Nu weet ik het weer.

 

— Je had het nu wel af moeten hebben.

— Wat ga je nu doen ?

— Nu ik leraar ben denk ik er anders over.

— Wat doen we nu ?

— Of je het nu leuk vindt of niet, je moet gaan.

 

— [ I’m sorry, but I’ll have to go home now. ]

— [ Now I know my situation! ]

— [ She’s not at home now. ]

— [ She isn’t at home now. ]

— [ Now I remember. ]

 

— [ He should have finished it by now. ]

— [ What’re you going to do next? ]

— [ Now that I am teacher, I think otherwise. ]

— [ What do we do next? ]

— [ Whether you like it or not, you have to go. ]

 

— Of je het nu leuk vindt of niet, je moet gaan.

— Of je het nu leuk vindt of niet, je moet gaan.

— Nu of nooit !

— Nu ga je te ver.

— Ik vroeg aan mijn leraar wat ik nu moest doen.

 

— Ik heb nu niets nodig.

— Kan ik nu de sleutel hebben ?

— Waar gaan ze nu naar toe ?

— Waar woont u nu ?

— Ik ben nu erg moe.

 

— [ You have to go whether you like it or not. ]

— [ Like it or not, you have to go. ]

— [ It’s now or never. ]

— [ Now you’re going too far. ]

— [ I asked my teacher what I should do next. ]

 

— [ I don’t need anything now. ]

— [ Can I have the key now, please? ]

— [ Where are they going to right now? ]

— [ Where do you live now? ]

— [ I’m very tired now. ]

 

[ 102 ] NIEUWE

— Hij heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Ze heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Morgen is een nieuwe dag.

— Ik heb een nieuwe auto voor haar gekocht.

— Ik kocht haar een nieuwe auto.

 

— Ik heb haar een nieuwe auto gekocht.

— Mijn vader heeft een nieuwe auto gekocht.

— Mijn vader heeft een nieuwe auto gekocht.

— Ik heb een nieuwe fiets nodig.

— Ik kocht een nieuwe auto.

 

— [ He does not have the money for buying a new car. ]

— [ She does not have the money for buying a new car. ]

— [ Tomorrow’s a new day. ]

— [ I bought her a new car. ]

— [ I bought her a new car. ]

 

— [ I bought her a new car. ]

— [ My father has bought a new car. ]

— [ My father bought a new car. ]

— [ I need a new bicycle. ]

— [ I bought a new car. ]

 

— De school had een nieuwe leraar nodig.

— Ze is blij met haar nieuwe jurk.

— Wanneer komt zijn nieuwe roman uit ?

— Ik ben een nieuwe student.

— Ik ben een nieuwe student.

 

— Ik dacht net aan een nieuwe baan.

— Ik word de god van de nieuwe wereld.

— Hij maakte haar een nieuwe jas.

— Ik dacht dat je graag nieuwe dingen leerde.

— Mijn nieuwe jurk is rood.

 

— [ The school needed a new teacher. ]

— [ She’s pleased with her new dress. ]

— [ When will his new novel come out? ]

— [ I am a new student. ]

— [ I’m a new student. ]

 

— [ I was just thinking of a new job. ]

— [ I am the god of the new world. ]

— [ He made her a new coat. ]

— [ I thought you liked to learn new things. ]

— [ My new dress is red. ]

 

— Ik wil een nieuwe auto kopen.

— Ik ga een nieuwe auto kopen.

— Ik ga een nieuwe auto kopen.

— Ik koop een nieuwe auto.

— Ik wil een nieuwe fiets kopen.

 

— Ik zal een nieuwe kopen.

— Wanneer komt het nieuwe tijdschrift uit ?

— Ik kan me geen nieuwe fiets veroorloven.

— Mijn nieuwe schoenen zijn gemaakt van leer.

— Mijn grootmoeder maakte me een nieuwe jurk.

 

— [ I want to buy a new car. ]

— [ I am going to buy a new car. ]

— [ I’m going to buy a new car. ]

— [ I am buying a new car. ]

— [ I want to buy a new bicycle. ]

 

— [ I’ll buy a new one. ]

— [ When will the new magazine come out? ]

— [ I can’t afford to buy the new bicycle. ]

— [ My new shoes are made of leather. ]

— [ My grandmother made me a new dress. ]

 

[ 103 ] GOEDE

— Ik was geen goede moeder.

— Ze zei dat ze goede vrienden van haar waren.

— Je bent een goede jongen.

— Dit is ook een goede film.

— Niet alle boeken zijn goede boeken.

 

— Hij wordt een goede leraar.

— Het is een goede jongen en hij is heel sterk.

— Ik denk dat wij goede vrienden zouden kunnen zijn.

— Hoe gaat het met u ? Hebt u een goede reis gehad ?

— Voor zover ik weet was hij een goede student.

 

— [ I was not a good mother. ]

— [ She said that they were good friends of hers. ]

— [ You are a good boy. ]

— [ This is also a good movie. ]

— [ Not all books are good books. ]

 

— [ He will be a good teacher. ]

— [ He is a good boy, and he is very strong. ]

— [ I think we could be good friends. ]

— [ How are you? Did you have a good trip? ]

— [ As far as I know, he used to be a good student. ]

 

— Hij zal een goede echtgenoot zijn.

— Hij zal een goede echtgenoot zijn.

— Hij zal een goede echtgenoot zijn.

— Hij zal een goede echtgenoot zijn.

— Eerlijk gezegd denk ik dat hij een goede baas is.

 

— Ik ben op goede voet met hem.

— Ze is een heel goede lerares.

— Ze is een heel goede lerares.

— Er sterven elke dag veel goede mensen.

— Hij heeft geluk zo’n goede vrouw te hebben.

 

— [ He’ll make a good husband. ]

— [ He’ll become a good husband. ]

— [ He’ll be a good husband. ]

— [ He will be a good husband. ]

— [ Frankly speaking, I think he’s a good boss. ]

 

— [ I am on good terms with him. ]

— [ She is a very good teacher. ]

— [ She’s a very good teacher. ]

— [ Many good people die every day. ]

— [ He is fortunate having such a good wife. ]

 

— Ik wens haar een goede nacht.

— Hij was een goede koning.

— Er sterven elke dag goede mensen.

— Wij zijn goede vrienden.

— Ik wens u een goede reis.

 

— Ik kan goede verhalen schrijven als ik daar zin in heb.

— Hij is in goede gezondheid.

— Er zijn veel goede redenen om het niet te doen.

— Mijn beste vriend geeft me altijd goede raad.

— Slaap is nodig voor een goede gezondheid.

 

— [ I wish her a good night. ]

— [ He was a good king. ]

— [ Good people die every day. ]

— [ We are good friends. ]

— [ I wish you a pleasant voyage. ]

 

— [ I can write good stories when I feel like it. ]

— [ He is in good health. ]

— [ There are many good reasons not to do it. ]

— [ My best friend always gives me good advice. ]

— [ Sleep is necessary for good health. ]

 

[ 104 ] MOEDER

— Ik hou van mijn moeder.

— Mijn vader houdt van mijn moeder.

— Ik was geen goede moeder.

— Ik vind niet dat ze op haar moeder lijkt.

— Mijn moeder spreekt niet zo erg goed Engels.

 

— Mijn moeder is niet altijd thuis.

— Mijn moeder staat nooit vroeg op.

— Is dit waar je moeder werkt ?

— Haar moeder heeft haar gemaakt tot wat ze is.

— Mijn moeder heeft me gemaakt tot wat ik vandaag ben.

 

— [ I love my mum. ]

— [ My father loves my mother. ]

— [ I was not a good mother. ]

— [ I don’t think she takes after her mother. ]

— [ My mom doesn’t speak English very well. ]

 

— [ My mother is not always at home. ]

— [ My mother never gets up early. ]

— [ Is this where your mother works? ]

— [ Her mother has made her what she is. ]

— [ My mother made me what I am today. ]

 

— Hoe gaat het met jullie moeder ?

— Je moeder is heel jong, niet ?

— Mijn moeder kan niet komen.

— Ik weet niet wanneer mijn moeder terug zal komen.

— Zijn moeder wilde het niet doen.

 

— Het meisje lijkt op haar moeder.

— Is je moeder thuis ?

— Is je moeder thuis ?

— Mijn moeder houdt van muziek.

— Mijn moeder stierf toen ik nog een kind was.

 

— [ How’s your mother? ]

— [ Your mother is very young, isn’t she? ]

— [ My mother can’t come. ]

— [ I don’t know when my mother will come back. ]

— [ His mother didn’t want to do it. ]

 

— [ The girl resembles her mother. ]

— [ Is your mother at home? ]

— [ Is your mum at home? ]

— [ My mother loves music. ]

— [ My mother died when I was a kid. ]

 

— Je doet me denken aan je moeder.

— Je doet me denken aan mijn moeder.

— Mijn moeder staat eerder op dan ik.

— Mijn moeder was tot voor kort in het ziekenhuis.

— Mijn moeder was gisteravond tot laat op.

 

— U doet me denken aan uw moeder.

— Zijn moeder maakt zich zorgen over hem.

— Zijn moeder is een brief aan het schrijven.

— Zijn moeder en zus waren ziek.

— Mijn moeder is mooi.

 

— [ You remind me of your mother. ]

— [ You remind me of my mother. ]

— [ My mother gets up earlier than I do. ]

— [ My mother has been in the hospital until recently. ]

— [ My mother was up late last night. ]

 

— [ You remind me of your mother. ]

— [ His mother is worried about him. ]

— [ His mother is writing a letter. ]

— [ His mother and sister were sick. ]

— [ My mother is beautiful. ]

 

[ 105 ] ALLEEN

— Ze is niet meer alleen.

— Ik wil niet alleen gaan.

— Je zou niet alleen moeten gaan.

— Ik kan je hier niet alleen laten.

— Ik ben graag alleen.

 

— Ik weet alleen dit.

— Hij was helemaal alleen in het huis.

— Laat me niet alleen !

— Vind jij dat ik alleen zou moeten gaan ?

— Denk je dat hij het werk alleen gedaan heeft ?

 

— [ She isn’t alone anymore. ]

— [ I don’t want to go alone. ]

— [ You should not go alone. ]

— [ I can’t leave you here alone. ]

— [ I like being alone. ]

 

— [ I know only this. ]

— [ He was all alone in the house. ]

— [ Don’t leave me by myself! ]

— [ Do you think I should go by myself? ]

— [ Do you think he did the job on his own? ]

 

— Hij en alleen hij weet de hele waarheid.

— Laat hem het alleen doen.

— Laat me alleen gaan.

— Dat is omdat je niet alleen wilt zijn.

— Ik ken hem alleen van naam.

 

— Laat ons even alleen zijn.

— Laten we haar alleen laten.

— Als ik alleen thuis ben, is het te stil in huis.

— Waarom ben je alleen ?

— Enige tijd lang keek ze mij alleen maar aan.

 

— [ He and only he knows the whole truth. ]

— [ Let him do it alone. ]

— [ Let me go alone. ]

— [ It’s because you don’t want to be alone. ]

— [ I only know him by name. ]

 

— [ Give us a moment alone. ]

— [ Let’s leave her alone. ]

— [ When I’m home alone, the house is too quiet. ]

— [ Why are you alone? ]

— [ For a while she did nothing but stare at me. ]

 

— Ze liet hem toe alleen te gaan.

— Ik vroeg me alleen af welke talen jij allemaal spreekt.

— We hebben alleen maar thee.

— Je bent niet oud genoeg om alleen te gaan zwemmen.

— Ik wil alleen maar gewoon en gelukkig leven, zonder problemen.

 

— Hij werkt niet alleen niet, maar zal ook geen baan vinden.

— Ik zeg het alleen maar !

— Ik kan alleen maar wachten.

— Ze is niet alleen aardig, maar ook eerlijk.

— Ik voelde me alleen.

 

— [ She allowed him to go alone. ]

— [ I was just wondering what languages you can speak. ]

— [ We only have tea. ]

— [ You are not old enough to go swimming by yourself. ]

— [ I just want to live simply and happily, without troubles. ]

 

— [ He not only does not work but will not find a job. ]

— [ I’m just saying! ]

— [ I can only wait. ]

— [ She is not only kind but honest. ]

— [ I felt lonely. ]

 

[ 106 ] MAN

— Hij is al een man.

— Ik ben een oude man.

— De man die daar staat is mijn vader.

— Ik zal een man van u maken.

— Wie is die man ?

 

— Wie is die man die daar staat ?

— De jongen spreekt alsof hij een man is.

— Er staat een vreemde man voor het huis.

— Hij houdt hem voor een eerlijk man.

— Is je man thuis ?

 

— [ He’s already a man. ]

— [ I’m an old man. ]

— [ The man who is standing over there is my father. ]

— [ I will make a man of you. ]

— [ Who’s that man? ]

 

— [ Who’s that man standing over there? ]

— [ The boy talks as if he were a man. ]

— [ There is a strange man in front of the house. ]

— [ He considers him to be an honest man. ]

— [ Is your husband at home? ]

 

— De lange man kwam het huis uit.

— Een kat ? vroeg de oude man.

— Voor zover ik weet is hij een eerlijk man.

— Gisteren zag ze een grote man.

— Een man moet eerlijk zijn.

 

— Gisteren heeft hij een grote man gezien.

— Ik herinner mij de naam van die man heel goed.

— De man keek me aan.

— Is de man oud of jong ?

— Aan zijn vrienden kent men de man.

 

— [ The tall man came out of the house. ]

— [ A cat? asked the old man. ]

— [ As far as I know, he’s an honest man. ]

— [ She saw a tall man yesterday. ]

— [ A man must be honest. ]

 

— [ Yesterday he saw a big man. ]

— [ I remember that man’s name very well. ]

— [ The man looked at me. ]

— [ Is the man old or young? ]

— [ A man is known by the company he keeps. ]

 

— Hebt u deze man gezien ?

— Zoek een leven, man.

— Mijn leraar Chinees is een man.

— Hij is een zeer gevaarlijk man.

— Geef me mijn man terug !

 

— Hij is niet meer dezelfde man als vroeger.

— Ik ken een man die goed Russisch spreekt.

— Ze antwoordde dat ze de man nooit eerder gezien had.

— De man heeft gelijk.

— Er is een man die op de boerderij werkt.

 

— [ Have you seen this man? ]

— [ Get a life, man. ]

— [ My Chinese teacher is a man. ]

— [ He is very a dangerous man. ]

— [ Give me back my husband! ]

 

— [ He’s not the same man he used to be. ]

— [ I know a man who can speak Russian well. ]

— [ She replied that she had never seen the man before. ]

— [ The man is right. ]

— [ There is a man working on the farm. ]

 

[ 107 ] TEGEN

— Tegen die tijd is het al te laat.

— Het probleem was dat ik niets tegen hem te zeggen had.

— Ik heb niets tegen hem te zeggen.

— Tegen de tijd dat je terug bent, zal zij weg zijn.

— Ik kwam een oude vrouw tegen.

 

— Spreekt ge tegen mij ?

— Ze zei geen woord tegen me.

— Zijn jullie voor of tegen zijn idee ?

— Als je zo tegen me doet, zeg ik niets meer.

— Ik moet het werk af hebben tegen vier uur.

 

— [ By then it will already be too late. ]

— [ The problem was that I had nothing to say to him. ]

— [ I’ve got nothing to say to him. ]

— [ By the time you get back, she’ll have left. ]

— [ I met an old woman. ]

 

— [ Are you talking to me? ]

— [ She didn’t say even one word to me. ]

— [ Are you for or against his idea? ]

— [ If you turn on me like that, I won’t say another word. ]

— [ I have to finish the work by four o’clock. ]

 

— Ik kan niet meer tegen deze pijn.

— Ze heeft geen woord tegen me gezegd.

— Ik kwam je broer tegen op straat.

— Alles wat je zegt kan en zal tegen je gebruikt worden.

— Ik kom thuis tegen zes uur.

 

— Ik heb geen zin tegen iemand te praten.

— Ge moet zeker tegen zondag klaar zijn.

— Ze begon tegen de hond te praten.

— Ze werden gedwongen hun huis tegen hun wil in te verlaten.

— Hij beloofde dat tegen niemand te zeggen.

 

— [ I cannot bear the pain any more. ]

— [ Not a word did she say to me. ]

— [ I ran into your brother on the street. ]

— [ Anything you say can and will be used against you. ]

— [ I’ll come home by six o’clock. ]

 

— [ I don’t feel like talking to anybody. ]

— [ It is imperative for you to finish by Sunday. ]

— [ She began to talk to the dog. ]

— [ They were forced to leave the house against their will. ]

— [ He promised not to tell that to anyone. ]

 

— In mijn droom kwam ik een wolf tegen.

— Ze was heel aardig tegen iedereen.

— Ik vond het moeilijk om vriendelijk te zijn tegen anderen.

— Praat niet zo tegen hem.

— Ik heb er bezwaar tegen dat ze daar alleen heen gaat.

 

— Hij was erg vriendelijk tegen iedereen.

— Hoe durf je zoiets tegen me te zeggen ?

— De informatie over de veiligheid van dat medicijn spreekt elkaar tegen.

— Het is tegen de regels op kantoor te roken.

— Ik kwam dat restaurant toevallig tegen.

 

— [ In my dream, I encountered a wolf. ]

— [ She was very kind to everyone. ]

— [ I found it difficult to be kind to others. ]

— [ Don’t speak to him like that. ]

— [ I object to her going there alone. ]

 

— [ He was very friendly to everybody. ]

— [ How dare you say such a thing to me? ]

— [ There is conflicting information regarding that drug’s safety. ]

— [ It’s against the rules to smoke at the office. ]

— [ I found that restaurant by accident. ]

 

[ 108 ] KAMER

— Is er een kamer voor mij ?

— De kamer van mijn vader is heel groot.

— Mijn kamer is twee keer zo groot als die van hem.

— Er zijn veel boeken in mijn kamer.

— Er is niemand in de kamer.

 

— Hij is in zijn kamer aan het spelen.

— Heb je een eigen kamer ?

— Ik heb een telefoon op mijn kamer.

— Ik wil mijn eigen kamer.

— Mijn zoon kwam naar mijn kamer.

 

— [ Is there any room for me? ]

— [ My father’s room is very big. ]

— [ My room is twice as big as his. ]

— [ There are many books in my room. ]

— [ There’s no one in the room. ]

 

— [ He is playing in his room. ]

— [ Do you have a room of your own? ]

— [ I have a telephone in my room. ]

— [ I want my own room. ]

— [ My son came to my room. ]

 

— Waarom kwam je uit de kamer ?

— Waarom kwam je de kamer uit ?

— Zij kwam uit de kamer.

— Deze kamer is groot genoeg.

— Het was donker en koud in de kamer.

 

— Hij ging de kamer binnen.

— Elk van zijn kinderen heeft een eigen kamer.

— Hij ging zijn kamer binnen.

— Er is een televisie in deze kamer.

— Er is een televisie in deze kamer.

 

— [ Why did you leave the room? ]

— [ Why did you leave the room? ]

— [ She came out of the room. ]

— [ This room is large enough. ]

— [ It was dark and cold in the room. ]

 

— [ He came into the room. ]

— [ Each of his children has his own room. ]

— [ He entered his room. ]

— [ There is a television in the room. ]

— [ There is a television in this room. ]

 

— Hij kwam de kamer binnen.

— Hij ging de kamer in met zijn hoed af.

— Hij stond op in de kamer en keek rond.

— De kamer was warm.

— De kamer was zo donker dat we helemaal niets konden zien.

 

— Kom me alsjeblieft even helpen in mijn kamer.

— Er was niets in de kamer, behalve een oude stoel.

— Lezen in een donkere kamer is niet goed.

— Ik wil graag een kamer met uitzicht op de tuin.

— Ik werd wakker en zag een inbreker in mijn kamer.

 

— [ He entered the room. ]

— [ He entered the room with his hat off. ]

— [ He stood up in the room and looked around. ]

— [ The room was warm. ]

— [ The room was so dark that we could see nothing at all. ]

 

— [ Please come to my room to help me. ]

— [ There was nothing but an old chair in the room. ]

— [ It’s not good to read in a dark room. ]

— [ I’d like a room facing the garden. ]

— [ I awoke to find a burglar in my room. ]

 

[ 109 ] HOUDT

— Weet hij dat je van hem houdt ?

— Hij houdt van haar.

— Ik heb een vriend die van mij houdt.

— Ik heb een vriend die van mij houdt.

— Ze houdt van hem.

 

— Ik hou van haar en zij houdt van mij.

— Mijn vader houdt van mijn moeder.

— Hij houdt zich aan zijn woord.

— Hij houdt hem voor een eerlijk man.

— Zij houdt van niemand en niemand houdt van haar.

 

— [ Does he know that you love him? ]

— [ He loves her. ]

— [ I have a friend who loves me. ]

— [ I have a boyfriend who loves me. ]

— [ She is in love with him. ]

 

— [ I love her and she loves me. ]

— [ My father loves my mother. ]

— [ He keeps his word. ]

— [ He considers him to be an honest man. ]

— [ She likes no one and no one likes her. ]

 

— Hij houdt niet van koffie.

— Ze houdt van de jongen alsof het haar eigen kind was.

— Hij houdt van eten.

— Ze houdt erg van muziek.

— Mijn moeder houdt van muziek.

 

— Hij houdt zijn woord.

— Ze zegt dat ze van bloemen houdt.

— Ze zegt dat ze van bloemen houdt.

— Iedereen houdt van haar.

— Mijn vriendin houdt er ook van om te drinken.

 

— [ He doesn’t like coffee. ]

— [ She loves the boy as if he were her own child. ]

— [ He has a good appetite. ]

— [ She likes music very much. ]

— [ My mother loves music. ]

 

— [ He keeps his word. ]

— [ She says that she likes flowers. ]

— [ She says she likes flowers. ]

— [ Everybody loves her. ]

— [ My girlfriend also loves to drink. ]

 

— Ik weet dat hij me in het oog houdt.

— Wie houdt van oorlog ?

— Ze houdt heel erg van katten.

— Ik hou van honden en mijn zus houdt van katten.

— Zij houdt erg van vissen.

 

— Hij houdt van vissen.

— Het is noodzakelijk dat iedereen zich aan deze regels houdt.

— Mijn lief houdt niet van mij.

— Hij houdt van sport en ook van studeren.

— Hij houdt van zwemmen.

 

— [ I know he is watching me. ]

— [ Who loves war? ]

— [ She really likes cats a lot. ]

— [ I like dogs and my sister likes cats. ]

— [ She loves to fish. ]

 

— [ He loves to fish. ]

— [ It is necessary that everybody observe these rules. ]

— [ My lover doesn’t love me. ]

— [ He likes sports as well as study. ]

— [ He likes to swim. ]

 

[ 110 ] GISTEREN

— Ik ben niet van gisteren.

— Je was niet op school gisteren.

— Hij was gisteren niet op school.

— Gisteren was u niet op school.

— Het is vandaag niet zo heet als gisteren.

 

— Het is vandaag niet zo heet als gisteren.

— Je kwam gisteren niet naar school.

— Ik kwam hier gisteren aan.

— Vandaag is het niet zo koud als gisteren.

— Ik ging gisteren naar school.

 

— [ I was not born yesterday. ]

— [ You were absent from school yesterday. ]

— [ He was absent from school yesterday. ]

— [ You were absent from school yesterday. ]

— [ It is not so hot today as yesterday. ]

 

— [ It’s not as hot today as it was yesterday. ]

— [ You did not come to school yesterday. ]

— [ I arrived here yesterday. ]

— [ It isn’t anything like as cold as it was yesterday. ]

— [ I went to school yesterday. ]

 

— Gisteren was het niet zo heel koud.

— Het is vandaag niet zo warm als gisteren.

— Het is vandaag niet zo warm als gisteren.

— Het was heet gisteren.

— Het was heet gisteren.

 

— Dit is het horloge dat ik gisteren gekocht heb.

— Dit is het horloge dat ik gisteren gekocht heb.

— Gisteren zag ze een grote man.

— Gisteren heeft hij een grote man gezien.

— Ik heb haar gisteren gezien.

 

— [ It was not very cold yesterday. ]

— [ It is not so hot today as yesterday. ]

— [ It’s not as hot today as it was yesterday. ]

— [ It was hot yesterday. ]

— [ Yesterday was hot. ]

 

— [ This is the watch I bought yesterday. ]

— [ This is the watch that I bought yesterday. ]

— [ She saw a tall man yesterday. ]

— [ Yesterday he saw a big man. ]

— [ I saw her yesterday. ]

 

— Gisteren heb ik een boek gekocht.

— Gisteren heb ik een boek gekocht.

— Gisteren heb ik een boek gekocht.

— Deze horloge lijkt op die die ik gisteren verloren heb.

— Het was gisteren koud.

 

— Dit is de jongen die ik hier gisteren ontmoette.

— Zij moet het gisteren gedaan hebben.

— Vandaag is zo warm als gisteren.

— Het is vandaag minder koud dan gisteren.

— Ze hebben ons gisteren gezien.

 

— [ I bought a book yesterday. ]

— [ Yesterday I bought a book. ]

— [ Yesterday, I bought a book. ]

— [ This watch is similar to mine I lost yesterday. ]

— [ It was cold yesterday. ]

 

— [ This is the boy I met there yesterday. ]

— [ She must have done it yesterday. ]

— [ It is as hot a day as yesterday. ]

— [ It is less cold today than it was yesterday. ]

— [ They saw us yesterday. ]

 

[ 111 ] JIJ

— Wat denk jij van hem ?

— Ik hou meer van jou dan jij van mij.

— Denk jij dat hij op zijn vader lijkt ?

— Jij bent alles wat ik wil.

— Ik denk dat wat jij zegt waar is.

 

— Wat zou jij zeggen als je mij was ?

— Weet jij of ze al dan niet Engels kan spreken ?

— Vind jij dat ik alleen zou moeten gaan ?

— Ze is twee jaar ouder dan jij.

— Ze is twee jaar ouder dan jij.

 

— [ What do you think of him? ]

— [ I love you more than you love me. ]

— [ Do you think he resembles his father? ]

— [ All I want is you. ]

— [ I think what you say is true. ]

 

— [ What would you say if you were in my place? ]

— [ Do you know whether or not she can speak English? ]

— [ Do you think I should go by myself? ]

— [ She is two years older than you. ]

— [ She’s two years older than you. ]

 

— Kan jij dit doen in plaats van mij ?

— Jij bent bang voor hem.

— Ik ga wanneer jij ook gaat.

— Het lijkt erop dat jij iets weet dat ik niet weet.

— Hij is tien jaar ouder dan jij.

 

— Weet jij of ze Engels kan spreken ?

— Weet jij waar ze geboren is ?

— Weet jij wie zij zijn ?

— We willen geen mensen zoals jij in deze stad.

— Ken jij de stad waar hij woont ?

 

— [ Could you do this instead of me? ]

— [ You’re afraid of him. ]

— [ I will go when you do. ]

— [ It would seem that you know something that I don’t. ]

— [ He’s ten years older than you. ]

 

— [ Do you know if she can speak English? ]

— [ Do you know where she was born? ]

— [ Do you know who they are? ]

— [ We don’t want people like you in this town. ]

— [ Do you know the town where he lives? ]

 

— Als jij het zegt.

— Jij bent ook een mooie !

— Weet jij waarom ze niet kon komen ?

— Wat maakt dat jij zo denkt ?

— Hij is ongeveer even oud als jij.

 

— Ik vroeg me alleen af welke talen jij allemaal spreekt.

— Vier jij de Dag van de Aarde ?

— Ik zou willen dat ik zo kon zingen als jij.

— Jij bent groter dan zij.

— Weet jij misschien hoe ze heet ?

 

— [ If you say so. ]

— [ You’re a nice one! ]

— [ Do you know why she couldn’t come? ]

— [ What is it that makes you think that way? ]

— [ He’s about the same age as you are. ]

 

— [ I was just wondering what languages you can speak. ]

— [ Do you celebrate the Earth Day? ]

— [ I wish I could sing like you do. ]

— [ You are taller than she is. ]

— [ Do you know by chance her name? ]

 

[ 112 ] HEBT

— En ik weet dat je het niet voor mij gedaan hebt.

— Ik denk dat je heel wat vragen hebt.

— Ik heb geen idee waar je het over hebt.

— Ik denk dat je het fout hebt.

— Hebt ge het niet koud ?

 

— Waarom heb je spijt van iets dat je niet gedaan hebt ?

— Eet waar je zin in hebt.

— Ik denk dat je een fout hebt gemaakt.

— Laat het me weten als je vragen hebt, alstublieft.

— Ik ben niet tevreden met wat je gedaan hebt.

 

— [ And I know you didn’t do it for me. ]

— [ I guess you’ve got a lot of questions. ]

— [ I have no idea what you’re talking about. ]

— [ I think you’re wrong. ]

— [ Don’t you feel cold? ]

 

— [ Why are you sorry for something you haven’t done? ]

— [ Help yourself to anything you’d like to eat. ]

— [ I think you have made a mistake. ]

— [ Please let me know if you have any questions. ]

— [ I’m not satisfied with what you’ve done. ]

 

— Ge hebt hem niet gezien.

— Ik ben niet tevreden met wat ge gedaan hebt.

— Ik wil weten wat je deze zomer gedaan hebt.

— Je hebt het gedaan !

— Wat hebt ge gedaan deze week ?

 

— Laat me zien wat je gekocht hebt.

— Als ge niets te zeggen hebt, zeg dan niets.

— Hebt ge tijd om mij te helpen ?

— Hebt u deze man gezien ?

— Hoe gaat het met u ? Hebt u een goede reis gehad ?

 

— [ You didn’t see him. ]

— [ I am not pleased with what you have done. ]

— [ I want to know what you did this summer. ]

— [ You’ve done it! ]

— [ What have you done this week? ]

 

— [ Show me what you bought. ]

— [ If you have nothing to say, say nothing. ]

— [ Do you have time to help me? ]

— [ Have you seen this man? ]

— [ How are you? Did you have a good trip? ]

 

— Wel wel ! Hoe hebt ge dat gedaan ?

— Wie je bent is belangrijker dan wat je hebt.

— Wie je bent is belangrijker dan wat je hebt.

— Weet hij wat gij gedaan hebt ?

— Laat eens zien wat je gekocht hebt.

 

— Ik neem aan dat je honger hebt.

— Laat zien wat ge gekocht hebt.

— Is dat wat je in gedachten hebt ?

— Je hebt het mis.

— Hebt ge een vraag over deze les ?

 

— [ How in the world did you do it? ]

— [ What you are is more important than what you have. ]

— [ It’s more important what you are than what you have. ]

— [ Does he know what you did? ]

— [ Will you show me what you bought? ]

 

— [ I suppose you’re hungry. ]

— [ Show me what you bought. ]

— [ Is that what you have in mind? ]

— [ You’re wrong. ]

— [ Do you have any question on this lesson? ]

 

[ 113 ] MORGEN

— Morgen kan het mij zijn.

— Ik was deze morgen niet op tijd op school.

— Morgen is een nieuwe dag.

— Ik ben van plan morgen de hele dag thuis te zijn.

— Denk je dat het morgen een mooie dag wordt ?

 

— Ik zal hem er morgen over vragen.

— Het is erg koud deze morgen.

— Je hoeft het morgen niet af te hebben.

— Ik zal hem morgen zien.

— Hij zei dat hij hier morgen terug zou komen.

 

— [ Tomorrow it might be me. ]

— [ I wasn’t on time for school this morning. ]

— [ Tomorrow’s a new day. ]

— [ I plan to stay at home all day tomorrow. ]

— [ Do you think tomorrow will be a nice day? ]

 

— [ I will ask him about it tomorrow. ]

— [ It is very cold this morning. ]

— [ You don’t need to finish it by tomorrow. ]

— [ I’m going to see him tomorrow. ]

— [ He said that he would come back here tomorrow. ]

 

— Morgen moet het werk af zijn.

— U moet niet komen morgen.

— Waar zult ge morgen zijn op dit uur ?

— Ik zal hem morgen de waarheid moeten zeggen.

— Heb je alles klaar voor morgen ?

 

— Komt het je uit morgen met het werk te beginnen ?

— Morgen op dit uur zouden we in Parijs moeten zijn.

— Denk je dat het morgen mooi weer wordt ?

— Ik geef ze morgen aan haar.

— Ik moet morgen een hoop werk doen.

 

— [ The work must be completed by tomorrow. ]

— [ You don’t have to come tomorrow. ]

— [ Where will you be this time tomorrow? ]

— [ I will have to tell him the truth tomorrow. ]

— [ Have you gotten everything ready for tomorrow? ]

 

— [ Will it be convenient for you to start work tomorrow? ]

— [ We should be in Paris by this time tomorrow. ]

— [ Do you think tomorrow will be a nice day? ]

— [ I’m giving them to her tomorrow. ]

— [ I have a lot of work to do tomorrow. ]

 

— Jullie moeten niet komen morgen.

— Morgen komt hij aan in Parijs.

— Morgen ga ik naar Parijs.

— Ik bel ze morgen, als ik weer terug ben.

— Mogelijk is het morgen goed.

 

— Misschien kan hij morgen komen.

— Vanaf morgen kunnen we samen naar het werk gaan.

— Ge zult morgen moeten komen.

— Ik zal morgen een brief schrijven.

— Deze morgen was er een aardbeving.

 

— [ You don’t have to come tomorrow. ]

— [ He arrives tomorrow, in Paris. ]

— [ Tomorrow I’m going to Paris. ]

— [ I’ll call them tomorrow when I come back. ]

— [ It may possibly be fine tomorrow. ]

 

— [ He may be able to come tomorrow. ]

— [ From tomorrow on we can go to work together. ]

— [ You will have to come tomorrow. ]

— [ I am going to write a letter tomorrow. ]

— [ There was an earthquake this morning. ]

 

[ 114 ] GELD

— Ik heb niet veel geld.

— Heb je veel geld bij je ?

— Het probleem is dat ik geen geld bij me heb.

— Ik weet dat geld niet alles is.

— Het probleem is dat hij geen geld heeft.

 

— Maar ik heb geen geld.

— Maar ik heb geen geld.

— Ik heb geen geld.

— Ik heb geen geld.

— Ik heb geen geld.

 

— [ I don’t have much money. ]

— [ Do you have much money with you? ]

— [ The trouble is that I have no money with me. ]

— [ I know that money isn’t everything. ]

— [ The trouble is he has no money. ]

 

— [ But I don’t have money. ]

— [ But I have no money. ]

— [ I do not have any money. ]

— [ I have no money. ]

— [ I don’t have any money. ]

 

— Ik heb geen geld.

— Het probleem is dat we niet veel geld hebben.

— Hij heeft geen geld voor een nieuwe auto.

— Hij wil het geld.

— Ze heeft geen geld voor een nieuwe auto.

 

— Ik wil geen geld.

— Ik weet niet of ik genoeg geld heb.

— Hij heeft veel geld.

— Ze had niet veel geld.

— Ik heb nu wat geld.

 

— [ I don’t have money. ]

— [ The problem is that we don’t have a lot of money. ]

— [ He does not have the money for buying a new car. ]

— [ He wants the money. ]

— [ She does not have the money for buying a new car. ]

 

— [ I do not want any money. ]

— [ I don’t know if I have enough money. ]

— [ He has a lot of money. ]

— [ She didn’t have much money. ]

— [ I have a little money now. ]

 

— Het heeft geen zin om me om geld te vragen.

— Ik heb niet zo veel geld als ge denkt.

— Het moet iets met geld te maken hebben.

— Het geld op tafel is niet van mij.

— Ik wil tijd in plaats van geld.

 

— Hij had niet genoeg geld.

— Hij deed het voor geld.

— Hij gaf me het geld terug.

— Het gaat allemaal om geld.

— Ik hield van mijn leven en mijn geld.

 

— [ It’s no use asking me for money. ]

— [ I don’t have as much money as you think. ]

— [ It must have something to do with money. ]

— [ The money on the table isn’t mine. ]

— [ I want time instead of money. ]

 

— [ He did not have enough money. ]

— [ He did it for the money. ]

— [ He gave me back the money. ]

— [ It’s all about money. ]

— [ I loved my life and my money. ]

 

[ 115 ] KEER

— Dat was niet de eerste keer.

— Zijn huis is drie keer zo groot als dat van mij.

— Mijn kamer is twee keer zo groot als die van hem.

— Dit is de eerste keer.

— Hij is twee keer zo oud als ik.

 

— Er is altijd een volgende keer.

— Er is altijd een volgende keer.

— Ik hoop wel dat je nog een keer komt.

— Kan je me je naam alsjeblieft nog een keer zeggen ?

— Ze ging voor de eerste keer naar Parijs.

 

— [ It wasn’t the first time. ]

— [ His house is three times as big as mine. ]

— [ My room is twice as big as his. ]

— [ This is the first time. ]

— [ He is twice as old as I am. ]

 

— [ There is always a next time. ]

— [ There’s always a next time. ]

— [ I do hope you will come again. ]

— [ Can you please tell me your name once more? ]

— [ She went to Paris for the first time. ]

 

— Deze doos is twee keer zo groot als die daar.

— Laat het me één keer zeggen.

— Tot de volgende keer.

— Hij verdient drie keer meer dan ik.

— De telefoon ging een paar keer over.

 

— Dit is de laatste keer.

— Lees het nog een keer.

— Ik herinner me de eerste keer nog.

— Hij verdient drie keer meer dan ik doe.

— Je bent twee keer zo sterk als ik.

 

— [ This box is twice as large as that one. ]

— [ Let me say this just once. ]

— [ Until next time. ]

— [ He earns three times more than me. ]

— [ The telephone rang several times. ]

 

— [ This is the last time. ]

— [ Read it once more. ]

— [ I still remember the first time. ]

— [ He earns three times more than I do. ]

— [ You are twice as strong as I. ]

 

— De volgende keer doe ik het zelf.

— De volgende keer doe ik het zelf.

— Ik heb hem een keer ontmoet.

— Ze kwam elke keer als mijn zuster thuis was.

— Deze keer zal ik het proberen.

 

— Ze kwam één keer toen mijn zuster thuis was.

— Hij verdient twee keer zoveel als ik.

— Herinner je je de keer dat we naar Parijs gingen ?

— Hij verdient drie keer zoveel als ik.

— Ik heb twee keer zoveel boeken gelezen als hij.

 

— [ Next time, I’ll do it myself. ]

— [ Next time I will do it myself. ]

— [ I met him once. ]

— [ She came every time my sister was home. ]

— [ This time I will try it. ]

 

— [ She once came when my sister was home. ]

— [ He earns twice as much as me. ]

— [ Do you remember the time we went to Paris? ]

— [ He makes three times more money than I do. ]

— [ I have read twice as many books as he has. ]

 

[ 116 ] SPREEKT

— Denk voor je spreekt.

— Mijn moeder spreekt niet zo erg goed Engels.

— Hij spreekt te snel.

— De jongen spreekt alsof hij een man is.

— Je spreekt goed Engels.

 

— Spreekt ge tegen mij ?

— Ze spreekt altijd Engels.

— Hij spreekt zeer goed Engels.

— Vraag hem eens of hij Japans spreekt.

— Iedereen spreekt goed over hem.

 

— [ Think before you speak. ]

— [ My mom doesn’t speak English very well. ]

— [ He talks too fast. ]

— [ The boy talks as if he were a man. ]

— [ You speak good English. ]

 

— [ Are you talking to me? ]

— [ She always speaks English. ]

— [ He speaks English very well. ]

— [ Ask him if he can speak Japanese. ]

— [ Everybody speaks well of him. ]

 

— Iedereen spreekt goed over hem.

— Spreekt er hier iemand Japans ?

— Spreekt u Engels ?

— Spreekt hier iemand Engels ?

— Hij spreekt goed Japans, maar ik kan geen Duits spreken.

 

— De hele wereld spreekt Engels.

— Ik vroeg me alleen af welke talen jij allemaal spreekt.

— Hoe spreekt men dit woord uit ?

— Hij spreekt Engels en Frans.

— Spreekt u Japans ?

 

— [ He is well spoken of by everybody. ]

— [ Does anyone here speak Japanese? ]

— [ Can you speak English? ]

— [ Does anyone here speak English? ]

— [ He speaks Japanese well, but I can’t speak German. ]

 

— [ The whole world speaks English. ]

— [ I was just wondering what languages you can speak. ]

— [ How do you pronounce this word? ]

— [ He speaks English and French. ]

— [ Do you speak Japanese? ]

 

— Wees niet bang om fouten te maken als je Engels spreekt.

— Kan ik met iemand praten die Japans spreekt ?

— Hij spreekt ook Frans.

— Iedereen spreekt een taal.

— Wees niet bang om fouten te maken wanneer je Engels spreekt.

 

— Ik ken een man die goed Russisch spreekt.

— Ik ga er vanuit dat je Frans spreekt.

— Het spreekt voor zich dat geluk niet te koop is.

— Als hij vloeiend Engels spreekt, neem ik hem aan.

— Onze leraar spreekt soms te snel.

 

— [ Don’t be afraid of making mistakes when speaking English. ]

— [ Can I talk to someone who speaks Japanese? ]

— [ He can also speak French. ]

— [ Everyone speaks a language. ]

— [ Don’t be afraid to make mistakes when speaking English. ]

 

— [ I know a man who can speak Russian well. ]

— [ I assume that you can speak French. ]

— [ It goes without saying that you can’t buy happiness. ]

— [ If he’s fluent in English, I’ll hire him. ]

— [ Our teacher sometimes speaks too fast. ]

 

[ 117 ] HOE

— Hoe weet ge dat het van hem is ?

— Ik weet niet hoe laat het is.

— Ik weet niet hoe laat het is.

— Hoe gaat het met je ?

— Hoe komt het dat je dit niet weet ?

 

— Hoe gaat het met je vader ?

— Hoe weet je dat ?

— Ze vroeg hoe het met zijn vader ging.

— Hoe gaat het vandaag met je ?

— Hoe komt het dat je zo goed Engels kan ?

 

— [ How do you know that it’s his? ]

— [ I don’t know what time it is. ]

— [ I don’t know what the time is. ]

— [ How are you? ]

— [ How come you don’t know this? ]

 

— [ How’s your father? ]

— [ How do you know that? ]

— [ She asked how his father was. ]

— [ How are you today? ]

— [ How come you know English so well? ]

 

— Het is niet wat je zegt, maar hoe je het zegt.

— Hoe gaat het met je broer ?

— Hoe gaat het met je vrouw ?

— Hoe gaat het met je vrouw ?

— Hoe laat is het ?

 

— Hoe gaat het met mijn vrouw ?

— Ik weet niet hoe oud ik ben.

— Weet je niet hoe hij heet ?

— Hoe laat ga je naar huis ?

— Hoe kan je dat niet weten ?

 

— [ It’s not what you say, but how you say it. ]

— [ How’s your brother? ]

— [ How’s your wife? ]

— [ How’s your wife doing? ]

— [ What time is it? ]

 

— [ How’s my wife doing? ]

— [ I don’t know how old I am. ]

— [ Don’t you know his name? ]

— [ What time do you go home? ]

— [ How can you not know? ]

 

— Hoe groot is het ?

— Hoe is het water hier ?

— En met jou, hoe gaat het met jou ?

— Hoe laat ga je naar school ?

— Hoe gaat het met jullie moeder ?

 

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

— Hoe dan ook, het gaat je niks aan.

— Hoe ver is het van hier ?

— Hoe gaat het ?

— Hoe heet is het vandaag nog !

 

— [ How large is it? ]

— [ How’s the water here? ]

— [ And you, how are you? ]

— [ What time do you leave for school? ]

— [ How’s your mother? ]

 

— [ In any case, it’s none of your business. ]

— [ In any case, it’s no business of yours. ]

— [ How far is it from here? ]

— [ How are you doing? ]

— [ How hot it is today! ]

 

[ 118 ] ALLES

— Dat is alles wat ik over hem weet.

— Dat is alles wat ik weet.

— Ik weet dat geld niet alles is.

— Het is alles wat ik wil doen.

— Dat is alles.

 

— Het is alles of niets.

— Ik zal alles voor u doen.

— Jij bent alles wat ik wil.

— Komt alles goed met je ?

— Alles wat hij zei, was waar.

 

— [ This is all that I know about him. ]

— [ That’s all I know. ]

— [ I know that money isn’t everything. ]

— [ It is all I want to do. ]

— [ That’s all. ]

 

— [ It’s all or nothing. ]

— [ I will do anything for you. ]

— [ All I want is you. ]

— [ Are you going to be OK? ]

— [ Everything he said was right. ]

 

— Alles wat hij zegt, is waar.

— Ik kon niet alles zien.

— Ik kon niet alles zien.

— Hij denkt dat hij alles weet.

— Ik heb alles wat ge wilt.

 

— Heb je alles klaar voor morgen ?

— Ik kan niet aan alles denken.

— Alles wat je zegt kan en zal tegen je gebruikt worden.

— Ik heb alles gezegd.

— Waarom vraagt ge dat, als ge alles weet ?

 

— [ All that he says is true. ]

— [ I could not see anything. ]

— [ I couldn’t see everything. ]

— [ He thinks he knows everything. ]

— [ I’ve got everything that you want. ]

 

— [ Have you gotten everything ready for tomorrow? ]

— [ I can’t think of everything. ]

— [ Anything you say can and will be used against you. ]

— [ I’ve said everything. ]

— [ Why are you asking if you know it all? ]

 

— Alles waar je goed in bent draagt bij aan geluk.

— Ik kan over alles praten met mijn beste vriend.

— We hebben alles voor ons deel gedaan.

— Hij trok alles terug wat hij gezegd had.

— Ik verloor alles wat ik had.

 

— Niemand kan alles weten.

— Hij geeft haar alles waar zij om vraagt.

— Ik heb je alles verteld.

— Niet alles is voor geld te koop.

— Vroeg of laat zal hij me alles vertellen.

 

— [ Anything you’re good at contributes to happiness. ]

— [ I can talk about anything with my best friend. ]

— [ We did everything for our part. ]

— [ He took back everything he said. ]

— [ I lost everything I had. ]

 

— [ Nobody can know everything. ]

— [ He gives her everything she asks for. ]

— [ I’ve told you everything. ]

— [ Not everything can be bought with money. ]

— [ He will tell me everything sooner or later. ]

 

[ 119 ] VANDAAG

— Vandaag is je dag niet.

— Vandaag is mijn dag niet.

— Is er nog iets dat je moet doen vandaag ?

— Hoe gaat het vandaag met je ?

— Ik heb zin om uit te gaan vandaag.

 

— Ik heb veel te doen vandaag.

— Het is vandaag niet zo heet als gisteren.

— Het is vandaag niet zo heet als gisteren.

— Vandaag gaat het mij goed.

— Vandaag is het niet jouw dag.

 

— [ Today is not your day. ]

— [ Today is not my day. ]

— [ Is there anything you need to do today? ]

— [ How are you today? ]

— [ I feel like going out today. ]

 

— [ I have a lot to do today. ]

— [ It is not so hot today as yesterday. ]

— [ It’s not as hot today as it was yesterday. ]

— [ I feel good today. ]

— [ Today is not your day. ]

 

— Heb je vandaag iets te doen ?

— Ik heb niets meer te doen vandaag.

— Vandaag komt mij niet goed uit.

— Dat is genoeg voor vandaag.

— Vandaag is het niet zo koud als gisteren.

 

— Mijn moeder heeft me gemaakt tot wat ik vandaag ben.

— Heb je vandaag school ?

— Hoe heet is het vandaag nog !

— De kinderen hebben geen school vandaag.

— Vandaag hou ik van de hele wereld.

 

— [ Are you busy today? ]

— [ I have nothing more to do today. ]

— [ Today is not good for me. ]

— [ That’s enough for today. ]

— [ It isn’t anything like as cold as it was yesterday. ]

 

— [ My mother made me what I am today. ]

— [ Do you have school today? ]

— [ How hot it is today! ]

— [ The children don’t have school today. ]

— [ Today I love the entire world. ]

 

— Het is niet koud vandaag.

— Dat was genoeg voor vandaag, ik ben moe.

— Het is heet vandaag.

— Het is vandaag niet zo warm als gisteren.

— Het is vandaag niet zo warm als gisteren.

 

— Ik heb het idee dat ze vandaag zal komen.

— Vandaag heb ik veel huiswerk.

— Welke dag is het vandaag ?

— Ik ga vandaag naar het ziekenhuis.

— Ik voel me niet goed vandaag.

 

— [ It is not cold today. ]

— [ That’s enough for today. I’m tired. ]

— [ It’s warm today. ]

— [ It is not so hot today as yesterday. ]

— [ It’s not as hot today as it was yesterday. ]

 

— [ I have a feeling that she’ll come today. ]

— [ Today, I have a lot of homework. ]

— [ What day is it today? ]

— [ I’ll go to the hospital today. ]

— [ I’m not feeling well today. ]

 

[ 120 ] BETER

— Dat huis is veel beter dan het deze.

— Het is beter voor je om het nu te doen.

— Dat huis is veel beter dan dit.

— Kunnen we zo niet beter gaan ?

— Iets is beter dan niets.

 

— Je ziet beter dan ik.

— Ik hoop dat je met een beter plan komt.

— Wat ik ook doe, zij zegt dat ik het beter kan.

— Beter laat dan nooit.

— We kunnen beter gaan.

 

— [ That house is much better than this. ]

— [ It is better for you to do it now. ]

— [ That house is much better than this. ]

— [ Hadn’t we better be going soon? ]

— [ Something is better than nothing. ]

 

— [ You have better sight than me. ]

— [ I hope you will come up with a better plan. ]

— [ Whatever I do, she says I can do better. ]

— [ Better late than never. ]

— [ We better be going. ]

 

— Je zou beter moeten weten.

— Hij zal snel beter worden.

— Hoe meer, hoe beter.

— Ik voel mij al veel beter.

— Beter niets doen, dan een fout te maken.

 

— Je kan beter zelf gaan.

— Hoe sneller je het doet, hoe beter het is.

— Ik wil beter begrijpen wat de zin van het leven is.

— Er zijn zaken die je beter niet weet.

— Hij kan beter piano spelen dan ik dat kan.

 

— [ You should have known better. ]

— [ He’ll get well soon. ]

— [ The more, the better. ]

— [ I feel much better already. ]

— [ It’s better to do nothing than to do something poorly. ]

 

— [ You may as well go yourself. ]

— [ The sooner you do it, the better it is. ]

— [ I want to better understand what the meaning of life is. ]

— [ There are things you better don’t know. ]

— [ He can play the piano better than I can. ]

 

— Ik voel me beter vandaag.

— Je kan veel beter zwemmen dan hij.

— Het is beter rijk te leven, dan rijk te sterven.

— Hij speelt beter piano dan ik.

— Je kunt beter wachten tot de politie komt.

 

— We zouden hier beter niet langer blijven.

— Je zou beter moeten weten nu je achttien bent.

— Mijn benen worden beter van dag tot dag.

— Ik vertel je beter de waarheid.

— Ze kan beter zingen dan wie ook in haar klas.

 

— [ I feel better today. ]

— [ You can swim much better than him. ]

— [ It is better to live rich, than to die rich. ]

— [ He’s better at the piano than I am. ]

— [ You had better wait until the police come. ]

 

— [ We had better not remain here any longer. ]

— [ You should know better now you are eighteen. ]

— [ My legs are getting better day by day. ]

— [ I’d better tell you the truth. ]

— [ She can sing better than anybody else in her class. ]

 

[ 121 ] WORDT

— Denk je dat het morgen een mooie dag wordt ?

— Hij wordt een goede leraar.

— Het wordt gezegd dat hij heel rijk is.

— Denk je dat het morgen mooi weer wordt ?

— Deze auto wordt gebruikt door mijn vader.

 

— Het wordt hoog tijd dat je naar bed gaat.

— Het Engels wordt door veel mensen gebruikt.

— Engels is een taal die over heel de wereld wordt gesproken.

— Het wordt tijd dat je naar de kapper gaat.

— Hij wordt snel moe.

 

— [ Do you think tomorrow will be a nice day? ]

— [ He will be a good teacher. ]

— [ They say he’s very rich. ]

— [ Do you think tomorrow will be a nice day? ]

— [ This car is used by my father. ]

 

— [ It is high time you were in bed. ]

— [ English is used by many people. ]

— [ English is a language spoken all over the world. ]

— [ It’s about time you went to the barber’s. ]

— [ He gets tired easily. ]

 

— In de winter wordt het vroeg donker.

— Eet je soep voor hij koud wordt.

— Hij wordt zeker vroeg of laat president.

— Het wordt minder.

— Wanneer de lente komt, wordt het warm.

 

— Deze oude tafel wordt nog steeds gebruikt.

— We hopen dat je snel beter wordt.

— Het wordt donker buiten.

— Engels wordt hier niet gesproken.

— Niemand wordt gelukkig van oorlog.

 

— [ The night falls fast in winter. ]

— [ Eat your soup before it gets cold. ]

— [ He is sure to become the President sooner or later. ]

— [ It’s abating. ]

— [ When spring comes, it gets warms. ]

 

— [ This old table is still in use. ]

— [ We are hoping for your quick recovery. ]

— [ It is getting dark outside. ]

— [ English is not spoken here. ]

— [ War doesn’t make anybody happy. ]

 

— De lucht wordt donker.

— De hele berg wordt rood in de herfst.

— Welke taal wordt er gesproken in de Verenigde Staten ?

— Er wordt gezegd dat de armen niet altijd ongelukkig zijn.

— Hij wordt vaak verliefd.

 

— Het wordt erger en erger.

— Ze wordt niet per maand betaald, maar per dag.

— Waar wordt boter van gemaakt ?

— Dit werkwoord wordt gewoonlijk alleen gebruikt in de derde persoon.

— Frans wordt in Frankrijk gesproken.

 

— [ The sky is getting dark. ]

— [ The whole mountain turns red in autumn. ]

— [ What language is spoken in the USA? ]

— [ It is said that the poor are not always unhappy. ]

— [ He often falls in love. ]

 

— [ Matters are getting worse and worse. ]

— [ She doesn’t get paid by the month, but by the day. ]

— [ What is butter made of? ]

— [ This verb is normally used only in the third person. ]

— [ French is spoken in France. ]

 

[ 122 ] WAREN

— Ze zei dat ze goede vrienden van haar waren.

— We waren hier een jaar geleden.

— Waar waren jullie tussen één en drie uur ?

— Er waren veel mensen in het park.

— Zijn moeder en zus waren ziek.

 

— We waren in het park aan het spelen.

— Drie kinderen waren aan het spelen in het park.

— Zij zijn getrouwd toen ze nog jong waren.

— Zij zijn getrouwd toen ze nog jong waren.

— Omdat al zijn vrienden ook arm waren.

 

— [ She said that they were good friends of hers. ]

— [ One year ago we were here. ]

— [ Where were you between one and three o’clock? ]

— [ There were a lot of people in the park. ]

— [ His mother and sister were sick. ]

 

— [ We were playing in the park. ]

— [ Three children were playing in the park. ]

— [ They married when they were young. ]

— [ They got married when they were still young. ]

— [ Because all his friends were poor, too. ]

 

— Ze waren moe van het wachten.

— We waren erg onder de indruk van zijn nieuw boek.

— Waren ze niet tevreden ?

— Er waren vier mensen in de auto wanneer het ongeval gebeurde.

— We waren van plan om daar ongeveer twee weken te blijven.

 

— De kinderen waren erg stil.

— Er waren geen rozen in de tuin.

— Toen waren we jonger.

— Er waren redelijk wat leerlingen niet in de les vandaag.

— Omdat het zondag was, waren de winkels niet open.

 

— [ They were tired of waiting. ]

— [ We were very impressed by his new book. ]

— [ Weren’t they satisfied? ]

— [ Four people were in the car when the accident happened. ]

— [ We intended to stay there about two weeks. ]

 

— [ The children were being very quiet. ]

— [ There weren’t any roses in the garden. ]

— [ We were younger then. ]

— [ There were quite a few students absent from class today. ]

— [ It being Sunday, the shops were not open. ]

 

— Er waren geen wolken vandaag.

— Ze waren beiden niet aanwezig op de vergadering.

— Er waren dit jaar minder ongelukken dan vorig jaar.

— We waren erg slaperig de volgende morgen.

— Er waren eens een arme man en een rijke vrouw.

 

— We waren zo opgewonden dat we niet stil konden zitten.

— Daar waren niet weinig interessante zaken te zien.

— Toen ze op vakantie waren zorgden hun buren voor de hond.

— Toen ze op vakantie waren zorgden hun buren voor de hond.

— Zij waren geboren in Thailand.

 

— [ There were no clouds today. ]

— [ Both of them were not present at the meeting. ]

— [ There were fewer accidents this year than last. ]

— [ We were very sleepy the next morning. ]

— [ Once upon a time, there lived a poor man and a rich woman. ]

 

— [ We were so excited that we couldn’t sit still. ]

— [ There were quite a few interesting things to see. ]

— [ While they were away on holiday, their neighbours looked after the dog. ]

— [ While they were away on vacation, their neighbors looked after the dog. ]

— [ They were born in Thailand. ]

 

[ 123 ] WIE

— Hij weet niet wie ik ben.

— Over wie heb je het ?

— Over wie heb je het ?

— Wie denk je dat ik ben ?

— Van wie is dat boek ?

 

— Van wie is dat boek ?

— Ik weet wie ik ben.

— Van wie is die auto ?

— Om het even wie van u kan het doen.

— Wie ben ik ?

 

— [ He doesn’t know who I am. ]

— [ To whom are you referring? ]

— [ Who are you talking about? ]

— [ Who do you think I am? ]

— [ Whose book is that? ]

 

— [ Whose is that book? ]

— [ I know who I am. ]

— [ Whose car is this? ]

— [ Any of you can do it. ]

— [ Who am I? ]

 

— Ik weet wie in dit huis woont.

— Wie niet kan vragen, kan niet leven.

— Wie is die man ?

— Weet je wie zij is ?

— Weet je wie zij is ?

 

— Wie is die man die daar staat ?

— Wie is die vrouw die daar staat ?

— Van wie is die fiets ?

— Ik vraag me af wie dat meisje is.

— Wie is deze vrouw ?

 

— [ I know who lives in this house. ]

— [ He that cannot ask cannot live. ]

— [ Who’s that man? ]

— [ Do you know who she is? ]

— [ You know who she is? ]

 

— [ Who’s that man standing over there? ]

— [ Who’s that woman standing over there? ]

— [ Whose bicycle is that? ]

— [ I wonder who that girl is. ]

— [ Who is this woman? ]

 

— Wie is de volgende ?

— Weten jullie van wie deze auto is ?

— Ik zou graag willen weten wie mijn ouders zijn.

— Wie is dat meisje ?

— Weet jij wie zij zijn ?

 

— Wie neemt nog tijd voor een lange brief aan een vriend ?

— Ik weet niet aan wie ik advies moet vragen.

— Zeg haar dat ik weet wie zij is.

— En wie zou niet hetzelfde gedaan hebben ?

— Wie is uw leraar ?

 

— [ Who is next? ]

— [ Do you know whose car this is? ]

— [ I would like to know who my parents are. ]

— [ Who is this girl? ]

— [ Do you know who they are? ]

 

— [ Who still takes time for a long letter to a friend? ]

— [ I don’t know who to ask for advice. ]

— [ Tell her that I know who she is. ]

— [ And who would not have done the same? ]

— [ Who is your teacher? ]

 

[ 124 ] ZONDER

— Ik zal mijn leven leven, met of zonder haar.

— Zonder jou kan ik niet leven.

— Ga maar zonder mij.

— Ik kan leven zonder water.

— Zonder water kunnen we niet.

 

— Ik was de auto voor het huis zonder problemen.

— Zonder jou ben ik niets.

— Men kan niet leven zonder water.

— Een leven zonder liefde heeft helemaal geen zin.

— We gingen zonder hem, omdat hij nog niet klaar was.

 

— [ I’m going to live my life, with or without her. ]

— [ I can’t live without you. ]

— [ You go on without me. ]

— [ I can live without water. ]

— [ Water is indispensable to us. ]

 

— [ I wash my car in front of the house without any problems. ]

— [ Without you I am nothing. ]

— [ One can’t live without water. ]

— [ Life without love has no meaning at all. ]

— [ We went without him since he wasn’t ready. ]

 

— We kunnen niet leven zonder lucht.

— Mensen kunnen niet leven zonder lucht.

— Wat zou de wereld zonder vrouwen zijn ?

— Ik deed het zonder iemand om advies te vragen.

— Ik heb geleerd te leven zonder haar.

 

— Ik wil alleen maar gewoon en gelukkig leven, zonder problemen.

— Ze kwam voorbij, zonder mij te zien.

— Zonder zon zouden we niet kunnen leven.

— Ga verder zonder mij.

— Kan je je voorstellen hoe het leven zou zijn zonder televisie ?

 

— [ We cannot live without air. ]

— [ Man cannot live without air. ]

— [ What would the world be without women? ]

— [ I did that without asking for anyone’s advice. ]

— [ I learned to live without her. ]

 

— [ I just want to live simply and happily, without troubles. ]

— [ She passed by without seeing me. ]

— [ If there was no sun, we would not be able to live. ]

— [ You go on without me. ]

— [ Can you imagine what life would be like without television? ]

 

— We gingen zonder hem, want hij was nog niet klaar.

— Je zou het niet hebben moeten doen zonder mijn toestemming.

— Ik kan niet zonder jouw raad.

— Hij kan niks zien zonder zijn bril.

— Ik ben een slot zonder een sleutel.

 

— Ga niet zonder hoed.

— Niemand kan het boek lezen zonder te huilen.

— Het zou me niet gelukt zijn zonder zijn hulp.

— Tot mijn grote verrassing ging de deur open zonder veel geluid.

— Hij komt zonder twijfel.

 

— [ We went without him, as he wasn’t ready. ]

— [ You should not have done it without my permission. ]

— [ I can’t do without your advice. ]

— [ He cannot see anything without his glasses. ]

— [ I’m a lock without a key. ]

 

— [ Don’t go without a hat. ]

— [ No one can read the book without crying. ]

— [ I would have failed without his help. ]

— [ Much to my surprise, the door opened noiselessly. ]

— [ Without a doubt he’ll come. ]

 

[ 125 ] KOMT

— Ik denk dat hij niet komt.

— Ik denk niet dat hij komt.

— Ik denk niet dat hij komt.

— Ik denk niet dat hij komt.

— Hoe komt het dat je dit niet weet ?

 

— Hoe komt het dat je zo goed Engels kan ?

— Het maakt mij niet uit of hij wel of niet komt.

— Ik zal het hem vragen als hij komt.

— Ik weet niet wanneer hij komt.

— Vandaag komt mij niet goed uit.

 

— [ I think he won’t come. ]

— [ I think he won’t come. ]

— [ I do not think that he will come. ]

— [ I don’t think he will come. ]

— [ How come you don’t know this? ]

 

— [ How come you know English so well? ]

— [ It makes no difference to me whether he comes or not. ]

— [ I’ll ask him if he will come. ]

— [ I don’t know when he will come. ]

— [ Today is not good for me. ]

 

— Komt alles goed met je ?

— Hij komt ook niet.

— Ik wil niet dat je in de problemen komt.

— Ik zal hem vragen of hij komt.

— Het doet er niet toe of hij komt of niet.

 

— Voor zover ik weet komt hij met de auto.

— Ik weet zeker dat hij komt.

— Ik weet zeker dat hij komt.

— Wanneer komt het u uit ?

— Weet je, wanneer ze komt ?

 

— [ Are you going to be OK? ]

— [ He isn’t coming, either. ]

— [ I don’t want to get you into trouble. ]

— [ I’ll ask him if he will come. ]

— [ It doesn’t matter whether he comes or not. ]

 

— [ As far as I know, he is coming by car. ]

— [ He is sure to come. ]

— [ I’m certain that he’ll come. ]

— [ When would it be convenient for you? ]

— [ Do you know when she will come? ]

 

— Hij weet zeker dat hij komt.

— Ik hoop dat je met een beter plan komt.

— Ik hoop wel dat je nog een keer komt.

— Ik weet niet zeker wanneer hij op komt dagen.

— Hij komt vaak laat op school.

 

— Hij komt vaak laat op school.

— Hier komt de trein !

— Komt het je uit morgen met het werk te beginnen ?

— Hij komt zeker niet.

— Af en toe komt zij te laat naar school.

 

— [ He is sure that he will come. ]

— [ I hope you will come up with a better plan. ]

— [ I do hope you will come again. ]

— [ I’m not sure when he’ll turn up. ]

— [ He is often late for school. ]

 

— [ He often comes late to school. ]

— [ Here comes the train! ]

— [ Will it be convenient for you to start work tomorrow? ]

— [ He’s definitely not coming. ]

— [ She’s sometimes late for school. ]

 

[ 126 ] HUN

— Dit is hun huis.

— Hij is hun enige kind.

— Ze hadden het naar hun zin op het feest.

— Ouders houden van hun kinderen.

— Kinderen doen eerder hun vrienden dan hun ouders na.

 

— Ze werden gedwongen hun huis tegen hun wil in te verlaten.

— Ze hebben hun ouders bezocht gisteren.

— De meeste mensen schrijven over hun dagelijks leven.

— Hun oudste dochter is nog niet getrouwd.

— Heb je hun nieuwe appartement gezien ?

 

— [ This is their house. ]

— [ He’s their only child. ]

— [ They enjoyed themselves at the party. ]

— [ Parents love their children. ]

— [ Children imitate their friends rather than their parents. ]

 

— [ They were forced to leave the house against their will. ]

— [ They visited their parents yesterday. ]

— [ Most people write about their daily life. ]

— [ Their oldest daughter isn’t married yet. ]

— [ Have you seen their new apartment? ]

 

— Kinderen geloven wat hun ouders ze vertellen.

— De mensen hebben hun land gered van de vijand.

— Toen ze op vakantie waren zorgden hun buren voor de hond.

— Toen ze op vakantie waren zorgden hun buren voor de hond.

— Het is een van hun betere liedjes.

 

— Kinderen luisteren niet altijd naar hun ouders.

— Dat was waarschijnlijk wat hun beslissing beïnvloed heeft.

— Spreek geen kwaad van anderen achter hun rug om.

— Hun financiële problemen begonnen in de tweede helft van het jaar.

— Kinderen moeten hun ouders gehoorzamen.

 

— [ Children will believe what their parents tell them. ]

— [ The people saved their country from the enemies. ]

— [ While they were away on holiday, their neighbours looked after the dog. ]

— [ While they were away on vacation, their neighbors looked after the dog. ]

— [ It’s one of their better songs. ]

 

— [ Children don’t always listen to their parents. ]

— [ That was probably what influenced their decision. ]

— [ Never speak ill of others behind their back. ]

— [ Their financial problems began in the second half of the year. ]

— [ Children are to obey their parents. ]

 

— Hun werk is het toevoegen van voorbeelden aan het woordenboek.

— Ze zijn fier over hun dochter.

— Sommige mensen in de oudheid zagen de zon als hun god.

— De moeilijkheden zijn hun bekend.

— Ze sparen hun geld voor de aankoop van een huis.

 

— Kinderen nemen de gewoontes van hun ouders over.

— Hun vliegtuig zal spoedig vertrekken.

— Ze gehoorzaamden hun ouders niet.

— De leerlingen gehoorzaamden hun leraar niet.

— Ze bereikten hun doel.

 

— [ Their job is to add examples to the dictionary. ]

— [ They are proud of their daughter. ]

— [ Some ancient people thought of the sun as their God. ]

— [ They are aware of the difficulties. ]

— [ They are saving their money for the purchase of a house. ]

 

— [ Children imitate their parents’ habits. ]

— [ Their plane will soon take off. ]

— [ They didn’t obey their parents. ]

— [ The students disobeyed their teacher. ]

— [ They attained their aim. ]

 

[ 127 ] STAAT

— Hij zou in staat zijn dat te doen.

— Hij staat niet vroeg op.

— De man die daar staat is mijn vader.

— Mijn vader staat vroeg op.

— Mijn moeder staat nooit vroeg op.

 

— Je staat in de weg.

— De fiets die daar staat is van mijn broer.

— Ze staat vroeg op.

— Wij zijn niet in staat om dat te doen.

— Wie is die man die daar staat ?

 

— [ That he would be able to do. ]

— [ He does not get up early. ]

— [ The man who is standing over there is my father. ]

— [ My father gets up early. ]

— [ My mother never gets up early. ]

 

— [ You are in my way. ]

— [ That bicycle over there is my brother’s. ]

— [ She gets up early. ]

— [ That we are not able to do. ]

— [ Who’s that man standing over there? ]

 

— Wie is die vrouw die daar staat ?

— Er staat een vreemde man voor het huis.

— Je staat niet zo vroeg op als je zus, toch ?

— Hij is in staat Japans te spreken.

— Zij staat altijd vroeg op.

 

— Ik ben in staat Engels te lezen.

— Ken je het meisje dat aan het raam staat ?

— Als je er op staat drink ik er nog een.

— Mijn moeder staat eerder op dan ik.

— Hoe laat staat gij op ?

 

— [ Who’s that woman standing over there? ]

— [ There is a strange man in front of the house. ]

— [ You don’t get up as early as your sister, do you? ]

— [ He is able to speak Japanese. ]

— [ She always gets up early. ]

 

— [ I am able to read English. ]

— [ Do you know the girl standing by the window? ]

— [ If you insist I’ll have another drink. ]

— [ My mother gets up earlier than I do. ]

— [ What time do you get up? ]

 

— Er staat een hond op de brug.

— Hoe laat staat ge gewoonlijk op ?

— Hij is niet in staat een auto te kopen.

— Iedereen in mijn gezin staat vroeg op.

— Er staat geen wind vandaag.

 

— Die stropdas staat je erg goed.

— Hij staat erop nog een spel te spelen.

— Mijn huis staat op een heuvel.

— Er staat iemand achter de muur.

— De stoel staat dicht bij de deur.

 

— [ There is a dog on the bridge. ]

— [ What time do you usually get up? ]

— [ He isn’t able to buy a car. ]

— [ Everyone in my family gets up early. ]

— [ There’s no wind today. ]

 

— [ That tie suits you very well. ]

— [ He insists on playing another game. ]

— [ My house is on a hill. ]

— [ Someone is standing behind the wall. ]

— [ The chair is close to the door. ]

 

[ 128 ] DAAR

— Ik denk dat je daar niet was.

— Ik was daar op tijd, maar ik zag je niet !

— Ik wist het niet, dat hij daar was.

— De man die daar staat is mijn vader.

— Hij ging naar daar in plaats van zijn vader.

 

— Daar heb ik veel over te zeggen.

— De fiets die daar staat is van mijn broer.

— Ik was daar niet echt zeker van.

— Ik was daar niet echt zeker van.

— Wie is die man die daar staat ?

 

— [ I guess you weren’t there. ]

— [ I was there on time, but I didn’t see you! ]

— [ I didn’t know that he was there. ]

— [ The man who is standing over there is my father. ]

— [ He went there instead of his father. ]

 

— [ I have much to say about it. ]

— [ That bicycle over there is my brother’s. ]

— [ I wasn’t quite sure about that. ]

— [ I wasn’t really certain of that. ]

— [ Who’s that man standing over there? ]

 

— Wie is die vrouw die daar staat ?

— Ze zal daar nooit over spreken.

— Ik ging daar omdat ik dat wou.

— Deze doos is twee keer zo groot als die daar.

— Er was niemand daar.

 

— Is daar iemand ?

— Er is geen reden waarom ik naar daar zou gaan.

— Ik wil dat hij daar naartoe gaat.

— Hoe gaan we daar komen ?

— Ik vind dat hij daar naartoe moet gaan.

 

— [ Who’s that woman standing over there? ]

— [ She will never talk about it. ]

— [ I went there because I wanted to. ]

— [ This box is twice as large as that one. ]

— [ There was nobody there. ]

 

— [ Is somebody there? ]

— [ There is no reason why I should go there. ]

— [ I want him to go there. ]

— [ How are we going to get there? ]

— [ I think he needs to go there. ]

 

— Ik kan daar niks over zeggen.

— Hij ging daar naartoe om Engels te leren.

— Daar houd ik je aan.

— Ben je daar echt in geïnteresseerd ?

— Zit daar niet te zitten, doe iets !

 

— Ga je daar de hele dag blijven staan ?

— Hij gaat daar elke dag naartoe.

— Daar heb ik niet aan gedacht.

— Je hoeft daar niet heen te gaan.

— Ik maak me daar geen zorgen over.

 

— [ I can’t say anything about that. ]

— [ He went there to learn English. ]

— [ I’ll hold you to that. ]

— [ Are you really interested in that? ]

— [ Don’t just sit there, do something! ]

 

— [ Are you just going to stand there all day? ]

— [ He goes there every day. ]

— [ I didn’t think of that. ]

— [ You don’t need to go there. ]

— [ I am not worried about it. ]

 

[ 129 ] EENS

— Ik kan het niet met je eens zijn.

— Ik denk dat ik het niet met je eens bent.

— Ik ben het met hem eens.

— Ik ben het helemaal met je eens.

— Ik wil het niet nog eens doen.

 

— Kan je dat nog eens doen ?

— Het heeft geen zin het hem nog eens te vragen.

— Denk er eens over na als je wil.

— Veel mensen zouden het met u eens zijn.

— Kan je dat nog eens zeggen ?

 

— [ I can’t agree with you. ]

— [ I guess I don’t agree with you. ]

— [ I agree with him. ]

— [ I quite agree with you. ]

— [ I don’t want to do it again. ]

 

— [ Can you do that again? ]

— [ It is no use asking him again. ]

— [ Please think about it. ]

— [ Many people would agree with you. ]

— [ Could you say that again? ]

 

— Laten we dit nog eens doen.

— Het was erg leuk je weer eens gezien te hebben.

— Vraag hem eens of hij Japans spreekt.

— Denk er eens over na.

— Ik heb de film al eens gezien.

 

— Kunt u dat nog eens zeggen ?

— Ik was het op dat punt met hem eens.

— Heeft u wel eens een boek geschreven ?

— Laat eens zien wat je gekocht hebt.

— Ze werden het eens over de prijs.

 

— [ Let’s do this again. ]

— [ It was very nice seeing you again. ]

— [ Ask him if he can speak Japanese. ]

— [ Think about it. ]

— [ I have seen the film before. ]

 

— [ Could you say that again? ]

— [ I agreed with him on that point. ]

— [ Have you ever written a book? ]

— [ Will you show me what you bought? ]

— [ They agreed on a price. ]

 

— Ze werken niet eens een beetje.

— Eens zult ge de waarheid te weten komen.

— Laten we het nog eens proberen.

— Laten we dat nog eens proberen.

— Ben je al eens in Parijs geweest ?

 

— Kijk eens naar dit.

— Hij schrijft mij eens per week.

— Hij schrijft mij eens per week.

— Ga eens even kijken wie het is.

— Geef me eens iets om te schrijven.

 

— [ They are not working even a bit. ]

— [ You will know the truth some day. ]

— [ Let’s try once again. ]

— [ Let’s try once again. ]

— [ Have you ever been to Paris? ]

 

— [ Take a look at this. ]

— [ He writes me once a week. ]

— [ He writes to me once a week. ]

— [ Please go and see who it is. ]

— [ Give me something to write. ]

 

[ 130 ] OUDE

— Ik heb een oude auto.

— Hij is een oude vriend van mij.

— Hij is een oude vriend van mij.

— Ik ben een oude man.

— Ik kwam een oude vrouw tegen.

 

— Een kat ? vroeg de oude man.

— We zijn oude vrienden.

— Waarom wil je zo’n oude auto ?

— De woorden kwamen uit een heel oude taal.

— Er was niets in de kamer, behalve een oude stoel.

 

— [ I have an old car. ]

— [ He is an old friend of mine. ]

— [ He’s an old friend of mine. ]

— [ I’m an old man. ]

— [ I met an old woman. ]

 

— [ A cat? asked the old man. ]

— [ We’re old friends. ]

— [ Why do you want such an old car? ]

— [ The words were from a very old language. ]

— [ There was nothing but an old chair in the room. ]

 

— Het is een oude piano.

— Er is een erg oude tempel in de stad.

— Ik was beschaamd om in oude kleren uit te gaan.

— Oude mensen worden vroeg wakker.

— Toen ik op straat liep, ontmoette ik een oude vriend.

 

— Deze oude tafel wordt nog steeds gebruikt.

— Ik werd door een oude vriend uitgenodigd.

— De oude man leeft alleen.

— De oude man leeft alleen.

— De oude man viel op de grond.

 

— [ It’s an old piano. ]

— [ There is a very old temple in the town. ]

— [ I was ashamed to go out in old clothes. ]

— [ Old people wake up early. ]

— [ Walking along the street, I met an old friend. ]

 

— [ This old table is still in use. ]

— [ I was invited by an old friend. ]

— [ The old man lives by himself. ]

— [ The old man lives alone. ]

— [ The old man fell down on the ground. ]

 

— De oude man is vorige week overleden.

— Ze maakte een rok van haar oude jurk.

— Ik schaamde me om in oude kleren uit te gaan.

— De oude man was geliefd bij iedereen.

— Het oude uurwerk is nog in gebruik.

 

— De oude man probeerde vijf kilometer te zwemmen.

— Op een dag bezochten zij en ik een oude vriend.

— Mijn oude vriend ontmoeten was erg aangenaam.

— Ik leer graag oude talen.

— De oude vrouw viel en kon niet meer overeind komen.

 

— [ The old man died last week. ]

— [ She turned her old dress into a skirt. ]

— [ I was ashamed to go out in old clothes. ]

— [ The old man was loved by everyone. ]

— [ The old clock is still in use. ]

 

— [ The old man attempted to swim five kilometers. ]

— [ One day she and I visited an old friend. ]

— [ Meeting my old friend was very pleasant. ]

— [ I like learning old languages. ]

— [ The old woman fell and could not get up. ]

 

[ 131 ] UUR

— Het is een uur.

— Ik ben hier al twee uur.

— Hij zal over een uur terug zijn.

— Over een uur kom ik bij je.

— Ik ben over een uur terug.

 

— Het is bijna drie uur.

— Waar zult ge morgen zijn op dit uur ?

— Om zes uur ben ik terug.

— Ik moet het werk af hebben tegen vier uur.

— Morgen op dit uur zouden we in Parijs moeten zijn.

 

— [ It’s one o’clock. ]

— [ I have been here for two hours. ]

— [ He will be back in an hour. ]

— [ I will come to you in an hour. ]

— [ I will be back in an hour. ]

 

— [ It’s nearly three o’clock. ]

— [ Where will you be this time tomorrow? ]

— [ I’ll be back at six. ]

— [ I have to finish the work by four o’clock. ]

— [ We should be in Paris by this time tomorrow. ]

 

— Hij had twee uur nodig om zijn huiswerk te maken.

— Waar waren jullie tussen één en drie uur ?

— Het is bijna zes uur.

— Het is al zeven uur.

— Hij zei dat het negen uur was.

 

— Komt hij om zes uur thuis ?

— Ik kom terug voor zes uur.

— Mijn vader zal om zeven uur thuis komen.

— Ik ga gewoonlijk om vier uur naar huis.

— Kom voor zeven uur naar hier.

 

— [ It took him two hours to finish his homework. ]

— [ Where were you between one and three o’clock? ]

— [ It’s almost six o’clock. ]

— [ It’s already seven. ]

— [ He said that it was nine o’clock. ]

 

— [ Does he come home at six? ]

— [ I’ll be back by six. ]

— [ My father will come home at seven. ]

— [ I usually go home at four. ]

— [ Come here before seven o’clock. ]

 

— Hij heeft mij een uur laten wachten.

— Ik kwam hier aan rond vijf uur.

— De film begint om tien uur.

— Ik kom thuis tegen zes uur.

— Ik heb drie uur nodig gehad om mijn huiswerk te maken.

 

— Hij ging om tien uur naar bed zoals gewoonlijk.

— Ik blijf hier tot tien uur.

— Ze heeft het ziekenhuis een uur geleden verlaten.

— Hij beloofde me om vier uur te zullen komen.

— Hij werkt acht uur per dag.

 

— [ He kept me waiting for an hour. ]

— [ I arrived here about five o’clock. ]

— [ The movie starts at ten o’clock. ]

— [ I’ll come home by six o’clock. ]

— [ It took me three hours to do my homework. ]

 

— [ He went to bed at ten as usual. ]

— [ I’ll stay here until ten. ]

— [ She left the hospital an hour ago. ]

— [ He promised me to come at four. ]

— [ He works eight hours every day. ]

 

[ 132 ] EERSTE

— Dat was niet de eerste keer.

— Dit is de eerste keer.

— Het is het eerste dat mijn vader geschreven heeft.

— Ze ging voor de eerste keer naar Parijs.

— Hij is mijn eerste liefde.

 

— Ik herinner me de eerste keer nog.

— Is dit je eerste reis in het buitenland ?

— Voor hem was het liefde op het eerste gezicht.

— Ik stond vroeg op om de eerste trein te nemen.

— Ik ben even verliefd als de eerste dag.

 

— [ It wasn’t the first time. ]

— [ This is the first time. ]

— [ It’s the first thing that my father wrote. ]

— [ She went to Paris for the first time. ]

— [ He’s my first love. ]

 

— [ I still remember the first time. ]

— [ Is this your first trip abroad? ]

— [ He fell in love with her at first sight. ]

— [ I got up early in order to catch the first train. ]

— [ I am as much in love as on the first day. ]

 

— Waar zou je als eerste heen willen ?

— Het was liefde op het eerste gezicht.

— Voor de eerste keer in mijn leven heb ik Rome bezocht.

— Het is waar dat hij de eerste prijs gewonnen heeft.

— Hoeveel moeite kost het om aan je eerste baan te komen ?

 

— Ik was verliefd op het eerste gezicht.

— Uw naam staat als eerste op mijn lijst.

— Het lijkt dat hij de eerste prijs zal winnen.

— Ik kan me de eerste keer nog herinneren.

— Ik stond vroeg op om de eerste trein te halen.

 

— [ Where would you like to go first? ]

— [ It was love at first sight. ]

— [ I visited Rome for the first time in my life. ]

— [ It is true that he won first prize. ]

— [ How much effort does it take to get your first job? ]

 

— [ I fell in love at the first glance. ]

— [ Your name stands first on my list. ]

— [ It appears that he will win first prize. ]

— [ I remember the first time. ]

— [ I got up early to catch the first train. ]

 

— Ze zeggen dat je je eerste liefde nooit vergeet.

— Op het eerste gezicht lijken de twee bussen op elkaar.

— Ik zette de eerste stap.

— Dit is de eerste keer dat ik vlieg.

— Het eerste ding dat hij kocht was een wekker.

 

— Ik ben de eerste musicus in mijn familie.

— Hij gaf haar haar eerste kus.

— De inheemsen zagen toen voor de eerste keer een vliegtuig.

— Ik kon de eerste prijs winnen.

— Ik moet de eerste trein halen.

 

— [ They say that you never forget your first love. ]

— [ The two buses resemble each other at first glance. ]

— [ I’ve taken the first step. ]

— [ That was the first time I got on a plane. ]

— [ The first item he bought was an alarm clock. ]

 

— [ I am the first musician in my family. ]

— [ He gave her her first kiss. ]

— [ The natives saw an airplane then for the first time. ]

— [ I was able to win the first prize. ]

— [ I must catch the first train. ]

 

[ 133 ] SNEL

— Snel ! We hebben niet veel tijd.

— Ik werk zo snel als ik kan.

— De tijd gaat snel om.

— Hij zei dat hij snel terug zou zijn.

— Deze auto is snel.

 

— Hij spreekt te snel.

— Ik denk dat ik snel terug kom.

— Je bent niet snel genoeg.

— Als het nodig is, kom ik snel.

— Ze is echt snel.

 

— [ Be quick! We haven’t much time. ]

— [ I’m working as fast as I can. ]

— [ Time is going by very quickly. ]

— [ He said that he would be back soon. ]

— [ This car is fast. ]

 

— [ He talks too fast. ]

— [ I think I’ll come back soon. ]

— [ You’re not fast enough. ]

— [ If necessary, I will come soon. ]

— [ She’s really quick. ]

 

— Hij zal snel beter worden.

— Ik hou niet van mensen die snel boos worden.

— Ik hoop je snel te zien.

— Spreek ik te snel ?

— Wilt u niet zo snel spreken, alstublieft ?

 

— Ze probeerde zo snel te lopen als ze kon.

— Spreek alsjeblieft niet zo snel.

— Kom alsjeblieft zo snel mogelijk naar huis.

— Hij kon niet heel snel lopen.

— Hij wordt snel moe.

 

— [ He’ll get well soon. ]

— [ I don’t like people who get angry easily. ]

— [ I hope to see you soon. ]

— [ Am I talking too fast? ]

— [ Don’t speak so fast, please. ]

 

— [ She tried to run as fast as she could. ]

— [ Please don’t speak so fast. ]

— [ Please come home as quickly as possible. ]

— [ He couldn’t run very fast. ]

— [ He gets tired easily. ]

 

— Ze schreef me snel terug.

— Hoe snel ze loopt !

— Mijn broer kan zeer snel lopen.

— Kom snel terug.

— Onze leraar spreekt soms te snel.

 

— Het is gevaarlijk om zo snel te rijden.

— We hopen dat je snel beter wordt.

— Ik kan niet snel wandelen, maar wel lang.

— Je hebt de neiging om te snel te praten.

— Je rijdt te snel.

 

— [ She wrote me back soon. ]

— [ How fast she is running! ]

— [ My brother can run very fast. ]

— [ Come back soon. ]

— [ Our teacher sometimes speaks too fast. ]

 

— [ It is dangerous to drive so fast. ]

— [ We are hoping for your quick recovery. ]

— [ I can’t walk fast, but I can walk for a long time. ]

— [ You have a tendency to talk too fast. ]

— [ You’re driving too fast. ]

 

[ 134 ] HELE

— Ik ben van plan morgen de hele dag thuis te zijn.

— Ik denk de hele tijd aan jullie.

— Hij en alleen hij weet de hele waarheid.

— Vandaag hou ik van de hele wereld.

— De hele stad weet het.

 

— Het was zo koud, dat ik de hele dag thuis bleef.

— De hele wereld spreekt Engels.

— Hij werkt de hele nacht.

— Mijn vader is zijn hele leven nooit ziek geweest.

— Mijn vader is zijn hele leven nooit ziek geweest.

 

— [ I plan to stay at home all day tomorrow. ]

— [ I think of you all the time. ]

— [ He and only he knows the whole truth. ]

— [ Today I love the entire world. ]

— [ It’s the talk of the town. ]

 

— [ It was so cold that I stayed at home all day. ]

— [ The whole world speaks English. ]

— [ He works all night. ]

— [ My father has never gotten sick in his life. ]

— [ My father has never been sick in his life. ]

 

— Mijn vader is zijn hele leven nooit ziek geweest.

— Ik was de hele nacht wakker.

— Ze sprak de hele tijd.

— Ga je daar de hele dag blijven staan ?

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

 

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— Deze berg is het hele jaar door bedekt met sneeuw.

— Ik moest de hele dag in bed blijven.

— Het regende gisteren de hele dag.

 

— [ In his whole life my father has never been ill. ]

— [ I was up all night. ]

— [ She was talking all the time. ]

— [ Are you just going to stand there all day? ]

— [ This mountain is covered in snow all-year-round. ]

 

— [ This mountain is covered with snow all year round. ]

— [ This mountain is snow-covered the entire year. ]

— [ This mountain is covered in snow all year round. ]

— [ I had to stay in bed all day. ]

— [ It rained all day yesterday. ]

 

— Ik heb de indruk dat het al de hele dag regent.

— Ik werkte de hele dag hard, dus ik was erg moe.

— Het regent de hele tijd.

— Ik bracht de hele dag door aan het strand.

— Ik bleef de hele nacht wakker.

 

— Het regende hard de hele dag door.

— Ik kon de hele nacht niet slapen.

— De sneeuw heeft de hele stad bedekt gedurende de nacht.

— Ze huilde alleen maar de hele tijd.

— De hele wereld kijkt toe.

 

— [ I’m under the impression that it’s been raining all day. ]

— [ I worked hard all day, so I was very tired. ]

— [ It is raining all the time. ]

— [ I spent the entire day on the beach. ]

— [ I stayed up all night. ]

 

— [ It rained hard all day. ]

— [ I couldn’t sleep all night. ]

— [ The snow covered the whole city overnight. ]

— [ She did nothing but cry all the while. ]

— [ The whole world is watching. ]

 

[ 135 ] IEMAND

— Er is iemand aan de deur.

— Ik denk dat hij een eerlijk iemand is.

— Dit is niet mijn paraplu, het is die van iemand anders.

— Ik denk dat je me voor iemand anders neemt.

— Kan iemand anders dit niet doen ?

 

— Is daar iemand ?

— Misschien is er iemand anders in huis.

— Spreekt er hier iemand Japans ?

— Spreekt hier iemand Engels ?

— Dat is iemand op wie je kan vertrouwen.

 

— [ Someone is at the door. ]

— [ I think he’s an honest man. ]

— [ This isn’t my umbrella; it’s somebody else’s. ]

— [ I think you’ve mistaken me for someone else. ]

— [ Can’t someone else do this? ]

 

— [ Is somebody there? ]

— [ Maybe there is someone else in the house. ]

— [ Does anyone here speak Japanese? ]

— [ Does anyone here speak English? ]

— [ He’s a man you can rely on. ]

 

— Hij denkt dat hij iemand is, maar eigenlijk is hij niemand.

— Wil iemand denken aan de kinderen !

— Ik deed het zonder iemand om advies te vragen.

— Iemand deed net het licht uit.

— Er kwam nooit iemand op mijn verjaardag.

 

— Ik heb geen zin tegen iemand te praten.

— Is hier iemand die niet akkoord gaat ?

— Ik zal nooit iemand zoals hij vinden.

— Heeft iemand anders dit gezien ?

— Geef het aan iemand die u leuk vindt.

 

— [ He thinks he is somebody, but really he is nobody. ]

— [ Won’t somebody please think of the children?! ]

— [ I did that without asking for anyone’s advice. ]

— [ Someone just turned off the lights. ]

— [ Nobody would visit me on my birthday. ]

 

— [ I don’t feel like talking to anybody. ]

— [ Is there anyone here who disagrees? ]

— [ I’ll never find someone like him. ]

— [ Has anyone else seen this? ]

— [ Give it to anyone you like. ]

 

— Kan ik met iemand praten die Japans spreekt ?

— Heb je iemand gezien in de winkel ?

— Heb je iemand verteld wat je echte naam is ?

— Er is iemand met wie ik eerst wil praten.

— Ik heb iemand nodig om me te begrijpen.

 

— Ik wil iemand om mee te praten.

— Ik heb iemand nodig om mee te praten.

— Ik heb iemand nodig die mij begrijpt.

— Ik ben iemand die leeft bij het moment.

— Ik zal het nooit aan iemand vertellen.

 

— [ Can I talk to someone who speaks Japanese? ]

— [ Did you see anyone at the mall? ]

— [ Have you told anyone what your real name is? ]

— [ There’s somebody I want to talk to first. ]

— [ I need someone to understand me. ]

 

— [ I want someone to talk to. ]

— [ I need someone to talk with. ]

— [ I need someone to understand me. ]

— [ I’m a person who lives for the moment. ]

— [ I shall never tell it to anybody. ]

 

[ 136 ] SCHOOL

— Ik wil niet naar school.

— Ik was deze morgen niet op tijd op school.

— Dat is mijn school.

— Ik was te laat op school.

— Je was niet op school gisteren.

 

— Ik was op school.

— Hij was gisteren niet op school.

— Gisteren was u niet op school.

— Waar is de school ?

— Waar is je school ?

 

— [ I don’t want to go to school. ]

— [ I wasn’t on time for school this morning. ]

— [ That is my school. ]

— [ I was late to school. ]

— [ You were absent from school yesterday. ]

 

— [ I was at school. ]

— [ He was absent from school yesterday. ]

— [ You were absent from school yesterday. ]

— [ Where is the school? ]

— [ Where is your school? ]

 

— Waar is je school ?

— Onze kinderen zijn op school, waar zijn die van u ?

— We leren niet voor het leven, maar voor school.

— Je kwam gisteren niet naar school.

— Ze is te jong om naar school te gaan.

 

— Ze is niet thuis, maar op school.

— Ik ga naar school.

— Was je toen op school ?

— Ik ging gisteren naar school.

— Hoe laat ga je naar school ?

 

— [ Where’s your school? ]

— [ Our children are at school; where are yours? ]

— [ Not for life, but for school do we learn. ]

— [ You did not come to school yesterday. ]

— [ She is too young to go to school. ]

 

— [ She is not home, but at school. ]

— [ I go to school. ]

— [ Were you at school at that time? ]

— [ I went to school yesterday. ]

— [ What time do you leave for school? ]

 

— Heb je vandaag school ?

— Dat is onze school.

— Ze was niet op school voor vijf dagen.

— Wanneer ga je naar school ?

— Hoe laat is school uit ?

 

— De kinderen hebben geen school vandaag.

— Is je school ver weg van je huis ?

— Is je school ver weg van je huis ?

— Gaan de kinderen naar school ?

— Kom niet weer te laat op school.

 

— [ Do you have school today? ]

— [ That is our school. ]

— [ She’s been absent from school for five days. ]

— [ When do you leave for school? ]

— [ When is school over? ]

 

— [ The children don’t have school today. ]

— [ Is your school far from your home? ]

— [ Is your school far away from your house? ]

— [ Do the children go to school? ]

— [ Don’t be late for school again. ]

 

[ 137 ] ENGELS

— Hoe komt het dat je zo goed Engels kan ?

— Ik zal moeilijk voor je zijn om Engels te spreken.

— Mijn moeder spreekt niet zo erg goed Engels.

— Het is niet moeilijk om Engels te spreken.

— Weet jij of ze al dan niet Engels kan spreken ?

 

— Weet je of ze Engels kan spreken ?

— Ik hou van muziek en van Engels.

— Is het moeilijk om Engels te spreken ?

— Is het echt zo moeilijk om Engels te spreken ?

— Dit zal mijn laatste zin in het Engels zijn.

 

— [ How come you know English so well? ]

— [ It will be hard for you to speak English. ]

— [ My mom doesn’t speak English very well. ]

— [ It is not difficult to speak English. ]

— [ Do you know whether or not she can speak English? ]

 

— [ Do you know whether she can speak English? ]

— [ I like music and English. ]

— [ Is it hard to speak English? ]

— [ Is it really that hard to speak English? ]

— [ This will be my last sentence in English. ]

 

— Je spreekt goed Engels.

— Weet jij of ze Engels kan spreken ?

— Onze leraar Engels is altijd op tijd.

— Ze spreekt altijd Engels.

— Ik ben in staat Engels te lezen.

 

— Engels spreken is moeilijk voor mij.

— Heb je een Engels woordenboek ?

— Ge moet Engels leren, of ge wilt of niet.

— Hij spreekt zeer goed Engels.

— Ik wil Engels kunnen spreken.

 

— [ You speak good English. ]

— [ Do you know if she can speak English? ]

— [ Our English teacher is always on time. ]

— [ She always speaks English. ]

— [ I am able to read English. ]

 

— [ Speaking English is very difficult for me. ]

— [ Do you have an English dictionary? ]

— [ You must learn English whether you like it or not. ]

— [ He speaks English very well. ]

— [ I want to be able to speak English. ]

 

— Ik heb een brief geschreven in het Engels.

— Engels is een zeer moeilijk te leren taal.

— Ik kan Engels spreken.

— Dit boek is geschreven in het Engels.

— Hij is leraar Engels.

 

— Spreekt u Engels ?

— Iedereen wist dat ze goed Engels kon.

— Ik heb liever Engels dan muziek.

— Spreekt hier iemand Engels ?

— Hoe heet deze vis in het Engels ?

 

— [ I wrote a letter in English. ]

— [ English is a hard language to learn. ]

— [ I can speak English. ]

— [ This book is written in English. ]

— [ He is an English teacher. ]

 

— [ Can you speak English? ]

— [ Everybody knew she could speak English well. ]

— [ I like English better than music. ]

— [ Does anyone here speak English? ]

— [ What is this fish called in English? ]

 

[ 138 ] JOUW

— Vandaag is het niet jouw dag.

— Is dit jouw boek ?

— Ik weet wat jouw naam is.

— Jouw probleem lijkt op dat van mij.

— Dit is jouw hond.

 

— Ik zal jouw leraar zijn.

— Waar is jouw hond ?

— Ik kan het in jouw ogen zien.

— Is dit jouw fiets ?

— Wonen er veel mensen in jouw stad ?

 

— [ Today is not your day. ]

— [ Is this your book? ]

— [ I know your name. ]

— [ Your problem is similar to mine. ]

— [ This is your dog. ]

 

— [ I’ll be your teacher. ]

— [ Where is your dog? ]

— [ I can see it in your eyes. ]

— [ Is this your bicycle? ]

— [ Do a lot of people live in your town? ]

 

— Wat is jouw antwoord ?

— Wie is jouw leraar ?

— Wie is jouw leraar ?

— Dit is allemaal jouw fout.

— Ik ken jouw taal.

 

— Wat is jouw droom ?

— Welke taal spreken ze in jouw land ?

— Hoe lang is het fietsen van hier naar jouw huis ?

— Dat zijn jouw zaken niet.

— Ik kan niet zonder jouw raad.

 

— [ What’s your answer? ]

— [ Who is your teacher? ]

— [ Who’s your teacher? ]

— [ This is all your fault. ]

— [ I know your language. ]

 

— [ What is your dream? ]

— [ What language do they speak in your country? ]

— [ How long does it take from here to your house by bike? ]

— [ It’s none of your business. ]

— [ I can’t do without your advice. ]

 

— Om jou de waarheid te vertellen, ik ben jouw pen verloren.

— Jouw ogen doen me denken aan sterren.

— Jouw dochter is zeer mooi.

— Ik kan je niet genoeg bedanken voor jouw hulp.

— Jouw boek is dubbel zo groot als dat van mij.

 

— De manager zei dat het jouw schuld was.

— Ik ben zeer dankbaar voor jouw hulp.

— Jouw glimlach maakt me altijd blij.

— Jouw glimlach maakt me altijd gelukkig.

— Ik denk dat jouw theorie niet steekhoudend is.

 

— [ To tell you the truth, I lost your pen. ]

— [ Your eyes remind me of stars. ]

— [ Your daughter is very pretty. ]

— [ I can’t thank you enough for your help. ]

— [ Your book is double the size of mine. ]

 

— [ The manager said it was your fault. ]

— [ I am very grateful for your help. ]

— [ Your smile always makes me happy. ]

— [ Your smile always makes me happy. ]

— [ I think your theory does not hold water. ]

 

[ 139 ] ELKE

— Ik denk er elke dag over.

— Was je je hond elke dag ?

— Ze doen het elke week.

— Elke jongen heeft een fiets.

— Ik schreef haar elke dag een brief.

 

— Ze kwam elke keer als mijn zuster thuis was.

— Ik ga elke ochtend naar school.

— Er sterven elke dag veel goede mensen.

— Hij gaat daar elke dag naartoe.

— We kunnen elke morgen de klok van de kerk horen.

 

— [ I think about it every day. ]

— [ Do you wash your dog every day? ]

— [ They do it each week. ]

— [ Each boy has a bike. ]

— [ I wrote her a letter every day. ]

 

— [ She came every time my sister was home. ]

— [ I go to school every morning. ]

— [ Many good people die every day. ]

— [ He goes there every day. ]

— [ We can hear the church bell every morning. ]

 

— Er sterven elke dag goede mensen.

— Zijn ouders gaan elke zondag naar de kerk.

— Ze speelt elke dag tennis na school.

— Er sterven elke dag mensen.

— Ze leest elke morgen de krant.

 

— Ze zei dat ze elke ochtend een douche nam.

— Kinderen zouden elke dag melk moeten drinken.

— Ik glimlach elke keer als ik haar zie.

— Ze speelt elke dag piano.

— Mijn zus gaat elke ochtend onder de douche.

 

— [ Good people die every day. ]

— [ His parents go to church every Sunday. ]

— [ She plays tennis after school every day. ]

— [ People die every day. ]

— [ She reads the newspaper every morning. ]

 

— [ She said that she takes a shower every morning. ]

— [ Children should drink milk every day. ]

— [ I smile every time I see her. ]

— [ She plays the piano every day. ]

— [ My sister takes a shower every morning. ]

 

— Mijn zus gaat elke ochtend onder de douche.

— Ik ben elke avond thuis.

— Kom je hier elke avond ?

— Ik neem bijna elke dag een bad.

— Mijn vader sport elke dag voor zijn gezondheid.

 

— Zij gaat elke ochtend onder de douche.

— Ze speelt elke zondag tennis.

— Hij wast de fiets elke week.

— Ik lees elke maand minstens één boek.

— De lessen beginnen elke dag om negen uur.

 

— [ My sister showers every morning. ]

— [ I am at home every evening. ]

— [ Do you come here every night? ]

— [ I take a bath almost every day. ]

— [ My father exercises every day for his health. ]

 

— [ She showers every morning. ]

— [ She plays tennis every Sunday. ]

— [ He washes the bike every week. ]

— [ I read at least one book every month. ]

— [ Classes start at nine o’clock every day. ]

 

[ 140 ] ÉÉN

— Het is voor één van mijn vrienden.

— Ik heb één zus.

— Laat het me één keer zeggen.

— Waar waren jullie tussen één en drie uur ?

— Ik heb twee broers en één zus.

 

— Ik heb twee broers en één zus.

— Ik heb twee broers en één zus.

— Ze kwam één keer toen mijn zuster thuis was.

— Kan je er ook één voor mij kopen ?

— Hij eet aan één stuk door.

 

— [ It’s for a friend of mine. ]

— [ I have one sister. ]

— [ Let me say this just once. ]

— [ Where were you between one and three o’clock? ]

— [ I have two brothers and one sister. ]

 

— [ I have two brothers and a sister. ]

— [ I’ve got two brothers and a sister. ]

— [ She once came when my sister was home. ]

— [ Can you buy one for me as well? ]

— [ He eats non-stop. ]

 

— De één zijn dood is de ander zijn brood.

— Weten is één ding, het ook doen is heel wat anders.

— Dit is één van de beste woordenboeken die ik heb.

— Er ligt één appel op de tafel.

— Nog één stap en je bent dood.

 

— Zijn broer en hij zijn twee handen op één buik.

— Geef mij één reden om zoiets te doen.

— Hij had één dochter.

— Nog één uur en de kalkoen is klaar.

— Als ik nog één zin over tennis hoor, word ik gek.

 

— [ One man’s meat is another man’s poison. ]

— [ To know is one thing, and to do is another. ]

— [ This is one of the best dictionaries I have. ]

— [ There is one apple on the desk. ]

— [ One more step, and you’ll be a dead man. ]

 

— [ He and his brother are two peas in a pod. ]

— [ Give me a reason for doing such a thing. ]

— [ He had one daughter. ]

— [ One more hour and the turkey will be ready. ]

— [ If I hear one more sentence about tennis, I’ll go crazy. ]

 

— Er is slechts één ding dat we kunnen doen nu !

— Ik heb één broer en twee zussen.

— Ik heb één broer en twee zussen.

— Laten we er één nemen.

— Niet één van mijn klasgenoten woont hier in de buurt.

 

— Nog één inspanning, en je komt verder in het leven.

— Voor een wijze man is één woord genoeg.

— Ik zwem één keer per week.

— Het regende uren aan één stuk door.

— Hoe dan ook, drie tegen één is oneerlijk.

 

— [ There’s only one thing we can do now! ]

— [ I’ve got one brother and two sisters. ]

— [ I have one brother and two sisters. ]

— [ Let’s get one. ]

— [ None of my classmates live near here. ]

 

— [ One more effort, and you will get on in life. ]

— [ A word is enough to a wise man. ]

— [ I swim once a week. ]

— [ It rained for hours and hours. ]

— [ Anyway, three against one is unfair. ]

 

[ 141 ] GROOT

— Het is te groot.

— Hij is zo groot als zijn vader.

— Wat een groot huis heb je !

— Zijn huis is drie keer zo groot als dat van mij.

— De kamer van mijn vader is heel groot.

 

— Mijn kamer is twee keer zo groot als die van hem.

— Dit is te groot.

— Dit huis is niet heel groot.

— Het boek is groot.

— Je vader is groot.

 

— [ It’s too big. ]

— [ He is as tall as his father. ]

— [ What a big house you have! ]

— [ His house is three times as big as mine. ]

— [ My father’s room is very big. ]

 

— [ My room is twice as big as his. ]

— [ This is too big. ]

— [ This house is not very big. ]

— [ The book is big. ]

— [ Your father is tall. ]

 

— Ze hebben een groot huis.

— Mijn broer is net zo groot als ik.

— Dat huis is groot.

— Haar vader is groot.

— Mijn zoon is nu zo groot als ik.

 

— Ik heb een groot probleem.

— Hoe groot is het ?

— Hij en ik zijn bijna even groot.

— Omdat het te groot is.

— Uw vader is groot.

 

— [ They have a large house. ]

— [ My brother is as tall as me. ]

— [ That house is big. ]

— [ Her father is tall. ]

— [ My son is now as tall as I am. ]

 

— [ I have a big problem. ]

— [ How large is it? ]

— [ He and I are almost the same height. ]

— [ Because it’s too big. ]

— [ Your father is tall. ]

 

— Als hij groot is, zal hij dokter worden.

— Deze kamer is groot genoeg.

— Jullie vader is groot.

— Deze doos is niet zo groot als die.

— Deze doos is twee keer zo groot als die daar.

 

— Ik heb een groot vertrouwen in de dokter.

— Er is een groot verschil tussen een theorie en een idee.

— Ik heb een groot gezin.

— Hoe groot is uw familie ?

— Iedereen in zijn gezin is groot.

 

— [ He is going to be a doctor when he grows up. ]

— [ This room is large enough. ]

— [ Your father is tall. ]

— [ This box is not as big as that one. ]

— [ This box is twice as large as that one. ]

 

— [ I have great belief in the doctor. ]

— [ There’s a great difference between a theory and an idea. ]

— [ I have a large family. ]

— [ How large is your family? ]

— [ Everyone in his family is tall. ]

 

[ 142 ] ONZE

— Onze kinderen zijn op school, waar zijn die van u ?

— Dat is onze school.

— Onze leraar Engels is altijd op tijd.

— Onze trein kwam op tijd.

— De mensen die hier wonen zijn onze vrienden.

 

— Ik vertelde hem over onze school.

— Onze leraar ziet er heel jong uit.

— Heb je onze hulp nodig ?

— Heb je onze hulp nodig ?

— Er zijn veel sterren die groter zijn dan onze zon.

 

— [ Our children are at school; where are yours? ]

— [ That is our school. ]

— [ Our English teacher is always on time. ]

— [ Our train arrived on time. ]

— [ The people who live there are our friends. ]

 

— [ I told him about our school. ]

— [ Our teacher looks very young. ]

— [ Do you require our help? ]

— [ Do you need our help? ]

— [ There exist several stars which are larger than our Sun. ]

 

— Er zijn veel sterren die groter zijn dan onze zon.

— We moeten voor onze ouders zorgen.

— Ze heeft onze hulp nodig.

— Onze kinderen houden van houden, maar ik hou meer van katten.

— Onze school is heel dicht bij het park.

 

— Wij houden van onze kinderen.

— Onze leraar spreekt soms te snel.

— Onze school begint om acht uur.

— Onze school is aan de andere kant van de rivier.

— Onze lerares ziet er heel jong uit.

 

— [ There are a lot of stars which are larger than our sun. ]

— [ We have to look after our parents. ]

— [ She needs our help. ]

— [ Our children like dogs, but I prefer cats. ]

— [ Our school is very close to the park. ]

 

— [ We love our children. ]

— [ Our teacher sometimes speaks too fast. ]

— [ Our school begins at eight. ]

— [ Our school is across the river. ]

— [ Our teacher looks very young. ]

 

— Onze school is minder dan tien minuten lopen vanaf mijn huis.

— Vind je niet dat al onze politici te oud zijn ?

— Meneer Brown is onze leraar Engels.

— Meneer Brown is onze leraar Engels.

— Hij is een vriend uit onze kindertijd.

 

— Straks is onze zus bij ons.

— Onze school is dichtbij het station.

— We kwamen op de luchthaven aan drie uur voor onze vlucht.

— Het is een van de grootste taboes van onze tijd.

— Hij is de Chopin van onze tijd.

 

— [ Our school is within ten minutes’ walk of my house. ]

— [ Don’t you think that all our politicians are too old? ]

— [ Mr Brown is our English teacher. ]

— [ Mr. Brown is our English teacher. ]

— [ He is a childhood friend. ]

 

— [ Our sister will be with us soon. ]

— [ Our school is near the station. ]

— [ We arrived at the airport three hours before our flight. ]

— [ It’s one of the greatest taboos of our time. ]

— [ He is a Chopin for our times. ]

 

[ 143 ] LANG

— Dit is te lang.

— Ik stond op, maar niet voor lang.

— Ik heb je al zo lang niet gezien !

— Ik heb hem al lang niet meer gezien.

— Ken je hem al lang ?

 

— Ik ken haar al lang.

— Ik ken hem al lang.

— Het spijt me dat ik je zo lang niet geschreven heb.

— De weg is lang.

— De weg is lang.

 

— [ This is too long. ]

— [ I stood up, but not for long. ]

— [ I haven’t seen you for so long! ]

— [ It’s been a long time since I last saw him. ]

— [ Have you known him for a long time? ]

 

— [ I’ve known her for a long time. ]

— [ I’ve known him for a long time. ]

— [ I am sorry that I haven’t written to you in such a long time. ]

— [ The road is long. ]

— [ The way is long. ]

 

— Hoe lang bent u ?

— Het spijt me dat ik je zo lang heb laten wachten.

— Hoe lang geleden was dat ?

— Enige tijd lang keek ze mij alleen maar aan.

— Hoe lang was je in het buitenland ?

 

— Ik had een lang gesprek met haar.

— Ik weet niet zeker hoe lang we moeten wachten.

— Hoe lang moet ik nog in het ziekenhuis blijven ?

— Ik wil niet zo lang wachten.

— Hij was een week lang niet aanwezig op school.

 

— [ How tall are you? ]

— [ I’m sorry I’ve kept you waiting so long. ]

— [ How long ago was that? ]

— [ For a while she did nothing but stare at me. ]

— [ How long have you been abroad? ]

 

— [ I had a long talk with her. ]

— [ I’m not sure how much we should wait. ]

— [ How much longer will I have to stay in the hospital? ]

— [ I don’t want to wait that long. ]

— [ He was absent from school for a week. ]

 

— Hij kan niet lang blijven.

— Hij heeft me lang laten wachten.

— Ik hou mijn kleren graag zo lang mogelijk.

— Ik blijf hier niet lang.

— Hoe lang moet je wachten ?

 

— De brug is heel lang en heel hoog.

— Waarom moest hij zo lang op jou wachten ?

— Lang geleden was hier een brug.

— Lang geleden was hier een brug.

— Hoe lang is die brug ?

 

— [ He can’t stay long. ]

— [ He kept me waiting for a long time. ]

— [ I like to keep my clothes for as long as possible. ]

— [ I will stay here for a short period. ]

— [ How long will you have to wait? ]

 

— [ The bridge is very long and very tall. ]

— [ Why did he have to wait for you for so long? ]

— [ A long time ago, there was a bridge here. ]

— [ A long time ago there was a bridge here. ]

— [ How long is that bridge? ]

 

[ 144 ] BRIEF

— De vraag is of hij de brief zal lezen of niet.

— Het is een heel vreemde brief.

— Het was een lange brief.

— Dit is een heel vreemde brief.

— Ik heb een brief geschreven in het Engels.

 

— Wie neemt nog tijd voor een lange brief aan een vriend ?

— Ik was een brief aan het schrijven toen hij kwam.

— De broer schreef een brief aan de zus.

— Ik schreef haar elke dag een brief.

— Zijn moeder is een brief aan het schrijven.

 

— [ The question is whether he’ll read the letter or not. ]

— [ It is a very strange letter. ]

— [ It was a long letter. ]

— [ This is a very strange letter. ]

— [ I wrote a letter in English. ]

 

— [ Who still takes time for a long letter to a friend? ]

— [ I was writing a letter when he came. ]

— [ The brother wrote a letter to the sister. ]

— [ I wrote her a letter every day. ]

— [ His mother is writing a letter. ]

 

— Heb je hem geen brief geschreven ?

— Ze is nu een brief aan het schrijven.

— Moet deze brief in het Engels geschreven worden ?

— Ik heb deze brief in het Frans geschreven.

— Ik ben een brief aan het schrijven.

 

— Ze is klaar met het schrijven van een brief.

— Gisteren heeft hij een brief geschreven.

— Hij heeft een brief geschreven.

— Hij heeft een brief geschreven.

— Hij heeft een brief geschreven.

 

— [ Didn’t you write a letter to him? ]

— [ She is writing a letter now. ]

— [ Does this letter have to be written in English? ]

— [ I wrote this letter in French. ]

— [ I am writing a letter. ]

 

— [ She finished writing a letter. ]

— [ He wrote a letter yesterday. ]

— [ He has written a letter. ]

— [ He wrote a letter. ]

— [ He wrote one letter. ]

 

— Ik schreef haar een lange brief.

— Ik wilde net een brief schrijven, toen hij thuis kwam.

— Was deze brief geschreven door Ken ?

— Wie heeft een brief geschreven ?

— Hij schreef een brief.

 

— Ik zal morgen een brief schrijven.

— Wie heeft deze brief geschreven ?

— Ik ga morgen een brief schrijven.

— Gisteren heb ik een brief van haar gekregen.

— Je moet een brief schrijven.

 

— [ I wrote a long letter to her. ]

— [ I was just going to write a letter when he came home. ]

— [ Was this letter written by Ken? ]

— [ Who wrote a letter? ]

— [ He wrote a letter. ]

 

— [ I am going to write a letter tomorrow. ]

— [ Who wrote this letter? ]

— [ I am going to write a letter tomorrow. ]

— [ I had a letter from her yesterday. ]

— [ You should write a letter. ]

 

[ 145 ] ZEI

— Wat hij zei, is niet waar.

— Wat hij zei was niet waar.

— Weet je wat hij zei ?

— Hij zei dat hij snel terug zou zijn.

— Alles wat hij zei, was waar.

 

— Voor zover ik weet is het waar wat hij zei.

— Ze zei dat ze goede vrienden van haar waren.

— Hij zei dat je niet hoeft te gaan.

— Hij zei dat hij zou komen.

— Hij zei dat hij hier morgen terug zou komen.

 

— [ What he said is not true. ]

— [ What he said was not true. ]

— [ Do you know what he said? ]

— [ He said that he would be back soon. ]

— [ Everything he said was right. ]

 

— [ As far as I know, what he has said is true. ]

— [ She said that they were good friends of hers. ]

— [ He said that you need not go. ]

— [ He said he would come. ]

— [ He said that he would come back here tomorrow. ]

 

— Ze zei geen woord tegen me.

— Wat zei de jongen ?

— Wat hij zei, bleek waar te zijn.

— Wat zij zei bleek niet waar te zijn.

— Hij zei mij dat hij de volgende dag zou beginnen.

 

— Ik zei het je toch !

— Hij zei dat het negen uur was.

— Geloof je wat hij zei ?

— Hij zei geen woord.

— Ik heb haar vijf dagen geleden gezien, zei hij.

 

— [ She didn’t say even one word to me. ]

— [ What did the boy say? ]

— [ What he said turned out to be true. ]

— [ What she said turned out to be false. ]

— [ He told me that he would start the next day. ]

 

— [ I told you so! ]

— [ He said that it was nine o’clock. ]

— [ Do you believe what he said? ]

— [ He didn’t say a word. ]

— [ I saw her five days ago, he said. ]

 

— Hij zei niets, wat haar boos maakte.

— Hij zei dat hij mij wou helpen.

— Eigenlijk vond ze het helemaal niet leuk, maar ze zei niets.

— Eigenlijk vond ze het helemaal niet leuk, maar ze zei niets.

— Ze zei hem uit de buurt te blijven van slechte vrienden.

 

— Ze zei mij dat ze een CD gekocht had.

— Ik zei dat alleen maar om te lachen.

— Ik versta niet wat ze zei.

— Ik heb niets verstaan van wat hij zei.

— Ze zei dat ze elke ochtend een douche nam.

 

— [ He said nothing, which made her angry. ]

— [ He said that he would help me. ]

— [ Truth be told, she didn’t like it in the least, but she didn’t say anything. ]

— [ Strictly speaking, she didn’t like it at all, but she didn’t say a thing. ]

— [ She told him to keep away from bad friends. ]

 

— [ She told me that she had bought a CD. ]

— [ It was just a joke. ]

— [ I can’t make out what she said. ]

— [ I couldn’t understand anything that he said. ]

— [ She said that she takes a shower every morning. ]

 

[ 146 ] TIEN

— Hij is tien jaar ouder dan jij.

— Ik ben niet de persoon die ik tien jaar geleden was.

— Toen ik tien was, ging mijn broer bij ons thuis weg.

— Hij zal over tien minuten terug zijn.

— Het is tien jaar geleden, toen hij in Amerika was.

 

— Ik ben over tien minuten terug.

— De film begint om tien uur.

— Ik heb het boek gekocht voor tien dollar.

— Hij ging om tien uur naar bed zoals gewoonlijk.

— Ik heb het gekocht voor tien dollar.

 

— [ He’s ten years older than you. ]

— [ I am not what I was ten years ago. ]

— [ When I was 10, my brother left our home. ]

— [ He will be back in ten minutes. ]

— [ Ten years have passed since he went to America. ]

 

— [ I’ll be back in ten minutes. ]

— [ The movie starts at ten o’clock. ]

— [ I bought the book for ten dollars. ]

— [ He went to bed at ten as usual. ]

— [ I bought it for ten dollars. ]

 

— Ik blijf hier tot tien uur.

— Zij kan tien talen spreken.

— Onze school is minder dan tien minuten lopen vanaf mijn huis.

— Ik heb tien pennen meer dan jij.

— Hij wachtte op hem tot tien uur.

 

— De les begint om tien uur.

— Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien.

— Ze zijn tien jaar getrouwd geweest.

— Je bent tien keer zwaarder dan ik.

— De klok loopt tien minuten achter.

 

— [ I’ll stay here until ten. ]

— [ She is able to speak ten languages. ]

— [ Our school is within ten minutes’ walk of my house. ]

— [ I have ten more pens than you. ]

— [ He waited for him until 10. ]

 

— [ The class start at ten. ]

— [ One, two, three, four, five, six, seven, eight, nine, ten. ]

— [ They have been married for ten years. ]

— [ You’re ten times heavier than I am. ]

— [ The clock is ten minutes slow. ]

 

— Toen de grote aardbeving gebeurde, was ik pas tien jaar.

— Het gebeurde tussen acht en tien uur.

— We moesten tien minuten op hem wachten.

— We moesten tien minuten op hem wachten.

— Dit is de ergste storm in tien jaar.

 

— Zijn oom bezit niet minder dan tien huizen.

— Om tien uur vertrekt hij naar Tokyo.

— Negen keer op tien raad ik juist.

— Ik studeer sinds tien maanden in China.

— Ik heb tien dollar betaald voor dit boek.

 

— [ When the big earthquake occurred, I was just ten. ]

— [ It happened between eight and ten. ]

— [ We had to wait for him for ten minutes. ]

— [ We were waiting on him for ten minutes. ]

— [ This is the worst storm in ten years. ]

 

— [ His uncle owns no fewer than ten houses. ]

— [ He leaves for Tokyo at ten. ]

— [ I guess right nine times out of ten. ]

— [ I’ve been studying in China for ten months. ]

— [ I paid five dollars for this book. ]

 

[ 147 ] JULLIE

— Ik heb geen tijd voor jullie.

— Ik denk de hele tijd aan jullie.

— Hoe gaat het met jullie moeder ?

— Jullie zijn bang voor hem.

— Weten jullie van wie deze auto is ?

 

— Ik werk voor jullie.

— Jullie vader is groot.

— Zijn jullie voor of tegen zijn idee ?

— Waar waren jullie tussen één en drie uur ?

— Jullie moeten niet komen morgen.

 

— [ I don’t have time for you. ]

— [ I think of you all the time. ]

— [ How’s your mother? ]

— [ You’re afraid of him. ]

— [ Do you know whose car this is? ]

 

— [ I work for you. ]

— [ Your father is tall. ]

— [ Are you for or against his idea? ]

— [ Where were you between one and three o’clock? ]

— [ You don’t have to come tomorrow. ]

 

— Ik heb jullie nodig.

— Ik heb goed nieuws voor jullie.

— Wat doet jullie vader ?

— Ik ben blij jullie weer te zien.

— Ik ben gek op jullie.

 

— Waar hebben jullie de jongen gezien ?

— Hoe oud zijn jullie kinderen ?

— Ik zal jullie vandaag verder niets vragen.

— Ik begrijp jullie vraag niet.

— Hebben jullie kinderen ?

 

— [ I need you. ]

— [ I have good news for you. ]

— [ What does your father do? ]

— [ I’m glad to see you again. ]

— [ I’m crazy about you. ]

 

— [ Where did you see the boy? ]

— [ How old are your children? ]

— [ I won’t ask you anything else today. ]

— [ I don’t understand your question. ]

— [ Do you have any children? ]

 

— Jullie spreken geen Engels.

— Jullie spreken geen Engels.

— Is jullie oom nog steeds in het buitenland ?

— Wanneer zijn jullie geboren ?

— Nu we het toch over vreemde talen hebben, spreken jullie Frans ?

 

— Het enige wat jullie kunnen doen, is elkaar vertrouwen.

— Wat gaan jullie vanavond doen ?

— Waar kennen jullie elkaar van ?

— Ik zal jullie wat foto’s laten zien.

— Wat doen jullie in je vrije tijd ?

 

— [ You don’t speak English. ]

— [ You all don’t speak English. ]

— [ Is your uncle still abroad? ]

— [ When were you born? ]

— [ Speaking of foreign languages, do you speak French? ]

 

— [ All you can do is trust one another. ]

— [ What are you going to do this evening? ]

— [ How do you know each other? ]

— [ I will show you some pictures. ]

— [ What do you do in your free time? ]

 

[ 148 ] ECHT

— Ik weet het echt niet.

— Ik was daar niet echt zeker van.

— Ik was daar niet echt zeker van.

— Is het echt zo moeilijk om Engels te spreken ?

— Ze is echt snel.

 

— Dat is echt een goed idee.

— Ik hoop echt dat dit een droom is.

— Weet ge wat het is, echt honger hebben ?

— Mijn ouders houden echt van mij.

— Ben je daar echt in geïnteresseerd ?

 

— [ I really don’t know. ]

— [ I wasn’t quite sure about that. ]

— [ I wasn’t really certain of that. ]

— [ Is it really that hard to speak English? ]

— [ She’s really quick. ]

 

— [ That’s a really great idea. ]

— [ I sure hope this is a dream. ]

— [ Do you know what it is like to be really hungry? ]

— [ My parents really love me. ]

— [ Are you really interested in that? ]

 

— Ik wil zien of hij het echt gerepareerd heeft.

— Dat is niet echt gebeurd.

— Alles wat je je kunt voorstellen is echt.

— Kinderen houden er echt van om op het strand te spelen.

— Alleen mijn moeder begrijpt me echt.

 

— Is het allemaal echt voorbij ?

— Kan je echt niet zwemmen ?

— Denkt je echt erover niet te gaan ?

— Het feestje was echt leuk.

— Het feestje was echt leuk.

 

— [ I want to see if he really fixed this. ]

— [ That didn’t really happen. ]

— [ Everything you can imagine is real. ]

— [ Children really like playing on the beach. ]

— [ Only my mother really understands me. ]

 

— [ Is it really all over? ]

— [ Can’t you really swim? ]

— [ Are you seriously thinking about not going? ]

— [ The party was a lot of fun. ]

— [ The party was really fun. ]

 

— Dat is niet echt een verrassing toch ?

— Ze was echt onder de indruk.

— Ze vind het echt leuk om gedichten te schrijven.

— Ze vind het echt leuk om gedichten te schrijven.

— Je bent echt niet dom.

 

— Ik snap echt niet wat er zo grappig is.

— Mijn hoofd doet echt pijn.

— Ze wilde echt het verhaal vertellen.

— Wil je echt een Franse film kijken ?

— Ik heb een echt zware dag gehad.

 

— [ It’s not much of a surprise, is it? ]

— [ She was really impressed. ]

— [ She really likes writing poems. ]

— [ She really likes to write poems. ]

— [ You’re really not stupid. ]

 

— [ I really don’t understand what’s so funny. ]

— [ My head really aches. ]

— [ She really wanted to tell the secret. ]

— [ Do you really want to see a French film? ]

— [ I’ve had a really tough day. ]

 

[ 149 ] WILLEN

— Wat willen ze dat we doen ?

— Ik zou graag een foto van je willen.

— Ik zou mijn vader willen zien.

— Dit is wat we willen weten.

— Dit is wat we willen weten.

 

— Ik had graag groter willen zijn.

— Ik zou graag willen weten wie mijn ouders zijn.

— Niet willen is hetzelfde als hebben.

— We willen geen mensen zoals jij in deze stad.

— We gaan naar school omdat we willen leren.

 

— [ What do they want us to do? ]

— [ I would like your picture. ]

— [ I wish to see my father. ]

— [ That is what we want to know. ]

— [ This is what we want to know. ]

 

— [ I wish I were taller. ]

— [ I would like to know who my parents are. ]

— [ Not wanting is the same as having. ]

— [ We don’t want people like you in this town. ]

— [ We go to school because we want to learn. ]

 

— Ik zou niet graag in haar schoenen willen staan.

— Ik zou mijn zoon willen zien.

— Hij heeft altijd Japans willen leren.

— We willen blijven wat we zijn.

— Ik zou willen dat ik zo kon zingen als jij.

 

— Ik zou niet in een ziekenhuis willen werken.

— Ik zou wel een glas water willen.

— Zou je graag beroemd willen zijn ?

— Waar zou u willen zitten ?

— Waar zou je als eerste heen willen ?

 

— [ I wouldn’t like to be in her shoes. ]

— [ I’d like to see my son. ]

— [ He always wanted to study Japanese. ]

— [ We wish to remain what we are. ]

— [ I wish I could sing like you do. ]

 

— [ I wouldn’t want to work in a hospital. ]

— [ I’d like to have a glass of water. ]

— [ Would you like to be famous? ]

— [ Where would you like to sit? ]

— [ Where would you like to go first? ]

 

— Ik zou willen opnieuw jong zijn.

— Ik zou willen opnieuw jong zijn.

— Ik zou willen opnieuw jong zijn.

— Ik zou je een vriend van mij willen voorstellen.

— Wat zou je in de toekomst willen doen ?

 

— Ik zou een koffie willen drinken.

— Ik zou heel graag een koud glas bier willen hebben.

— Ik zou graag in New York willen wonen.

— Veel mensen willen niet geloven dat dit een verzonnen verhaal is.

— Veel mensen willen niet geloven dat dit een verzonnen verhaal is.

 

— [ I wish that I were young again. ]

— [ I wish I were young again. ]

— [ I wish I was young again. ]

— [ I would like you to meet a friend of mine. ]

— [ What would you like to do in the future? ]

 

— [ I would like to drink a coffee. ]

— [ I would love a cold glass of beer. ]

— [ I’d like to live in New York. ]

— [ Many people did not want to believe that this story was made up. ]

— [ Many people did not want to believe that this was a fabricated story. ]

 

[ 150 ] MAAKT

— Het maakt me niet uit als het heet is.

— Het maakt niet meer uit.

— Het maakt niet uit.

— Het maakt mij niet uit of hij wel of niet komt.

— Het maakt ons niet uit wat hij doet.

 

— Mij maakt het niet uit wat de mensen zeggen.

— Maakt niet uit.

— Wat maakt dat jij zo denkt ?

— Zijn moeder maakt zich zorgen over hem.

— Het maakt al het verschil.

 

— [ I don’t mind if it’s hot. ]

— [ It doesn’t matter anymore. ]

— [ It doesn’t matter. ]

— [ It makes no difference to me whether he comes or not. ]

— [ We don’t care what he does. ]

 

— [ I don’t care what people say. ]

— [ Never mind. ]

— [ What is it that makes you think that way? ]

— [ His mother is worried about him. ]

— [ It makes all the difference. ]

 

— Zelfs als het waar is, maakt het weinig uit.

— De vrouw maakt het meisje wakker.

— Wie maakt zich daar druk over ?

— Geld maakt niet gelukkig.

— Jij maakt me gelukkig.

 

— Mijn moeder maakt het ontbijt klaar.

— Mijn gehele familie maakt het erg goed.

— Ze maakt zich zorgen om uw veiligheid.

— Ze maakt kip klaar op de manier die ik lekker vind.

— De mens is het enige dier dat gebruik maakt van vuur.

 

— [ Even if it is true, it matters little. ]

— [ The woman awakens the girl. ]

— [ Who cares about that? ]

— [ Money doesn’t buy happiness. ]

— [ You make me happy. ]

 

— [ My mother is cooking breakfast. ]

— [ My family are all very well. ]

— [ She’s worrying for your safety. ]

— [ She cooks chicken the way I like. ]

— [ Man is the only fire-using animal. ]

 

— Jouw glimlach maakt me altijd blij.

— Hij is zo’n onbedachtzame jongen dat hij heel vaak fouten maakt.

— Hij maakt een slechte indruk.

— Hij maakt veel kans om te winnen.

— Jouw glimlach maakt me altijd gelukkig.

 

— Melk maakt ons sterk.

— Het maakt me niet uit om in de regelen te wandelen.

— Elke fout maakt me sterker.

— Lang wachten op een vriend maakt me zenuwachtig.

— Een slechte vrouw maakt een scheepswrak van haar man.

 

— [ Your smile always makes me happy. ]

— [ He is such a careless boy that he makes mistakes very often. ]

— [ He makes a bad impression. ]

— [ There is a good chance that he will win. ]

— [ Your smile always makes me happy. ]

 

— [ Milk makes us strong. ]

— [ It doesn’t bother me to walk in the rain. ]

— [ Every mistake made me stronger. ]

— [ Waiting a long time for a friend makes me nervous. ]

— [ A bad wife turns her husband into a shipwreck. ]

 

[ 151 ] TOEN

— Was je toen op school ?

— Toen ik tien was, ging mijn broer bij ons thuis weg.

— Mijn moeder stierf toen ik nog een kind was.

— Het is tien jaar geleden, toen hij in Amerika was.

— Ik was een brief aan het schrijven toen hij kwam.

 

— Ik stond op toen het nog donker was.

— Ze was mooi toen ze jong was.

— Ik heb hem ontmoet toen ik in Parijs was.

— Was je op weg naar het treinstation toen ik je zag ?

— Ze kon lezen toen ze vier was.

 

— [ Were you at school at that time? ]

— [ When I was 10, my brother left our home. ]

— [ My mother died when I was a kid. ]

— [ Ten years have passed since he went to America. ]

— [ I was writing a letter when he came. ]

 

— [ I got up while it was still dark. ]

— [ She was beautiful when she was young. ]

— [ I met him while I was staying in Paris. ]

— [ Were you going to the train station when I saw you? ]

— [ She could read when she was four. ]

 

— Ze kwam één keer toen mijn zuster thuis was.

— Zij zijn getrouwd toen ze nog jong waren.

— Zij zijn getrouwd toen ze nog jong waren.

— Ik wilde net een brief schrijven, toen hij thuis kwam.

— Ik ontmoette hem juist toen hij uit school kwam.

 

— Toen ik op straat liep, ontmoette ik een oude vriend.

— Ik kon het niet helpen te lachen toen ik hem zag.

— Ze werd bleek toen ze het nieuws hoorde.

— Deze foto herinnert me aan toen ik een student was.

— Ik speelde vaak honkbal toen ik jong was.

 

— [ She once came when my sister was home. ]

— [ They married when they were young. ]

— [ They got married when they were still young. ]

— [ I was just going to write a letter when he came home. ]

— [ I met him just as he was coming out of school. ]

 

— [ Walking along the street, I met an old friend. ]

— [ I could not help laughing when I saw him. ]

— [ She turned pale when she heard that news. ]

— [ This picture reminds me of when I was a student. ]

— [ I often played baseball when I was young. ]

 

— Toen was ik student.

— Dit is het huis waarin ik leefde toen ik klein was.

— Toen ze jong was, was ze zeer populair.

— Hij kwam pas toen ik belde.

— Toen waren we jonger.

 

— Ik heb leren fietsen toen ik zes was.

— Toen ik het treinstation verliet zag ik een man.

— Dat is niet gebeurd toen ik Esperanto leerde.

— Toen de grote aardbeving gebeurde, was ik pas tien jaar.

— Hij trok wit weg toen hij het nieuws hoorde.

 

— [ I was a student at that time. ]

— [ This is the house I lived in when I was young. ]

— [ When she was young, she was very popular. ]

— [ It was not until I called that he came. ]

— [ We were younger then. ]

 

— [ I learned how to ride a bike when I was six years old. ]

— [ Leaving the train station I saw a man. ]

— [ That didn’t happen when I was learning Esperanto. ]

— [ When the big earthquake occurred, I was just ten. ]

— [ His face turned pale to hear the news. ]

 

[ 152 ] HOND

— De hond is in het huis.

— Ik heb een hond.

— Deze hond is van mij.

— Hij heeft een hond.

— Heeft hij een hond ?

 

— Dit is een hond.

— Ik heb een kat en een hond.

— Ze was bang voor de hond.

— Waar is mijn hond ?

— Was je je hond elke dag ?

 

— [ The dog is in the house. ]

— [ I have a dog. ]

— [ This dog is mine. ]

— [ He has a dog. ]

— [ Does he have a dog? ]

 

— [ This is a dog. ]

— [ I have a cat and a dog. ]

— [ She was afraid of the dog. ]

— [ Where is my dog? ]

— [ Do you wash your dog every day? ]

 

— We hebben een hond en een kat.

— De naam van de hond is Ken.

— Hij zag een hond bij de deur.

— Dit is jouw hond.

— Wat een grote hond !

 

— Ik heb een zeer mooie hond.

— Waar is jouw hond ?

— Ik zag een hond.

— De hond ging weg.

— De hond is dood.

 

— [ We own a dog and a cat. ]

— [ The dog’s name is Ken. ]

— [ He saw a dog near the door. ]

— [ This is your dog. ]

— [ What a big dog! ]

 

— [ I have a very beautiful dog. ]

— [ Where is your dog? ]

— [ I saw a dog. ]

— [ The dog went away. ]

— [ The dog is dead. ]

 

— De hond was dood.

— Er staat een hond op de brug.

— Gisteren heeft mijn oom een hond gekocht.

— De hond zat achter de kat aan.

— Je moet zelf voor je hond zorgen.

 

— De hond is aan het sterven.

— Ik houd van deze hond.

— Zag je de hond niet door de tuin lopen ?

— Kijk naar die grote hond.

— Een hond rende achter een kat aan.

 

— [ The dog was dead. ]

— [ There is a dog on the bridge. ]

— [ Yesterday my uncle bought a dog. ]

— [ The dog ran after the cat. ]

— [ You must take care of your dog yourself. ]

 

— [ The dog is dying. ]

— [ I like this dog. ]

— [ Didn’t you see a dog pass through the yard? ]

— [ Look at that big dog. ]

— [ A dog was running after a cat. ]

 

[ 153 ] BROER

— Het is van mijn broer.

— Hij is mijn broer, niet mijn vader.

— Hij is mijn broer.

— Ik heb geen broer.

— Ik heb geen broer.

 

— Dit is mijn broer.

— Hoe gaat het met je broer ?

— Mijn broer is net zo groot als ik.

— Ik kan hem en zijn broer niet uit elkaar houden.

— De fiets die daar staat is van mijn broer.

 

— [ It’s my brother’s. ]

— [ He is my brother, not my father. ]

— [ He is my brother. ]

— [ I don’t have any brothers. ]

— [ I don’t have a brother. ]

 

— [ This is my brother. ]

— [ How’s your brother? ]

— [ My brother is as tall as me. ]

— [ I can’t tell him from his brother. ]

— [ That bicycle over there is my brother’s. ]

 

— Ze had geen broer.

— Hij is langer dan zijn broer.

— Ik ben ouder dan uw broer.

— Toen ik tien was, ging mijn broer bij ons thuis weg.

— Mijn zus is ouder dan mijn broer.

 

— Ik kwam je broer tegen op straat.

— Ik gaf mijn broer een woordenboek.

— Haar oudere broer is twee jaar ouder dan ik.

— Haar oudere broer is twee jaar ouder dan ik.

— Je ziet er uit als je oudere broer.

 

— [ She had no brother. ]

— [ He is taller than his brother. ]

— [ I’m older than your brother. ]

— [ When I was 10, my brother left our home. ]

— [ My sister is older than my brother. ]

 

— [ I ran into your brother on the street. ]

— [ I gave my brother a dictionary. ]

— [ His older brother is two years older than I. ]

— [ Her older brother is two years older than I. ]

— [ You look just like your older brother. ]

 

— Mijn broer is leraar.

— De broer schreef een brief aan de zus.

— Hij vertelde het verhaal aan zijn broer.

— Eerst dacht ik dat hij je broer was.

— Ze werd verliefd op de broer van haar vriend.

 

— Hij is mijn oudere broer.

— Ik heb zijn roman niet gelezen en mijn broer ook niet.

— Uw broer is erg kwaad.

— Mijn broer is ziek sinds gisteren.

— Uw broer heeft mij gezegd dat ge naar Parijs geweest zijt.

 

— [ My brother is a teacher. ]

— [ The brother wrote a letter to the sister. ]

— [ He told his brother the story. ]

— [ At first, I thought he was your brother. ]

— [ She fell in love with her friend’s brother. ]

 

— [ He’s my older brother. ]

— [ I haven’t read his novel, and my brother hasn’t either. ]

— [ Your brother is very angry. ]

— [ My brother has been sick since yesterday. ]

— [ Your brother said you’d gone to Paris. ]

 

[ 154 ] BANG

— Ik ben niet meer bang.

— Ze zijn bang voor hem.

— Ik ben niet bang.

— Ik ben niet bang.

— Ik ben van niets bang.

 

— Ik ben van niets bang.

— Ik ben bang dat er geen koffie meer over is.

— Ze was bang voor de hond.

— Ze was een kind, maar ze was niet bang.

— Er is niks om bang voor te zijn.

 

— [ I’m not afraid any more. ]

— [ They’re afraid of him. ]

— [ I’m not afraid. ]

— [ I am not afraid. ]

— [ I’m not frightened of anything. ]

 

— [ I’m not afraid of anything. ]

— [ I’m afraid there isn’t any coffee left. ]

— [ She was afraid of the dog. ]

— [ She was a child, but she wasn’t afraid. ]

— [ There’s nothing to be afraid of. ]

 

— Er is niks om bang voor te zijn.

— U bent bang voor hem.

— Ze zijn niet bang van de dood.

— We zijn niet bang voor de dood.

— Jullie zijn bang voor hem.

 

— Ik ben helemaal niet bang.

— Jij bent bang voor hem.

— Ik ben bang dat hij in gesprek is.

— Ik was erg bang in het vliegtuig.

— Ik ben bang dat ik je boos zou maken.

 

— [ There is nothing to fear. ]

— [ You’re afraid of him. ]

— [ They aren’t afraid of death. ]

— [ We aren’t afraid of death. ]

— [ You’re afraid of him. ]

 

— [ I’m not afraid at all. ]

— [ You’re afraid of him. ]

— [ I’m afraid the line is busy. ]

— [ I was very afraid in the airplane. ]

— [ I’m afraid that I might make you angry. ]

 

— Je hoeft niet bang te zijn om fouten te maken.

— Ik ben bang voor het donker.

— Waarom zijn mensen bang voor jou ?

— Het kind is bang in het donker.

— Ze is nergens bang voor.

 

— Hij is bang fouten te maken.

— Hij is bang fouten te maken.

— Wees niet bang om fouten te maken als je Engels spreekt.

— Zij is nergens bang voor.

— Hij is bang voor de honden.

 

— [ You don’t need to be afraid of making mistakes. ]

— [ I have a fear of the dark. ]

— [ Why are people scared of you? ]

— [ The child is afraid of the dark. ]

— [ She is not afraid of anything. ]

 

— [ He is afraid of making mistakes. ]

— [ He’s afraid of making mistakes. ]

— [ Don’t be afraid of making mistakes when speaking English. ]

— [ She is not afraid of anything. ]

— [ He is afraid of the dogs. ]

 

[ 155 ] VROUW

— Ik ben een vrouw.

— Ik hou van mijn vrouw.

— Hoe gaat het met je vrouw ?

— Hoe gaat het met je vrouw ?

— Dat is de vrouw die u wil zien.

 

— Hoe gaat het met mijn vrouw ?

— Ik kwam een oude vrouw tegen.

— Wie is die vrouw die daar staat ?

— Wie is deze vrouw ?

— Mijn vrouw zal ook blij zijn u te zien.

 

— [ I am a woman. ]

— [ I love my wife. ]

— [ How’s your wife? ]

— [ How’s your wife doing? ]

— [ That is the woman who wants to see you. ]

 

— [ How’s my wife doing? ]

— [ I met an old woman. ]

— [ Who’s that woman standing over there? ]

— [ Who is this woman? ]

— [ My wife will be glad to see you, too. ]

 

— De vrouw is aan het lezen.

— Je bent een mooie vrouw.

— Waar heeft u deze vrouw gezien ?

— Mijn vrouw denkt dat ik gek ben.

— Het is heel jammer dat je vrouw niet kon komen.

 

— De vrouw maakt het meisje wakker.

— Ik zoek een tas voor mijn vrouw.

— Jij bent de mooiste vrouw die ik ooit gezien heb.

— Hij wilde vroeg wakker gemaakt worden door zijn vrouw.

— Jij bent de vrouw van mijn dromen.

 

— [ The woman is reading. ]

— [ You’re a beautiful woman. ]

— [ Where did you see this woman? ]

— [ My wife thinks I’m crazy. ]

— [ It’s an awful shame your wife couldn’t come. ]

 

— [ The woman awakens the girl. ]

— [ I’m looking for a bag for my wife. ]

— [ You are the most beautiful woman I have ever seen. ]

— [ He wanted to be woken up early by his wife. ]

— [ You are the woman of my dreams. ]

 

— Ik heb dit boek voor mijzelf gekocht, niet voor mijn vrouw.

— Hij heeft geluk zo’n goede vrouw te hebben.

— Hij is twee keer zo zwaar als zijn vrouw.

— Doe alstublieft uw vrouw de groeten voor me.

— Wie is de vrouw met de bruine jas ?

 

— Zijn vrouw is Franse.

— De vrouw praat alsof ze een lerares is.

— Ik leerde mijn vrouw kennen op een feestje.

— Als hij onschuldig is, dan is zijn vrouw schuldig.

— De vrouw is dik.

 

— [ I bought the book for myself, not for my wife. ]

— [ He is fortunate having such a good wife. ]

— [ He is twice as heavy as his wife. ]

— [ Please say hello to your wife for me. ]

— [ Who is that woman with the brown coat? ]

 

— [ His wife is French. ]

— [ The woman speaks as if she were a teacher. ]

— [ I got acquainted with my wife at a party. ]

— [ If he is innocent, then his wife is guilty. ]

— [ The woman is fat. ]

 

[ 156 ] GROTE

— Het is de grote.

— Ik wil in een grote stad leven.

— Je bent de grote liefde van mijn leven.

— Wat een grote hond !

— Gisteren zag ze een grote man.

 

— Gisteren heeft hij een grote man gezien.

— Ik woon in een grote stad.

— Ik heb een grote familie.

— Kijk naar die grote hond.

— Hij heeft grote problemen.

 

— [ It’s the big one. ]

— [ I want to live in a big city. ]

— [ You are the great love of my life. ]

— [ What a big dog! ]

— [ She saw a tall man yesterday. ]

 

— [ Yesterday he saw a big man. ]

— [ I live in a big city. ]

— [ I have a large family. ]

— [ Look at that big dog. ]

— [ He has big problems. ]

 

— Hij kwam naar Tokyo met een grote droom.

— New York is een grote stad.

— We wonen in de buurt van een grote bibliotheek.

— Hij kwam met een grote bos bloemen.

— Een klein dorp groeide uit tot een grote stad.

 

— Hij deed grote moeite mij te helpen.

— Kijk naar het grote gebouw daar.

— Hij had een grote doos in zijn armen.

— Een kleine stad ligt tussen de grote steden.

— Toen de grote aardbeving gebeurde, was ik pas tien jaar.

 

— [ He came up to Tokyo with a big dream. ]

— [ New York is a big city. ]

— [ We live near a big library. ]

— [ He came bearing a large bunch of flowers. ]

— [ A small village grew into a large city. ]

 

— [ He went out of his way to assist me. ]

— [ Look at the large building over there. ]

— [ He was holding a large box in his arms. ]

— [ A small town lies between the big cities. ]

— [ When the big earthquake occurred, I was just ten. ]

 

— Ik heb nog nooit zo’n grote walvis gezien.

— Tot mijn grote verrassing ging de deur open zonder veel geluid.

— Ik heb nooit zo’n grote walvis gezien.

— Vorige nacht was er een grote brand in de buurt.

— Mijn grote broer kan rijden.

 

— Ik bezoek niet graag grote steden.

— Ik wil geen grote, mooie bruiloft.

— De oude heeft een grote vis gevangen.

— De oude heeft een grote vis gevangen.

— Mijn broer heeft een grote vis gevangen.

 

— [ I’ve never seen a whale that big. ]

— [ Much to my surprise, the door opened noiselessly. ]

— [ I never saw so big a whale. ]

— [ Last night there was a big fire in the neighbourhood. ]

— [ My older brother knows how to drive. ]

 

— [ I don’t like visiting big cities. ]

— [ I don’t want a big, fancy wedding. ]

— [ The old man captured a big fish. ]

— [ That old man caught a large fish. ]

— [ My brother caught a big fish. ]

 

[ 157 ] GAF

— Hij gaf hem een boek.

— Hij gaf me het geld terug.

— Ze gaf hem een horloge.

— Ik gaf mijn broer een woordenboek.

— Als ik geen antwoord gaf zou ik niet gesproken hebben.

 

— Hij gaf zijn ouders antwoord.

— Hij gaf zijn ouders antwoord.

— Hij gaf mij de schuld van het ongeluk.

— Ik gaf hem wat advies.

— Ze gaf hem zijn jas.

 

— [ He gave him a book. ]

— [ He gave me back the money. ]

— [ She gave him a watch. ]

— [ I gave my brother a dictionary. ]

— [ If I gave no answer, I would not have spoken. ]

 

— [ He answered his parents. ]

— [ He replied to his parents. ]

— [ He blamed the accident on me. ]

— [ I gave him some advice. ]

— [ She handed him his jacket. ]

 

— De reden die hij gaf zijn moeilijk om te begrijpen.

— Ik gaf hem mijn adres.

— Mijn oom gaf hem een geschenk.

— Hij gaf toe dat hij op mij verliefd was geworden.

— Ik gaf het aan mijn mama.

 

— Hij gaf me een cadeau.

— Hij gaf me een voorbeeld.

— Het horloge dat je me gaf gedraagt zich vreemd.

— Hij gaf mij geld, maar ik heb het hem onmiddellijk teruggegeven.

— Hij gaf anderen de schuld voor zijn eigen falen.

 

— [ The reason which he gave is hard to understand. ]

— [ I gave him my address. ]

— [ My uncle gave him a present. ]

— [ He confessed that he had fallen in love with me. ]

— [ I gave it to my mommy. ]

 

— [ He gave me a present. ]

— [ He gave me an example. ]

— [ The watch you gave me is behaving strangely. ]

— [ He gave me money, but I gave it back to him immediately. ]

— [ He blamed others for his own failure. ]

 

— Hij gaf zijn leven voor de natie.

— Hij gaf haar haar eerste kus.

— Hij gaf ieder een pen.

— Ik gaf hem drie boeken in ruil voor z’n hulp.

— Ze gaf me plotseling een kus.

 

— Ze gaf me plotseling een kus.

— Ze gaf hem de tip af te vallen.

— Ze gaf me een cadeautje.

— De koning gaf het bevel dat de gevangene vrijgelaten moest worden.

— Ze gaf me een charmerende glimlach.

 

— [ He gave his life for the nation. ]

— [ He gave her her first kiss. ]

— [ He gave each of them a pencil. ]

— [ I gave him three textbooks in exchange for his help. ]

— [ She gave me a kiss suddenly ]

 

— [ She suddenly kissed me. ]

— [ She advised him to lose weight. ]

— [ She gave me a present. ]

— [ The king ordered that the prisoner should be set free. ]

— [ She gave me a charming smile. ]

 

[ 158 ] DOEN

— Ik heb met je te doen.

— Wat denk je dat ik aan het doen was ?

— Is er iets dat ik voor u kan doen ?

— Ik heb te veel te doen.

— Kan je dat doen ? Ik denk het.

 

— Wat is hij aan het doen ?

— Het is beter voor je om het nu te doen.

— Wat was je aan het doen ?

— Wat ben je aan het doen ?

— Wat ben je aan het doen ?

 

— [ I feel for you. ]

— [ What do you think I’ve been doing? ]

— [ Is there anything that I can do for you? ]

— [ I’ve got too much to do. ]

— [ Can you do that? I think so. ]

 

— [ What is he doing? ]

— [ It is better for you to do it now. ]

— [ What were you doing? ]

— [ What are you doing? ]

— [ What do you do? ]

 

— Ik weet niet wat ik nog meer kan doen.

— Er moet iets zijn dat je kan doen.

— Is er iets dat ik kan doen ?

— Ik weet niet meer wat ik moet doen.

— Ik heb niets met hem van doen.

 

— Wat wil je met haar doen ?

— Hij zou in staat zijn dat te doen.

— De vraag is of hij het kan doen of niet.

— Het is alles wat ik wil doen.

— Is er nog iets dat je moet doen vandaag ?

 

— [ I don’t know what else to do. ]

— [ There must be something you can do. ]

— [ Is there anything I can do? ]

— [ I don’t know what to do anymore. ]

— [ I have nothing to do with him. ]

 

— [ What do you want to do to her? ]

— [ That he would be able to do. ]

— [ The question is whether he can do it or not. ]

— [ It is all I want to do. ]

— [ Is there anything you need to do today? ]

 

— Dat zou ik niet doen als ik jou was.

— Ik weet niet wat ik van nu af aan moet doen.

— Ik wil het niet nog eens doen.

— Wat kan je nog meer doen ?

— Ik zal het nooit meer doen.

 

— Ik zal het doen.

— Om het even wie van u kan het doen.

— Wat denk je, wat zou ze gaan doen ?

— Ze vroeg mij het te doen.

— Je kan me niets laten doen dat ik niet wil doen.

 

— [ I wouldn’t do that if I were you. ]

— [ I don’t know what to do from now on. ]

— [ I don’t want to do it again. ]

— [ What else can you do? ]

— [ I will not do it again. ]

 

— [ I will. ]

— [ Any of you can do it. ]

— [ What do you think she is going to do? ]

— [ She asked me to do it. ]

— [ You can’t make me do anything I don’t want to do. ]

 

[ 159 ] ZEER

— Het spijt me zeer dat ik zo laat ben !

— Ik heb een zeer mooie hond.

— Hij spreekt zeer goed Engels.

— Engels is een zeer moeilijk te leren taal.

— Ik ben zeer trots op mijn vader.

 

— Dit boek zal ons zeer van pas komen.

— Dit boek zal ons zeer van pas komen.

— Ik ben zeer trots op mijn zoon.

— Het spijt me zeer.

— Hij speelt zeer goed.

 

— [ Many apologies for being so late! ]

— [ I have a very beautiful dog. ]

— [ He speaks English very well. ]

— [ English is a hard language to learn. ]

— [ I’m very proud of my father. ]

 

— [ This book will be of great use to us. ]

— [ This book will be very useful to us. ]

— [ I’m very proud of my son. ]

— [ I’m very sorry. ]

— [ He plays very well. ]

 

— Hij is een zeer gevaarlijk man.

— Zijn concert was zeer goed.

— Mijn broer kan zeer snel lopen.

— Zij is zeer mooi.

— Dit boek was zeer interessant.

 

— Ik ben zeer blij dat je dat plan aanvaard hebt.

— Hij speelt zeer goed tennis.

— Ik was zeer onder de indruk van zijn toespraak.

— Toen ze jong was, was ze zeer populair.

— Jouw dochter is zeer mooi.

 

— [ He is very a dangerous man. ]

— [ His concert was very good. ]

— [ My brother can run very fast. ]

— [ She’s very beautiful. ]

— [ This book was very interesting. ]

 

— [ I am very happy that you have agreed to that plan. ]

— [ He plays tennis very well. ]

— [ I was much impressed by his speech. ]

— [ When she was young, she was very popular. ]

— [ Your daughter is very pretty. ]

 

— Zij speelt zeer goed piano.

— Ik ben zeer benieuwd te weten waarom hij zoiets deed.

— Hij was zeer lief voor hen.

— Gisteren luisterde ik naar een zeer mooi lied.

— Het begon al snel zeer hard te regenen.

 

— Ik ben zeer dankbaar voor jouw hulp.

— Bob kwam zeer laat thuis.

— Dat is zeer duur !

— De tweede les is zeer eenvoudig.

— Deze film is zeer omstreden.

 

— [ She plays the piano very well. ]

— [ I am very anxious to know why he did such a thing. ]

— [ He was very kind to them. ]

— [ Yesterday I listened to a very beautiful song. ]

— [ It soon began to rain very hard. ]

 

— [ I am very grateful for your help. ]

— [ Bob came home very late. ]

— [ That is very expensive! ]

— [ The second lesson is very simple. ]

— [ This movie is highly controversial. ]

 

[ 160 ] WANNEER

— Ik weet niet wanneer hij hier zal zijn.

— Ik weet niet wanneer hij komt.

— Ik weet niet wanneer hij hier zal komen.

— Ik ben niet zeker wanneer hij terug zal zijn.

— Wanneer komt het u uit ?

 

— Weet je, wanneer ze komt ?

— Ik weet niet wanneer mijn moeder terug zal komen.

— Wanneer ga je naar school ?

— Je bent vrij om te gaan wanneer je ook wil.

— Ik ga wanneer jij ook gaat.

 

— [ I don’t know when he will be here. ]

— [ I don’t know when he will come. ]

— [ I don’t know when he will come here. ]

— [ I am not sure when he will be back. ]

— [ When would it be convenient for you? ]

 

— [ Do you know when she will come? ]

— [ I don’t know when my mother will come back. ]

— [ When do you leave for school? ]

— [ You are free to leave any time you wish. ]

— [ I will go when you do. ]

 

— Ik weet niet precies wanneer ik terug zal zijn.

— Ik weet niet wanneer zij kan komen.

— Ik weet niet zeker wanneer hij op komt dagen.

— Wanneer zullen we er zijn ?

— Het leven begint wanneer je klaar bent om het te leven.

 

— Wanneer kom je terug naar huis ?

— Het is niet duidelijk waar en wanneer ze werd geboren.

— Wanneer kom je terug naar school ?

— Ik zal komen wanneer ik mijn huiswerk gedaan heb.

— Wanneer heb je je Auto gekocht ?

 

— [ I don’t know exactly when I’ll be back. ]

— [ I do not know when she can come. ]

— [ I’m not sure when he’ll turn up. ]

— [ When do we arrive? ]

— [ Life begins when you’re ready to live it. ]

 

— [ When do you return home? ]

— [ It is not clear when and where she was born. ]

— [ When will you come back to school? ]

— [ I’ll come when I have done my homework. ]

— [ When did you buy your car? ]

 

— Wanneer ik je ook zie, ben ik gelukkig.

— Wanneer ben je geboren ?

— Wanneer hij erachter zal komen zal het al te laat zijn.

— Wanneer kunnen we eten ?

— Vraag hem wanneer het volgende vliegtuig gaat.

 

— Wanneer bent u geboren ?

— Wanneer zijn jullie geboren ?

— Ik weet niet wanneer hij terug is gekomen uit Frankrijk.

— Ik weet niet wanneer hij terug is gekomen uit Frankrijk.

— Wanneer komt zijn nieuwe roman uit ?

 

— [ Whenever I see you, I feel happy. ]

— [ When were you born? ]

— [ By the time he finds out, it will be too late. ]

— [ When can we eat? ]

— [ Ask him when the next plane leaves. ]

 

— [ When were you born? ]

— [ When were you born? ]

— [ I don’t know when he returned from France. ]

— [ I don’t know when he got back from France. ]

— [ When will his new novel come out? ]

 

[ 161 ] ALLE

— Ik hou van alle twee.

— Niet alle boeken op tafel zijn van mij.

— Niet alle boeken zijn goede boeken.

— Ik werk alle dagen van negen tot vijf.

— Dat is het woordenboek dat ik alle dagen gebruik.

 

— Niet alle boeken zijn het waard om te lezen.

— Niet alle kinderen houden van appels.

— Hij heeft meer boeken dan alle anderen samen.

— Mijn moeder heeft me alle liefde die ik nodig had gegeven.

— We hebben het zo druk dat we alle hulp kunnen gebruiken.

 

— [ I like both. ]

— [ Not every book on the desk belongs to me. ]

— [ Not all books are good books. ]

— [ I work from nine to five every day. ]

— [ This is the dictionary I use every day. ]

 

— [ Not all the books are worth reading. ]

— [ Not all children like apples. ]

— [ He’s got more books than all the others put together. ]

— [ My mother gave me all the love I needed. ]

— [ We are so busy we’ll take any help we can get. ]

 

— Wij zijn alle drie studenten.

— Alle mensen zijn gelijk.

— Ik heb alle respect voor jou verloren.

— Alle mensen moeten sterven.

— Alle appels zijn rood.

 

— Dit boek is het kleinste van alle boeken.

— Alle studenten komen uit de Verenigde Staten.

— Geld is de wortel van alle kwaad.

— In alle geval kunt ge beter gehoorzamen aan uw ouders.

— God is de oorzaak van alle dingen.

 

— [ All three of us are students. ]

— [ All men are equal. ]

— [ I have lost all respect for you. ]

— [ All men must die. ]

— [ All apples are red. ]

 

— [ This book is the smallest of all the books. ]

— [ All the students come from the US. ]

— [ Money is the root of all evil. ]

— [ In any case you had better obey your parents. ]

— [ God is the cause of all things. ]

 

— Ze kon altijd op alle vragen antwoorden.

— Alle kleur trok weg uit zijn gezicht.

— Alle jongens spelen graag honkbal.

— Het zwembad wordt gemeenschappelijk gebruikt door alle kinderen in de buurt.

— Hij houdt van alle dieren, behalve paarden.

 

— De politieagent bezocht alle huizen.

— Bijna alle werknemers weigerden te werken tijdens de nacht.

— De enige hulpbron die kostbaarder was dan alle andere was land.

— Alle bussen zijn vol.

— Mijn ouders telefoneren mij alle dagen.

 

— [ She was always able to answer all the questions. ]

— [ All the color drained away from his face. ]

— [ All boys like to play baseball. ]

— [ The swimming pool is used in common by all the children in the neighborhood. ]

— [ He likes all animals except horses. ]

 

— [ The policeman visited all the houses. ]

— [ Almost all workers refused to work during the night. ]

— [ The one resource more precious than any other was land. ]

— [ All the buses are full. ]

— [ My parents call me up every day. ]

 

[ 162 ] MOEILIJK

— Ik zal moeilijk voor je zijn om Engels te spreken.

— Het is niet moeilijk om Engels te spreken.

— Dit boek is te moeilijk voor mij om te lezen.

— Het is niet zo moeilijk als je denkt.

— Is het moeilijk om Engels te spreken ?

 

— Is het echt zo moeilijk om Engels te spreken ?

— Het ziet er heel moeilijk uit !

— Dit huiswerk is moeilijk voor mij.

— Engels spreken is moeilijk voor mij.

— Het is moeilijk om drie talen te spreken.

 

— [ It will be hard for you to speak English. ]

— [ It is not difficult to speak English. ]

— [ This book is too difficult for me to read. ]

— [ It is not so difficult as you think. ]

— [ Is it hard to speak English? ]

 

— [ Is it really that hard to speak English? ]

— [ It looks really hard! ]

— [ This homework is difficult for me. ]

— [ Speaking English is very difficult for me. ]

— [ It’s hard to speak three languages. ]

 

— Het is moeilijk om een vreemde taal te leren.

— Het is moeilijk om een vreemde taal te leren.

— Het is moeilijk om een vreemde taal te leren.

— Het is niet moeilijk als je studeert.

— Ik dacht dat dat boek moeilijk te lezen was.

 

— Engels is een zeer moeilijk te leren taal.

— Het is moeilijk dit verhaal aan te passen voor kinderen.

— Het is moeilijk te geloven.

— Ik kan het moeilijk geloven.

— Engels spreken is moeilijk.

 

— [ Learning a foreign language is difficult. ]

— [ It’s difficult to learn a foreign language. ]

— [ It’s hard to learn a foreign language. ]

— [ It’s not difficult if you study. ]

— [ I thought that book was difficult to read. ]

 

— [ English is a hard language to learn. ]

— [ It is hard to adapt this story for children. ]

— [ It’s hard to believe. ]

— [ I can hardly believe it. ]

— [ Speaking English is difficult. ]

 

— Een vreemde taal leren is moeilijk.

— Engels is voor mij te moeilijk om te begrijpen.

— Het is erg moeilijk jezelf te leren kennen.

— De reden die hij gaf zijn moeilijk om te begrijpen.

— Dit boek is te moeilijk te begrijpen.

 

— Het kan moeilijk zijn om een appartement te vinden.

— Het is moeilijk voor buitenlanders om Japans te leren.

— Het is moeilijk voor buitenlanders om Japans te leren.

— Deze theorie is voor mij te moeilijk om te verstaan.

— Het is moeilijk om uit bed te komen op koude morgens.

 

— [ Studying a foreign language is hard. ]

— [ English is too difficult for me to understand. ]

— [ It’s very difficult to know yourself. ]

— [ The reason which he gave is hard to understand. ]

— [ This book is too difficult to understand. ]

 

— [ Finding an apartment can be difficult. ]

— [ It is hard for foreigners to learn Japanese. ]

— [ It’s hard for foreigners to learn Japanese. ]

— [ This theory is too difficult for me to comprehend. ]

— [ It’s difficult to get out of bed on cold mornings. ]

 

[ 163 ] WOONT

— Dat is het huis waar hij woont.

— Ik weet waar je woont.

— Hij woont hier niet meer.

— Ik weet waar hij woont.

— Ik weet wie in dit huis woont.

 

— Ik weet waar ze woont.

— Mijn vriend woont in dit huis.

— Ze woont al vijf jaar in deze stad.

— Hij woont ver van mijn huis.

— Hij woont bij zijn ouders.

 

— [ That is the house where he lives. ]

— [ I know where you live. ]

— [ He doesn’t live here anymore. ]

— [ I know where he lives. ]

— [ I know who lives in this house. ]

 

— [ I know where she lives. ]

— [ My friend lives in this house. ]

— [ She has lived in this city for five years already. ]

— [ He lives far away from my house. ]

— [ He lives with his parents. ]

 

— Waar woont u nu ?

— Waar woont hij ?

— Ken jij de stad waar hij woont ?

— Niemand woont in dit huis.

— Woont u hier ?

 

— Mijn oom woont in de buurt van de school.

— Woont ge bij uw ouders ?

— Weet gij waar hij woont ?

— Niet iedereen die hier woont is rijk.

— Hij woont samen met zijn ouders.

 

— [ Where do you live now? ]

— [ Where does he live? ]

— [ Do you know the town where he lives? ]

— [ Nobody lives in this house. ]

— [ Do you live here? ]

 

— [ My uncle lives near the school. ]

— [ Do you live with your parents? ]

— [ Do you know where he lives? ]

— [ Not everyone who lives here is rich. ]

— [ He lives with his parents. ]

 

— Hij woont in deze straat.

— Ik heb een vriend die in Londen woont.

— Ik heb een vriend die in Engeland woont.

— Zeg me waar ze woont.

— Hij woont in een dorp.

 

— Mijn vader woont en werkt in Tokio.

— Ik heb een oom die in Kyoto woont.

— Weet je toevallig waar ze woont ?

— Ik heb een vriend die in Kioto woont.

— Mijn familie woont daar al twintig jaar.

 

— [ He lives on this street. ]

— [ I have a friend living in London. ]

— [ I have a friend who lives in England. ]

— [ Tell me where she lives. ]

— [ He lives in a village. ]

 

— [ My father lives and works in Tokyo. ]

— [ I have an uncle who lives in Kyoto. ]

— [ Do you happen to know where she lives? ]

— [ I have a friend who lives in Kyoto. ]

— [ My family has lived here for twenty years. ]

 

[ 164 ] EVEN

— Om het even wie van u kan het doen.

— Hij en ik zijn bijna even groot.

— Ik kan even niet op zijn naam komen.

— Ik ben even oud als hij.

— Ze is even jong als ik.

 

— Laat ons even alleen zijn.

— Ze is ongeveer even oud als ik.

— We zijn even oud.

— Hij is ongeveer even oud als jij.

— Dit boek is even interessant als dat boek.

 

— [ Any of you can do it. ]

— [ He and I are almost the same height. ]

— [ I can’t think of his name just now. ]

— [ I’m as old as he is. ]

— [ She is as young as I am. ]

 

— [ Give us a moment alone. ]

— [ She’s about the same age as I am. ]

— [ We’re the same age. ]

— [ He’s about the same age as you are. ]

— [ This book is as interesting as that book. ]

 

— Neem om het even welke boeken die je wil lezen.

— Mag ik je woordenboek even ?

— Ik ben even verliefd als de eerste dag.

— Kom me alsjeblieft even helpen in mijn kamer.

— Al de jongens zijn even oud.

 

— Ge kunt hetzelfde om het even waar vinden.

— Zou je even kunnen wachten ?

— Mag ik uw krant even zien ?

— Zou u even kunnen wachten ?

— Ga eens even kijken wie het is.

 

— [ Take any books that you want to read. ]

— [ Can I use your dictionary? ]

— [ I am as much in love as on the first day. ]

— [ Please come to my room to help me. ]

— [ All the boys are the same age. ]

 

— [ You can find the same thing anywhere. ]

— [ Would you mind waiting a few minutes? ]

— [ Can I have a look at your newspaper? ]

— [ Would you mind waiting a few minutes? ]

— [ Please go and see who it is. ]

 

— Een jongen van zeventien is vaak even groot als zijn vader.

— Ze zijn even sterk als wij.

— Wilt u me uw paspoort even laten zien alstublieft ?

— De twee bergen zijn even hoog.

— Het is ongeveer even groot als een ei.

 

— Het is ongeveer even groot als een ei.

— Ik zal me even voorstellen.

— Mag ik uw paspoort even zien ?

— Mag ik dat tijdschrift even zien ?

— Mag ik je woordenboek even gebruiken ?

 

— [ A boy of seventeen is often as tall as his father. ]

— [ They are as strong as us. ]

— [ Will you show me your passport, please? ]

— [ The two mountains are of equal height. ]

— [ It’s about the size of an egg. ]

 

— [ It is about the size of an egg. ]

— [ I’ll just introduce myself. ]

— [ May I look at your passport? ]

— [ May I look at that magazine? ]

— [ Can I use your dictionary for a minute? ]

 

[ 165 ] PER

— Hij werkt acht uur per dag.

— Ze reden naar het station per auto.

— Dat ging per ongeluk !

— Hij schrijft mij eens per week.

— Hij schrijft mij eens per week.

 

— Ik reis liever per trein dan per vliegtuig.

— Ze eten een keer per week vlees.

— Het spijt me dat ik je mail per ongeluk opende.

— Hoeveel boeken lees je per maand ?

— Hij deed per ongeluk zout in zijn kopje koffie.

 

— [ He works eight hours every day. ]

— [ They drove to the station by car. ]

— [ I didn’t mean to! ]

— [ He writes me once a week. ]

— [ He writes to me once a week. ]

 

— [ I prefer traveling by train to flying. ]

— [ They eat meat once a week. ]

— [ I’m sorry I opened your mail by mistake. ]

— [ How many books do you read a month? ]

— [ He put salt into his cup of coffee by mistake. ]

 

— Ik zwem één keer per week.

— Ze wordt niet per maand betaald, maar per dag.

— Hoeveel boeken leest ge per maand ?

— Hij laat zijn haar eens per maand knippen.

— Zijn vader eet daar tweemaal per week.

 

— Ik ontmoette mijn leraar per toeval in het restaurant gisteravond.

— Ik vraag mij af waarom eieren per dozijn verkocht worden.

— Hij knipt zijn haar eens per maand.

— Een keer per maand luncht zij met haar vader.

— Het magazine komt twee keer per maand uit.

 

— [ I swim once a week. ]

— [ She doesn’t get paid by the month, but by the day. ]

— [ How many books do you read per month? ]

— [ He gets his hair cut once a month. ]

— [ His father eats there twice a week. ]

 

— [ I met my teacher by accident at the restaurant last night. ]

— [ I wonder why eggs are sold by the dozen. ]

— [ He gets a haircut once a month. ]

— [ Once a month, she has lunch with her father. ]

— [ The magazine is issued twice a month. ]

 

— Hoe vaak knippert een mens gemiddeld per minuut met zijn ogen ?

— Wij allen proberen minstens een keer per jaar bijeen te komen.

— Ze verdient gemiddeld tien pond per week.

— Per slot van rekening blijft niets eeuwig bestaan.

— Eieren worden per twaalf verkocht.

 

— Ze rookt twintig sigaretten per dag.

— Ik poets mijn tanden tweemaal per dag.

— Het gemiddelde aantal zwangerschappen per vrouw is twee, in geïndustrialiseerde landen.

— Je moet minstens twee keer per dag je tanden poetsen.

 

— [ How many times a minute does the average person blink? ]

— [ We all try to get together at least once a year. ]

— [ She earns on average ten pounds a week. ]

— [ After all, nothing remains forever. ]

— [ Eggs are sold by the dozen. ]

 

— [ She smokes 20 cigarettes a day. ]

— [ I brush my teeth twice a day. ]

— [ The average number of pregnancies per woman is two in industrialized countries. ]

— [ You should brush your teeth at least twice a day. ]

 

[ 166 ] NET

— Mijn broer is net zo groot als ik.

— Te weinig is net zo erg als te veel.

— Je lijkt net op hem.

— Ik ben net terug uit school.

— Je bent nog net hetzelfde zoals je altijd was.

 

— Deze auto is net als nieuw.

— Ik ben net klaar met eten.

— Hij doet net of hij hier niet bekend is.

— Iemand deed net het licht uit.

— Het is hier nog net als vroeger.

 

— [ My brother is as tall as me. ]

— [ Too little is just as bad as too much. ]

— [ You look just like him. ]

— [ I have just come back from school. ]

— [ You are just the same as you always were. ]

 

— [ This car is like new. ]

— [ I have just finished eating. ]

— [ He pretends that he’s a stranger here. ]

— [ Someone just turned off the lights. ]

— [ It’s still just as before here. ]

 

— Ik ben net zo sterk als jij.

— Je kan hem net zo goed niks over haar vertellen.

— Ik wilde net een brief schrijven, toen hij thuis kwam.

— Ik heb gisteren net zo’n pen gekocht als jij hebt.

— Ik dacht net aan een nieuwe baan.

 

— We kunnen net zo goed meteen gaan.

— Hij is net vanuit het buitenland terug.

— Doe het opnieuw, net zoals eerder.

— Het is net om de hoek.

— Hij is net teruggekomen.

 

— [ I am as strong as you. ]

— [ You may as well tell him nothing about her. ]

— [ I was just going to write a letter when he came home. ]

— [ I bought a pen like yours yesterday. ]

— [ I was just thinking of a new job. ]

 

— [ We may as well go at once. ]

— [ He just returned from abroad. ]

— [ Do it again, just like before. ]

— [ It’s just around the corner. ]

— [ He has just come back. ]

 

— De Sahara is bijna net zo groot als Europa.

— In theorie ben ik net met wiskunde bezig.

— Ze is net twintig geworden.

— Ze is net vertrokken.

— Maria zwemt ongeveer net zo snel als Jack.

 

— De stal is net achter de boerderij.

— Ze is een net van de universiteit afgestudeerde lerares.

— Hij is net gegaan.

— Mijn linkervoet is net in slaap gevallen.

— Hij repareerde het net.

 

— [ The Sahara Desert is almost as large as Europe. ]

— [ Theoretically, I’m doing math. ]

— [ She has just turned twenty. ]

— [ She just left. ]

— [ Mary swims just about as fast as Jack. ]

 

— [ The stable is right behind the farm house. ]

— [ She is a teacher fresh from the university. ]

— [ He left just now. ]

— [ My left foot just fell asleep. ]

— [ He fixed the net. ]

 

[ 167 ] BOEKEN

— Dit zijn mijn boeken, dat zijn die van hem.

— Dit zijn mijn boeken, die zijn van hem.

— Deze boeken zijn van mij en die boeken zijn van hem.

— Hij heeft te veel boeken.

— Er zijn veel boeken in mijn kamer.

 

— Ik heb veel boeken.

— Ik heb veel boeken.

— Mijn vader heeft veel boeken.

— Mijn vader heeft veel boeken.

— Heb je twee boeken ?

 

— [ These are my books, those are his. ]

— [ These are my books; those are his. ]

— [ These books are mine and those books are his. ]

— [ He has too many books. ]

— [ There are many books in my room. ]

 

— [ I have many books. ]

— [ I have a lot of books. ]

— [ My father has many books. ]

— [ My father has a lot of books. ]

— [ Do you have two books? ]

 

— Waar zijn mijn boeken ?

— U heeft veel boeken.

— U heeft veel boeken.

— Ze heeft meer boeken.

— Ze heeft meer boeken.

 

— Deze boeken zijn mijn boeken.

— Hij heeft meer boeken dan hij kan lezen.

— Niet alle boeken op tafel zijn van mij.

— Niet alle boeken zijn goede boeken.

— Ken heeft meer boeken dan jou.

 

— [ Where are my books? ]

— [ You have many books. ]

— [ You have a lot of books. ]

— [ She has more books. ]

— [ She’s got more books. ]

 

— [ These books are my books. ]

— [ He has more books than he can read. ]

— [ Not every book on the desk belongs to me. ]

— [ Not all books are good books. ]

— [ Ken has more books than you. ]

 

— Hij heeft niet zoveel boeken als zij.

— Ik heb een paar boeken die je misschien graag wil lezen.

— Ik heb enkele boeken.

— Het is belangrijk om veel boeken te lezen.

— Neem om het even welke boeken die je wil lezen.

 

— Ik kocht veel boeken.

— Ik lees heel graag boeken.

— Ik heb veel geleerd uit zijn boeken.

— Ze hebben weinig boeken.

— Ik heb twee keer zoveel boeken gelezen als hij.

 

— [ He doesn’t have as many books as she does. ]

— [ I have some books that you might like to read. ]

— [ I have a few books. ]

— [ It’s important to read a lot of books. ]

— [ Take any books that you want to read. ]

 

— [ I bought a lot of books. ]

— [ I love reading books. ]

— [ I learned a lot from his books. ]

— [ They have few books. ]

— [ I have read twice as many books as he has. ]

 

[ 168 ] KINDEREN

— Hij is de vader van drie kinderen.

— Onze kinderen zijn op school, waar zijn die van u ?

— Hij heeft geen kinderen.

— Hij heeft geen kinderen.

— Hij heeft geen kinderen.

 

— Ik heb twee kinderen, een jongen en een meisje.

— Ze heeft haar kinderen niet in de hand.

— Heeft u al kinderen ?

— De kinderen hebben geen school vandaag.

— Gaan de kinderen naar school ?

 

— [ He is the father of three children. ]

— [ Our children are at school; where are yours? ]

— [ He has no children. ]

— [ He hasn’t any children. ]

— [ He doesn’t have any children. ]

 

— [ I have two children. One is a boy and the other is a girl. ]

— [ She can’t control her children. ]

— [ Do you have children already? ]

— [ The children don’t have school today. ]

— [ Do the children go to school? ]

 

— De kinderen zijn de bloemen van ons leven.

— We hebben twee kinderen.

— Heeft u kinderen ?

— Ik ben getrouwd en heb twee kinderen.

— Mijn oom heeft drie kinderen.

 

— Ik moet aan mijn kinderen denken.

— Elk van zijn kinderen heeft een eigen kamer.

— Kinderen vragen mij vaak om geld.

— Het is moeilijk dit verhaal aan te passen voor kinderen.

— Wil iemand denken aan de kinderen !

 

— [ Children are the flowers of our lives. ]

— [ We have two children. ]

— [ Do you have any children? ]

— [ I am married and have two children. ]

— [ My uncle has three children. ]

 

— [ I have to think of my children. ]

— [ Each of his children has his own room. ]

— [ Children often ask me for money. ]

— [ It is hard to adapt this story for children. ]

— [ Won’t somebody please think of the children?! ]

 

— Hoe oud zijn jullie kinderen ?

— Drie kinderen waren aan het spelen in het park.

— Hebben jullie kinderen ?

— Ze las een leuk verhaal aan de kinderen voor.

— Ik ben de tweede uit drie kinderen.

 

— Ouders houden van hun kinderen.

— Veel kinderen horen het verschil niet zo goed.

— Onze kinderen houden van houden, maar ik hou meer van katten.

— Niet alle kinderen houden van appels.

— Kinderen doen eerder hun vrienden dan hun ouders na.

 

— [ How old are your children? ]

— [ Three children were playing in the park. ]

— [ Do you have any children? ]

— [ She read an amusing story to the children. ]

— [ I’m the second oldest of three children. ]

 

— [ Parents love their children. ]

— [ A lot of children don’t hear the difference very well. ]

— [ Our children like dogs, but I prefer cats. ]

— [ Not all children like apples. ]

— [ Children imitate their friends rather than their parents. ]

 

[ 169 ] TREIN

— Hier komt de trein !

— Onze trein kwam op tijd.

— Hij had geluk en was op tijd voor de trein.

— Ik reis liever met de trein dan met de vliegtuig.

— Soms komt de trein niet op tijd.

 

— De laatste trein is al weg.

— Ik stond vroeg op om de eerste trein te nemen.

— De trein zat zo vol, dat niemand van ons kon zitten.

— Kunt ge met de trein naar kantoor gaan ?

— Je zit in de verkeerde trein.

 

— [ Here comes the train! ]

— [ Our train arrived on time. ]

— [ Being lucky, he was in time for the train. ]

— [ I prefer travelling by train to flying. ]

— [ At times the train doesn’t arrive on time. ]

 

— [ The last train has already gone. ]

— [ I got up early in order to catch the first train. ]

— [ The train was so crowded that none of us could get a seat. ]

— [ Can you go to the office by train? ]

— [ You are on the wrong train. ]

 

— De trein kwam aan in Londen.

— De trein kwam op tijd aan in Kyoto.

— De trein kwam op tijd aan in Kyoto.

— Ik reis liever per trein dan per vliegtuig.

— Ik zat twaalf uur op de trein.

 

— Hij droeg haar bagage naar de trein.

— Ik had bijna mijn paraplu in de trein laten liggen.

— Ik stond vroeg op om de eerste trein te halen.

— Is dit de juiste trein naar Tokio ?

— Welke trein gaat ge nemen ?

 

— [ The train arrived in London. ]

— [ The train arrived in Kyoto on time. ]

— [ The train arrived on time to Kioto. ]

— [ I prefer traveling by train to flying. ]

— [ I was on the train for twelve hours. ]

 

— [ He carried her luggage to the train. ]

— [ I almost left my umbrella in the train. ]

— [ I got up early to catch the first train. ]

— [ Is this the right train for Tokyo? ]

— [ Which train are you going to take? ]

 

— Ik heb de trein gemist op twee minuten na.

— Hoe laat vertrekt deze trein ?

— Hij rende niet snel genoeg om de trein te halen.

— Je kan maar beter opschieten, of je mist de trein.

— De trein gaat iedere dertig minuten.

 

— Hij haastte zich om de trein niet te missen.

— De trein heeft een vertraging van dertig minuten.

— Doe niet open voordat de trein stopt.

— Ik vind het leuk om met de trein te reizen.

— De trein stopt op elk station.

 

— [ I missed the train by two minutes. ]

— [ What time does the train depart? ]

— [ He didn’t run fast enough to catch the train. ]

— [ You’d better hurry, or you’ll miss the train. ]

— [ The train runs every thirty minutes. ]

 

— [ He hurried so he wouldn’t miss the train. ]

— [ The train is 30 minutes late. ]

— [ Do not open before the train stops. ]

— [ I like traveling by train. ]

— [ The train stops at every station. ]

 

[ 170 ] ZIN

— Ik heb geen zin om uit te gaan.

— Deze zin is van mij.

— Ik heb zin om uit te gaan vandaag.

— Dat was mijn zin !

— Dit is een zin.

 

— Het heeft geen zin om me om geld te vragen.

— Het heeft geen zin het hem nog eens te vragen.

— Dit is geen zin.

— Dit zal mijn laatste zin in het Engels zijn.

— Het heeft geen zin me voor de gek te houden.

 

— [ I don’t feel like going out. ]

— [ This sentence is mine. ]

— [ I feel like going out today. ]

— [ That’s my line! ]

— [ This is a sentence. ]

 

— [ It’s no use asking me for money. ]

— [ It is no use asking him again. ]

— [ This is not a sentence. ]

— [ This will be my last sentence in English. ]

— [ It is no use trying to deceive me. ]

 

— Ik heb geen zin om uit eten te gaan vanavond.

— Eet waar je zin in hebt.

— Heeft u geen zin in een beetje thee ?

— Ik heb zin om iets te drinken.

— Een leven zonder liefde heeft helemaal geen zin.

 

— Het heeft geen zin om nog langer na te denken.

— Ik heb geen zin om nog langer te wachten.

— Ik heb zin in uit eten vanavond.

— Ik wil beter begrijpen wat de zin van het leven is.

— Welke zin heb je liever ?

 

— [ I don’t feel like eating out this evening. ]

— [ Help yourself to anything you’d like to eat. ]

— [ Wouldn’t you like to drink some tea? ]

— [ I feel like having a drink. ]

— [ Life without love has no meaning at all. ]

 

— [ It’s useless to keep on thinking any more. ]

— [ I don’t feel like waiting any longer. ]

— [ I feel like eating out tonight. ]

— [ I want to better understand what the meaning of life is. ]

— [ Which sentence do you prefer? ]

 

— Ze hadden het naar hun zin op het feest.

— Ik heb geen zin tegen iemand te praten.

— Ik heb geen zin om zo hard te lopen.

— Heb je zin om te gaan zwemmen ?

— Zeg wat je wilt, maar ik doe toch mijn eigen zin !

 

— Wat is de betekenis van deze zin ?

— Ik heb geen zin om vanavond bier te drinken.

— Ik kan goede verhalen schrijven als ik daar zin in heb.

— In zekere zin is dat wat hij zegt waar.

— Als ik nog één zin over tennis hoor, word ik gek.

 

— [ They enjoyed themselves at the party. ]

— [ I don’t feel like talking to anybody. ]

— [ I don’t feel like walking so fast. ]

— [ Do you feel like going swimming? ]

— [ Whatever you say, I’ll do it my way. ]

 

— [ What is the meaning of this phrase? ]

— [ I do not feel like drinking beer tonight. ]

— [ I can write good stories when I feel like it. ]

— [ In a sense what he says is true. ]

— [ If I hear one more sentence about tennis, I’ll go crazy. ]

 

[ 171 ] BIJNA

— Hij en ik zijn bijna even groot.

— Het is bijna drie uur.

— Hij is bijna altijd thuis.

— Hij is bijna altijd thuis.

— Het is bijna zes uur.

 

— Ik ben bijna klaar.

— Ik ben bijna klaar.

— Er is bijna geen wijn meer.

— De vakantie is bijna om.

— Je zoon is bijna een kopie van je vader.

 

— [ He and I are almost the same height. ]

— [ It’s nearly three o’clock. ]

— [ He is almost always at home. ]

— [ He is almost always home. ]

— [ It’s almost six o’clock. ]

 

— [ I’m about ready. ]

— [ I am almost ready. ]

— [ There is little wine left. ]

— [ The vacation is close to an end. ]

— [ Your son is almost the copy of your father. ]

 

— Hij weet bijna niets over dat dier.

— Ik ben bijna een ander persoon.

— Ik had bijna mijn paraplu in de trein laten liggen.

— Je hebt bijna gelijk.

— Hij is bijna zes voet groot.

 

— Het is bijna lente.

— Ik werd bijna overreden door een auto.

— Ik werd bijna door een auto overreden.

— Er is bijna geen koffie over in de pot.

— Ik neem bijna elke dag een bad.

 

— [ He knows almost nothing about that animal. ]

— [ I’m almost another person. ]

— [ I almost left my umbrella in the train. ]

— [ You’re almost right. ]

— [ He is almost six feet tall. ]

 

— [ Spring is just around the corner. ]

— [ I was nearly run over by a car. ]

— [ I narrowly escaped being run over by a car. ]

— [ There’s almost no coffee left in the pot. ]

— [ I take a bath almost every day. ]

 

— Het avondeten is bijna klaar.

— Het avondeten is bijna klaar.

— Deze arme kat is bijna gestorven van de honger.

— Toen ik wakker werd, was het bijna middag.

— Ik werd bijna gek van angst.

 

— Ik zwem bijna elke dag.

— Hij komt bijna elk weekend thuis.

— De Sahara is bijna net zo groot als Europa.

— Ik begreep het bijna helemaal !

— Ik begreep het bijna helemaal !

 

— [ The dinner is almost ready. ]

— [ Dinner is almost ready. ]

— [ This poor cat almost died of hunger. ]

— [ It was almost noon when I woke up. ]

— [ I went almost crazy with fear. ]

 

— [ I swim almost every day. ]

— [ He comes home almost every weekend. ]

— [ The Sahara Desert is almost as large as Europe. ]

— [ I almost understood the entire thing! ]

— [ I understood almost everything. ]

 

[ 172 ] TERUG

— Ik zal gaan als hij terug is.

— Hij zal over een uur terug zijn.

— Ik ben over een uur terug.

— Hij zei dat hij snel terug zou zijn.

— Ik wou dat ik terug in de tijd kon gaan.

 

— Ik ben zo terug.

— Ik ben zo terug.

— Ik ben zo terug.

— Ik ben zo terug.

— Ik ben zo terug.

 

— [ I will go when he comes back. ]

— [ He will be back in an hour. ]

— [ I will be back in an hour. ]

— [ He said that he would be back soon. ]

— [ I wish I could go back in time. ]

 

— [ I will be back soon. ]

— [ I’ll be back soon. ]

— [ I’ll be back in a wink. ]

— [ I’ll be right back. ]

— [ I’ll be back in a jiffy. ]

 

— Ik ben zo terug.

— Is hij al terug ?

— Ik ben niet zeker wanneer hij terug zal zijn.

— Ik ga niet terug.

— Tegen de tijd dat je terug bent, zal zij weg zijn.

 

— Ik weet niet wanneer mijn moeder terug zal komen.

— Hij gaf me het geld terug.

— Ik denk dat ik snel terug kom.

— Hij zei dat hij hier morgen terug zou komen.

— Ik weet niet precies wanneer ik terug zal zijn.

 

— [ I’ll be back right away. ]

— [ Is he back already? ]

— [ I am not sure when he will be back. ]

— [ I’m not going back. ]

— [ By the time you get back, she’ll have left. ]

 

— [ I don’t know when my mother will come back. ]

— [ He gave me back the money. ]

— [ I think I’ll come back soon. ]

— [ He said that he would come back here tomorrow. ]

— [ I don’t know exactly when I’ll be back. ]

 

— Ik ben net terug uit school.

— Om zes uur ben ik terug.

— Ga terug naar huis.

— Hij zal over tien minuten terug zijn.

— Ik kom nooit meer terug.

 

— Wanneer kom je terug naar huis ?

— Wanneer kom je terug naar school ?

— Ik ben over tien minuten terug.

— Ik kom terug voor zes uur.

— De jongen kwam terug.

 

— [ I have just come back from school. ]

— [ I’ll be back at six. ]

— [ Go back home. ]

— [ He will be back in ten minutes. ]

— [ I’ll never come back. ]

 

— [ When do you return home? ]

— [ When will you come back to school? ]

— [ I’ll be back in ten minutes. ]

— [ I’ll be back by six. ]

— [ The boy came back. ]

 

[ 173 ] AF

— Ik weet niet wat ik van nu af aan moet doen.

— Ik heb mijn werk al af.

— Je had het nu wel af moeten hebben.

— Heeft ze haar werk al af ?

— Ik vraag me af waarom hij te laat is.

 

— Je hoeft het morgen niet af te hebben.

— Ik vraag mij af waarom hij te laat is.

— Morgen moet het werk af zijn.

— Ik vraag me af wie dat meisje is.

— Ik vraag mij af of er iets met hem gebeurd is.

 

— [ I don’t know what to do from now on. ]

— [ I’ve already finished my work. ]

— [ He should have finished it by now. ]

— [ Has she finished her work yet? ]

— [ I wonder why he is late. ]

 

— [ You don’t need to finish it by tomorrow. ]

— [ I wonder why he is late. ]

— [ The work must be completed by tomorrow. ]

— [ I wonder who that girl is. ]

— [ I wonder if anything happened to him. ]

 

— Er is tijd genoeg om dit huiswerk af te maken.

— Ik moet het werk af hebben tegen vier uur.

— Af en toe komt zij te laat naar school.

— Ik vraag me af of hij getrouwd is.

— Ik vraag me af wat er gebeurd is.

 

— Hij ging de kamer in met zijn hoed af.

— Ik vroeg me alleen af welke talen jij allemaal spreekt.

— Hebt gij uw huiswerk al af ?

— Hebt gij uw huiswerk al af ?

— Hebt gij uw huiswerk al af ?

 

— [ There is enough time to finish this homework. ]

— [ I have to finish the work by four o’clock. ]

— [ She’s sometimes late for school. ]

— [ I wonder if he is married. ]

— [ I wonder what happened. ]

 

— [ He entered the room with his hat off. ]

— [ I was just wondering what languages you can speak. ]

— [ Have you finished doing your homework yet? ]

— [ Have you finished your homework yet? ]

— [ Have you finished your homework already? ]

 

— Hebt gij uw huiswerk al af ?

— We vragen ons af waarom.

— Op je plaats, klaar, af !

— Zal ze het vandaag af kunnen krijgen ?

— Ik vraag me af of hij vannacht zal komen ?

 

— Ik vraag me af waarom vrouwen langer leven dan mannen.

— Ik vroeg me af of je vandaag zou komen opdagen.

— Af en toe ga ik naar de bibliotheek.

— Ik tennis af en toe.

— Ga van nu af aan voorzichtiger met je geld om.

 

— [ Are you done with your homework yet? ]

— [ We wonder why. ]

— [ On your marks, get set, go! ]

— [ Will she be able to finish it today? ]